<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:27945</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-01T16:14:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.47534 en NL24.47536</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27945">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27945</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-01T15:07:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:27945 Rechtbank Den Haag , 22-05-2025 / NL24.47534 en NL24.47536</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27945:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vreemdelingenrecht regulier; verblijfsverunning met verblijfsdoel 'familie en gezin'; verweerder heeft ten onrechte geen standpunt ingenomen over de nieuw in beroep overgelegde documenten die onder andere slaan op de periode voorafgaand aan de aanvraag; motiveringsgebrek art. 3:46 Awb; beroep gegrond; voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27945:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL24.47534 en NL24.47536 </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. K.J. Kerdel),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder. </title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft zich enkele weken voor de zitting afgemeld te verschijnen. Verweerder heeft daarbij niet op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, referente en H. Abdulla als tolk.	</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Ghanese nationaliteit. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 14 november 2023 heeft eiser, met behulp van zijn gemachtigde, een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de aanvraag) om bij mevrouw [referente] , zijn partner (referente), en hun dochter, [naam 1] , te mogen verblijven. Referente heeft ook nog een zoon uit een eerdere relatie, [naam 2] , voor wie eiser fungeert als stiefvader.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij het besluit van 25 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder werpt eiser tegen dat hij geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Daarbij is er geen sprake van familieleven tussen eiser en referente omdat de gestelde relatie onvoldoende is onderbouwd, en neemt verweerder geen familieleven aan tussen eiser en beide kinderen. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_db922fb4-465c-4126-ba7e-f65244455380" /> valt daarnaast in het nadeel van eiser uit. Ook ten aanzien van de belangen van de kinderen. Verder wordt er geen privéleven in Nederland aangenomen, getuigt de beslissing volgens verweerder niet van onredelijke hardheid en zijn er geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van de beleidsregels af te wijken. Met het bestreden besluit van 26 november 2024 is verweerder bij de afwijzing gebleven en heeft hij het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen omdat het besluit niet voldoende gedragen is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder hem, gelet op de hardheidsclausule, had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft ook ten onrechte niet gespecificeerd welke bewijsstukken er nog nodig zijn om de relatie tussen eiser en referente, of de hechte banden tussen eiser en de kinderen, aan te tonen. Eiser is namelijk van mening voldoende bewijs te hebben geleverd. Daarnaast werpt verweerder eiser ten onrechte delen uit zijn verklaring bij de AVIM van 18 oktober 2023 tegen, omdat die al zijn opgehelderd. Verweerder kan eiser ook niet tegenwerpen dat er geen sprake is van financiële ondersteuning, omdat het eiser niet is toegestaan in Nederland te werken of een bankrekening te openen. Verweerder had eiser dan ook moeten vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van zijn eigen beleid, of artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Referente kan daarbij niet voor ondersteuning terecht bij familie in Nederland. Verder heeft verweerder niet onderkend dat sprake is van werkelijk gezinsleven zoals bedoeld in artikel 16 van de Gezinsherenigingsrichtlijn<footnote-ref linkend="_b2308f8b-7e0f-4766-bd4f-8a42b383380c" /> en eiser beoogt dit voort te zetten.<footnote-ref linkend="_33cc3083-b21e-4263-ad22-40653979d6bf" /> Daarbij is er een subjectief recht op gezinshereniging omdat het een lid van het kerngezin betreft.<footnote-ref linkend="_d4d5e4ff-118d-4769-8977-b8b2eba0cd31" /> Eiser kan verder een verblijfsrecht ontlenen aan artikel 20 van het VWEU<footnote-ref linkend="_ed7756b3-6c94-4c9e-96c4-205f4310d2e9" /> en het arrest Chavez-Vilchez<footnote-ref linkend="_3b57c198-92a9-4193-9b26-965f8e82f298" /> nu de kinderen eiser nodig hebben. Tot slot is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met artikel 3, 9 en 10 van het IVRK,<footnote-ref linkend="_a0967324-ca97-46fa-8e16-9ab24735100d" /> artikel 24 van het EU-Handvest en het evenredigheidsbeginsel. Door eiser terug te sturen worden de belangen van de kinderen geschaad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De rechtbank stelt vast dat eiser, ter verdere onderbouwing van zijn relatie met referente, zijn banden met de kinderen en de medische omstandigheden van referente, in beroep aanvullende stukken heeft ingediend. Het gaat om nieuwe foto’s van eiser met referente en de kinderen, een overzicht van telefooncontact tussen eiser en referente, Whatsapp-gesprekken tussen eiser en referente, medische informatie van de huisarts van referente, een bevestiging van inschrijving in de BRP<footnote-ref linkend="_6c34795f-76d5-4639-bbae-267f4b26fcd6" /> van eiser, een bevestiging van het openen van een bankrekening door eiser en een geschreven verklaring van de zoon van referente over eiser. Eiser heeft verklaard eerst in beroep met deze stukken te zijn gekomen, omdat verweerder gedurende de procedure, waaronder zoals tijdens de hoorzitting, niet duidelijk heeft gemaakt aan eiser dat er meer stukken nodig waren en welke stukken om zijn relatie met referente en de persoonlijke hechte banden met de kinderen te onderbouwen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Ter zitting heeft eiser daarbij ook nog toegelicht op 23 december 2024 een aanvullende aanvraag te hebben gedaan voor ‘verblijf bij Nederlands kind (Chavez)’ nu referente en de kinderen recent zijn genaturaliseerd. Hierdoor heeft eiser procedureel rechtmatig verblijf gekregen waardoor hij zich in heeft kunnen schrijven in de BRP en een betaalrekening heeft kunnen openen. Op deze aanvraag heeft verweerder ten tijde van de zitting nog niet beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft echter geen standpunt ingenomen over de waarde van de door eiser in beroep overgelegde stukken, dan wel wat dit moet betekenen voor de beoordeling zoals deze is gemaakt in het bestreden besluit. Omdat de stukken zien op de relatie tussen eiser en referente, de band tussen eiser en de kinderen, de medische omstandigheden van referente en voor een deel slaan op de periode voorafgaand aan het bestreden besluit, acht de rechtbank het wel van belang dat verweerder hier een standpunt over inneemt en deze waar nodig betrekt in haar beoordeling. De rechtbank ziet hierin dan ook een motiveringsgebrek waardoor het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen en daarbij tevens de door eiser ingediende aanvraag van 23 december 2024 te betrekken.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Nu de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd en zij niet uitsluit dat de aanvullende stukken in beroep invloed kunnen hebben op de beoordeling van de aanvraag, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige gronden van beroep.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Dat betekent dat het een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, de rechtsgevolgen in stand te laten of om een bestuurlijke lus toe te passen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_55074d7c-cc4a-4c5d-94ba-0c2862952105" />. Ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening wordt verweerder in de proceskosten veroordeeld. Deze vergoeding bedraagt € 907,- (1 punt voor het verzoekschrift met een waarde van € 907.- per punt met een wegingsfactor 1).</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op om opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_db922fb4-465c-4126-ba7e-f65244455380" label="1">
    <para> Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b2308f8b-7e0f-4766-bd4f-8a42b383380c" label="2">
    <para> Verwezen wordt naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 1 augustus 2022, zaaknummer C-297/20, ECLI:EU:C:2022:618 en zaaknummer C-273/20, ECLI:EU:C:2022:1019.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33cc3083-b21e-4263-ad22-40653979d6bf" label="3">
    <para> Verwezen wordt naar punt 6 van de preambule van de Gezinsherenigingsrichtlijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d4d5e4ff-118d-4769-8977-b8b2eba0cd31" label="4">
    <para> Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:27.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ed7756b3-6c94-4c9e-96c4-205f4310d2e9" label="5">
    <para> Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3b57c198-92a9-4193-9b26-965f8e82f298" label="6">
    <para> Zie het arrest van het Hof van 10 mei 2017, zaaknummer C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0967324-ca97-46fa-8e16-9ab24735100d" label="7">
    <para> Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c34795f-76d5-4639-bbae-267f4b26fcd6" label="8">
    <para> Basisregistratie personen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_55074d7c-cc4a-4c5d-94ba-0c2862952105" label="9">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>