<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:27923</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-24T07:32:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/7412</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27923">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27923</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-24T07:32:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:27923 Rechtbank Den Haag , 09-12-2025 / 25/7412</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27923:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vovo. Pw, intrekking bijstand, verzoek afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27923:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 25/7412</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 december 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker</title>
    <para>(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. Y. Blijdenstein).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Met het primaire besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de uitkering van verzoeker op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken met ingang van 25 september 2025 en over de periode 25 september 2025 tot en met 30 september 2025 € 260,12 teruggevorderd, omdat hij geen of onvoldoende medewerking heeft verleend aan een noodzakelijk huisbezoek op diezelfde datum. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 20 november 2025 heeft verweerder aanvullende stukken gestuurd en op 21 november 2025 heeft verzoeker zijn gronden aangevuld.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker met zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Spoedeisend belang</emphasis>
      </para>
      <para>2. Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een geval als dat van verzoeker kan dat zo zijn wanneer sprake is van een (financiële) noodsituatie, welke het voor hem onevenredig bezwarend maakt dat hij de beslissing in de hoofdzaak af moet wachten.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verzoeker ontvangt geen bijstandsuitkering meer. Hij heeft gesteld dat hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud. Uit de overlegde bankafschriften blijkt dat het eindsaldo van verzoeker op 14 oktober 2025 € -3,37 was. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op deze omstandigheden, verzoeker een spoedeisend belang ten aanzien van de intrekking van zijn bijstandsuitkering per 25 september 2025 (datum in geding) heeft. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Inhoudelijk oordeel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
      <para />
      <para>4. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Verzoeker woont aan de [adres] (hierna: het uitkeringsadres) en ontving een uitkering sinds 17 april 2011 naar de norm alleenstaande 21+ zonder kostendelers. Op 12 februari 2024 heeft verweerder een anonieme fraudemelding ontvangen. Samengevat stelt de melder dat verzoeker zwart bijverdiend. Op 29 april 2024 is een melding gedaan door de politie dat verzoeker personen op het uitkeringsadres laat verblijven en er is een verzoek huisbezoek ingediend. Naar aanleiding van deze melding is er contact opgenomen met verzoeker. Hij heeft ontkend dat er logees in zijn woning zijn, maar op 3 mei 2024 heeft verzoeker telefonisch laten weten dat er éénmaal iemand bij hem heeft geslapen. Op 11 juni 2024 heeft verweerder naar aanleiding van een intern overleg besloten dat het onderzoek naar verzoeker zou worden afgesloten. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op 7 juli 2025 een onderzoek gestart naar een schending van de inlichtingenplicht door het verzwijgen van onderhuur, inwoning of verhuur van kamer(s) op het uitkeringsadres en op 16 oktober 2025 een rapportage Onderzoek en Handhaving opgesteld. Uit de rapportage blijkt dat verweerder in totaal zeven meldingen heeft ontvangen in de periode 11 februari 2025 tot en met 29 september 2025. In de meldingen zijn onder meer aspecten genoemd over de woon- en leefsituatie van verzoeker en mogelijke kamerverhuur (specifiek de meldingen van 17 februari 2025 en 19 september 2025). Hieruit blijkt dat de woning op het uitkeringsadres twee slaapkamers heeft die verzoeker beide verhuurt, hijzelf slaapt op een bank in de woonkamer. Eén kamerhuurder heet [naam] , is [nationaliteit] , komt uit [land] , werkt bij [bedrijfsnaam] en betaalde € 100,- contant voor de slaapkamer. Hij heeft een eigen sleutel van de woning. [naam] in inmiddels vertrokken, en nu wordt er verhuurd aan een nieuwe huurder. Verzoeker ontvangt € 500,- voor de verhuur van de grote slaapkamer. Op de bankrekening hebben de rapporteurs bijschrijvingen van derden gezien zonder omschrijving. De rapporteurs hebben ook gekeken naar het waterverbruik en geconstateerd dat hij in de periode 2 september 2023 tot en met 8 september 2024 een verbruik had van 47 m³. In de periode 8 september 2024 tot en met 5 september 2025 was het jaarverbruik 65 m³. Ook hebben de rapporteurs waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres. In de rapportage is één waarneming opgenomen, op 15 juli 2025, waarbij een jonge man (niet verzoeker) uit het uitkeringsadres komt om 13.23 uur. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Op 25 september 2025 hebben de rapporteurs een onaangekondigd huisbezoek afgelegd. Verzoeker heeft de deur open gedaan toen er rond 08.13 uur werd aangebeld. De rapporteurs hebben zich gelegitimeerd en medegedeeld wat de reden was van het huisbezoek, en hebben toestemming gevraagd om de woning te betreden. Verzoeker heeft verklaard niet te willen meewerken aan het huisbezoek omdat hij dit niet noodzakelijk vindt. De rapporteurs hebben uitgelegd wat de gevolgen zouden zijn voor zijn uitkering als verzoeker niet wilde meewerken. Verzoeker heeft uiteindelijk de rapporteurs binnengelaten in de woning, maar werd boos en bejegende de rapporteurs met ongepast en grof taalgebruik. Het toestemmingsformulier (“informed consent”) wilde verzoeker aanvankelijk niet ondertekenen, maar deed dit na nadere uitleg van de rapporteurs toch. Daarna zijn ze naar de woonkamer gegaan waar de rapporteurs een beslapen bed zagen staan. Verzoeker heeft gezegd dat de rapporteurs alleen de keuken en de woonkamer mochten zien en de slaapkamer niet, want daar sliep zijn vriendin. Hij wilde haar niet wekken, en evenmin haar naam geven. Ook gaf hij aan dat iemand hem had verraden in de flat. Hij heeft wel de meterstanden getoond en een jaarnota van Oasen. Rond 08.25 uur hebben de rapporteurs de woning weer verlaten. Rond 09.11 uur, direct na het huisbezoek, heeft verzoeker zich gemeld bij het gemeentehuis met de vraag waarom het huisbezoek is uitgevoerd. De rapporteur heeft telefonisch met hem contact opgenomen en uitleg gegeven. Verzoeker werd boos en gaf aan een klacht in te dienen en zijn advocaat in te schakelen. <?linebreak?></para>
      <para>5. Verzoeker betwist dat hij niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek. Daarnaast stelt hij dat er geen redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek. Het wisselende waterverbruik vormt hiervoor geen objectief feit, en de anonieme melding ook niet. Het huisbezoek was niet proportioneel; een buurtonderzoek had volgens verzoeker meer uitsluitsel gegeven over de feitelijke woonsituatie van verzoeker. Nu is er sprake van een inbreuk op het privéleven van verzoeker en het subsidiariteitsbeginsel is geschonden, aangezien er geen gesprek met verzoeker heeft plaatsgevonden voor het huisbezoek. Verzoeker verwijst hiervoor naar een uitspraak van rechtbank Den Haag van 16 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2094. Subsidiair stelt verzoeker dat er onterecht geen herstelmogelijkheid is geboden tijdens het huisbezoek. Verzoeker was zeer geëmotioneerd en daar hadden de rapporteurs rekening mee moeten houden. <?linebreak?></para>
      <para>6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw is – voor zover hier van belang – de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Als de medewerkingsverplichting in onvoldoende mate wordt nagekomen en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Pw, kan de bijstand worden beëindigd of ingetrokken.<?linebreak?></para>
      <para>7. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.<?linebreak?></para>
      <para>8. Volgens vaste rechtspraak kunnen aan het niet of niet langer meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden in de vorm van het beëindigen of intrekken van de bijstand, indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat.<footnote-ref linkend="_40d69c12-ad59-42a3-981c-61e69dc4c09b" /><?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Een redelijke grond voor een huisbezoek bestaat als voorafgaand aan – dat wil zeggen: voor of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en de bijstandverlenende instantie deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.<footnote-ref linkend="_a5541af4-864e-4bf4-983e-becad3d2df16" /> Aldus dient bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op het huisrecht is gemaakt in de zin van artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden tevens te worden onderzocht of het noodzakelijk is om een huisbezoek als controlemiddel in te zetten en of dat controlemiddel proportioneel is. Bij dat laatste is vooral van belang de vraag of is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, in die zin dat aan het bestuursorgaan geen andere passende, minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om de rechtmatigheid van de uitkering te onderzoeken. Beide elementen vormen onderdeel van de beantwoording van de vraag of een redelijke grond bestond voor het huisbezoek en het bestuursorgaan zal zich dan ook van beide elementen rekenschap moeten geven voorafgaand aan het inzetten van dit verstrekkende controlemiddel.<?linebreak?></para>
      <para>9. Indien voor het huisbezoek een redelijke grond bestaat en er is voldaan aan “informed consent”, dan is de betrokkene ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Pw gehouden tot medewerking aan het huisbezoek. Indien een betrokkene hier niet aan meewerkt, dan kan dat tot gevolg hebben dat het recht op bijstand vanaf de datum waarop geweigerd wordt mee te werken, niet meer is vast te stellen. <?linebreak?></para>
      <para>10. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder voldoende aanknopingspunten om redelijkerwijs aan de juistheid van de opgegeven woonsituatie van verzoeker te twijfelen. In onderlinge samenhang bezien zijn de herhaalde signalen over de woonsituatie van verzoeker middels meerdere meldingen – waaronder door de politie –, de duidelijke stijging in het waterverbruik over het afgelopen meetjaar en de concrete, gedetailleerde inhoud van de (anonieme) meldingen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter daarvoor een weliswaar tamelijk summiere, maar desalniettemin voldoende grond. Derhalve was er sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek.<?linebreak?></para>
      <para>11. De inzet van het onaangekondigde huisbezoek als controlemiddel is om de opgegeven woonsituatie te controleren. Door dit bijvoorbeeld te doen na een gesprek op het gemeentekantoor, zoals verzoeker suggereert, bestaat de mogelijkheid dat er een wijziging wordt aangebracht in de woonsituatie waardoor dit controlemiddel veel minder effectief zou zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat de uitspraak waar verzoeker naar heeft verwezen ziet op een andere situatie, te weten een bijstandsaanvraag waarbij verweerder ook nog had aangegeven dat de gebruikelijke werkwijze was om in dat geval eerst een gesprek te voeren. <?linebreak?></para>
      <para>12. De voorzieningenrechter volgt voorts het standpunt van verzoeker dat hij wel heeft meegewerkt aan het huisbezoek niet. Door de slaapkamers niet te tonen aan de rapporteurs hebben zij niet de juistheid van zijn woonsituatie kunnen controleren. De relevantie hiervan blijkt temeer nu de meldingen zien op de onderhuur van de slaapkamers.<?linebreak?></para>
      <para>13. Tot slot blijkt uit de rapportage Onderzoek en Handhaving van 16 oktober 2025 dat de rapporteurs tijdens het huisbezoek verzoeker meerdere malen hebben gewezen op zijn gedrag en taalgebruik. Nadat verzoeker erin volharde niet alle ruimtes in zijn woning te willen tonen, hebben de rapporteurs aangekondigd dat zij de woning gingen verlaten en dat hij een brief zou ontvangen met de beslissing over zijn uitkering. Het bleek onmogelijk nog een gesprek te voeren met verzoeker. Toen bij vertrek nog is geprobeerd (extra) uitleg te geven, heeft hij de voordeur dicht gegooid. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker voldoende gelegenheid geboden om zijn gedrag aan te passen, waarmee in feite een herstelmogelijkheid is geboden.<footnote-ref linkend="_0d320fd4-28d7-43dd-b92e-9c9ce8c37825" /><?linebreak?></para>
      <parablock>
        <para>14. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder het bestreden besluit gebaseerd op de juiste grondslag.<?linebreak?></para>
        <para>14. De voorzieningenrechter verwacht dat het bestreden besluit na bezwaar in stand zal kunnen blijven.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen<?linebreak?></title>
    <para>16. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Dat betekent dat het bestreden besluit niet bij wijze van voorlopige voorziening zal worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.<?linebreak?></para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_40d69c12-ad59-42a3-981c-61e69dc4c09b" label="1">
    <para> Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3245. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5541af4-864e-4bf4-983e-becad3d2df16" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2348.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d320fd4-28d7-43dd-b92e-9c9ce8c37825" label="3">
    <para> Vergelijk met de uitspraak van de CRvB van 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:489.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>