<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:27824</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-08T08:50:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.26793</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27824">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27824</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-08T08:49:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:27824 Rechtbank Den Haag , 17-12-2025 / NL24.26793</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27824:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Syrische vrouw die herenigd wil worden met haar meerderjarige zoon en haar twee kleinkinderen, met wie zij tot hun vertrek naar Nederland heeft samengewoond. De rechtbank heeft zelf vastgesteld dat er sprake is van familie- en gezinsleven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27824:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: NL24.26793 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [V Nummer] <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , </bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedag] 1961, van Syrische nationaliteit, eiseres,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. C. Mayne),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_49b3f4de-4300-4d42-8b1b-8b19f2b630ba" />, de minister,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. L. Ludwig).</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een mvv<footnote-ref linkend="_0fdab106-98ac-46e3-98ed-e57c4545614a" /> aan eiseres voor het doel verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] (de zoon van eiseres, hierna referent) op grond van artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_5c5e22af-ae9f-47c0-bf7d-a584cd393ae9" />. Deze afwijzing is gehandhaafd met de beslissing op bezwaar van 5 juni 2024 (hierna: het bestreden besluit). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten onrechte geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent heeft aangenomen. Verder zijn de belangen van de kleinkinderen onvoldoende in kaart gebracht en onvoldoende betrokken in de belangenafweging.  Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en achtergrond en onder 4 de grondslag van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister tot het oordeel kon komen dat tussen eiseres en referent geen sprake is van familieleven. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of de minister de belangen van de kleinkinderen van eiseres voldoende in kaart heeft gebracht en betrokken. Aan het eind, vanaf 8, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Referent heeft op 7 september 2021 namens eiseres een mvv aangevraagd voor verblijf bij hem als zijn familielid op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juni 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. In dat besluit heeft de minister wegens te laat beslissen een bestuurlijke dwangsom van het maximale bedrag van € 1.442,- vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de minderjarige kinderen van referent (de kleinkinderen van eiseres) [naam 2] en [naam 3] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tijdens een kindzitting. [naam 2] en [naam 3] hebben daarvan afgezien. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, zijn echtgenote, de gemachtigde van eiseres, D.A.H. Ahmed als tolk en de gemachtigde van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten en achtergrond </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Referent is geboren op [geboortedag] 1983 in Syrië en is de enige zoon en het oudste kind van eiseres. De vader van referent is in 1989 overleden toen referent zes jaar oud was. Sindsdien hebben eiseres en haar vijf kinderen (referent en vier dochters) in gezinsverband samengewoond.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Met uitzondering van korte periodes studeren in Damascus, heeft referent tot zijn vertrek in 2020 steeds met eiseres samengewoond, ook toen hij een eigen gezin stichtte en in 2012 uit Syrië vluchtte naar Irak en in een vluchtelingekamp in [plaats 1] verbleef. De kinderen van referent zijn tot het vertrek van referent met eiseres in hun gezin opgegroeid. Referent is op 21 augustus 2021 in Nederland in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op 7 september 2021 heeft referent voor zijn echtgenote, zijn kinderen [naam 2] en [naam 3] en eiseres een mvv nareis aangevraagd. De aanvragen van de echtgenote en de kinderen van referent zijn op 22 april 2022 ingewilligd. Zij wonen sinds 11 juni 2022 in Nederland. Voor hun inreis in Nederland zijn ze teruggereisd naar Syrië om documenten te regelen. Eiseres is daar achtergebleven, omdat haar aanvraag werd afgewezen. Drie dochters van eiseres wonen inmiddels ook in Europa. Een dochter van eiseres woont nog in Damascus. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Bestreden besluit <?linebreak?>4.De minister heeft de afwijzing van de aanvraag in het bestreden besluit gehandhaafd. Volgens de minister is er geen sprake van familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referent, omdat volgens de minister geen sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’. De minister neemt aan dat tussen eiseres en de kleinkinderen sprake is van hechte persoonlijke banden. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt echter in het nadeel van eiseres en referent uit.</title>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Familieleven </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties <?linebreak?></title>
    <para>5.	Aan de orde is allereerst de vraag of tussen eiseres en referent sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘further elements of dependency, involving more than normal emotional ties’). Volgens het EHRM<footnote-ref linkend="_83873ce2-48db-4278-9013-6feb7b12da1e" /> kan alleen in dat geval worden gesproken van beschermenswaardig familieleven tussen ouders en meerderjarig kinderen.<footnote-ref linkend="_aff525a2-32ad-4074-9c66-a46543eb1919" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden<footnote-ref linkend="_5009ded7-481b-4182-b0f3-c17d475b2486" />.  Daarbij moet sprake zijn van ‘<emphasis role="italic">bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen’</emphasis><footnote-ref linkend="_0a9a9762-a81c-4ca5-ad13-7b368534fde6" />. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat het moet gaan om een <emphasis role="italic">afhankelijkheid </emphasis>die het gebruikelijke overstijgt, maar dat het draait om de vraag of de <emphasis role="italic">emotionele banden</emphasis> de gangbare banden overstijgen. De rechtbank verwijst hierbij naar de rechtspraak van het EHRM en noemt als voorbeeld het arrest in de zaak K. tegen Zweden.<footnote-ref linkend="_e937b270-bb85-452e-b2aa-aa552539b189" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De vraag of sprake is van emotionele banden die sterker zijn dan gebruikelijk, kan worden beantwoord met behulp van de ‘<emphasis role="italic">elements of dependency’</emphasis>. Dat blijkt ook uit het arrest Van de Vin e.a. tegen Nederland<footnote-ref linkend="_6648eea4-9646-4402-93ea-4833050af98d" /> en is bevestigd in het arrest Esen tegen Nederland.<footnote-ref linkend="_f3552721-5da7-4434-bb39-e550d39c254c" /> Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond<footnote-ref linkend="_efc7b53b-c54b-4dc0-b12b-f6ca396f5970" />, de mate van financiële afhankelijkheid<footnote-ref linkend="_ea7bcc60-ef11-435a-9c58-6eebe73e8e50" />, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden<footnote-ref linkend="_acafcbc6-a545-4002-bb42-7ff266e90466" />, de banden met het land van herkomst<footnote-ref linkend="_6d2efc9b-4bfc-4610-a8b0-e6359e8389ba" /> en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin<footnote-ref linkend="_b5a51f50-7a69-4bb9-914b-4f3e47e6a596" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Het begrip ‘familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM’ is dus dynamisch en moet worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden. Dit sluit aan bij de benadering van het EHRM dat de vaststelling van familie- of gezinsleven een feitelijke kwestie is die afhangt van het bestaan van hechte persoonlijke banden.<footnote-ref linkend="_7900ee0d-7b84-4210-8e3c-53e20669642b" />Dit betekent dat de minister in het besluit moet beoordelen of er familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is naar de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het nemen van het besluit.<footnote-ref linkend="_f8b61f62-db83-4492-a09f-8cf8d48830d5" />De minister mag bij die beoordeling ook feiten en omstandigheden betrekken die zich vóór dit peilmoment hebben voorgedaan. Dat er in het verleden een bepaalde periode geen of minder elementen van afhankelijkheid zijn geweest, kan weliswaar meewegen maar dit mag niet zonder meer doorslaggevend zijn in de beoordeling van emotionele banden die het gangbare overstijgen. De minister moet op het moment van het nemen van een besluit alle feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling betrekken die relevant zijn voor de beoordeling van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat de minister ook elementen van afhankelijkheid zal moeten betrekken die nadien zijn ontstaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen, toetst de rechtbank – anders dan de Afdeling<footnote-ref linkend="_8b9e8d2b-1f67-4e45-b6b1-2c6fb189493a" /> – vol. De rechtbank verwijst daarvoor onder meer naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2025<footnote-ref linkend="_52bcfe58-17f1-4b25-a756-3d23e0f97f31" />, 23 juli 2025<footnote-ref linkend="_e91b74bc-27a5-4a0c-b24c-d5d4091b4f2a" />, waarin dit oordeel uitvoerig is gemotiveerd. Deze argumenten zijn niet aan bod gekomen in voornoemde uitspraken van de Afdeling.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Relevante elementen in de beoordeling van de vraag of sprake is bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.	Vol toetsend is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat tussen eiseres en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De rechtbank motiveert dit oordeel hierna per relevant element en daarna in samenhang met elkaar bezien.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Samenwoning</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat eiseres vanaf de geboorte van referent tot zijn vertrek naar Nederland in 2020 (referent was toen 37 jaar) met hem heeft samengewoond. Alleen in de studententijd in Damascus, toen referent op kamers woonde en in de eerste vijf maanden van zijn verblijf in Irak woonden eiseres en referent niet samen. Ook toen referent een eigen gezin stichtte en nadien in 2012 uit Syrië naar Irak vluchtte, en zelfs toen hij met zijn gezin in een Vluchtelingenkamp in [plaats 1] verbleef, verbleef eiseres met hen. De kinderen van referent zijn met eiseres in het gezin opgegroeid. Deze zeer lange periode van samenwoning, ook in de verre volwassen jaren van referent is naar het oordeel van de rechtbank een relevant element van grote betekenis voor de beoordeling of sprake is van emotionele banden tussen eiseres en referent die het gangbare overstijgen. Dit heeft de minister in het bestreden besluit onvoldoende onderkend en betrokken. Dat deze samenwoning ten tijde van het bestreden besluit was onderbroken is onvrijwillig en als gevolg van de vlucht van referent en de lange duur van deze mvv-procedure door toedoen van de minister. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat het cultureel gebruikelijk is dat de oudste zoon zijn achterblijvende ouder in huis neemt, heeft de minister ten onrechte als argument gebruikt om te stellen dat er daarom geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister dient een beoordeling te maken van alle feiten en omstandigheden van het geval die relevant zijn voor een standpunt over de vraag of tussen een vreemdeling en een referent ten opzichte van elkaar sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dit vereist een individuele beoordeling van hun banden, gelet op de omstandigheden van het geval.<footnote-ref linkend="_398661df-397b-4001-a483-b54081f98ec7" /> Bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vaak het resultaat van een combinatie aan omstandigheden. Daarbij is overigens niet uitgesloten dat ook cultureel bepaalde omstandigheden in een land van herkomst of Nederland informatie kunnen geven over de band tussen een vreemdeling en een referent. Bij de vaststelling van familie- en gezinsleven tussen meerderjarigen gaat het niet over de status van een gezinslid in een culturele context, maar de feiten waaruit bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen volgen. Zo’n status is voor de beoordeling van bijkomende elementen van afhankelijkheid dus alleen relevant, voor zover betrokkenen toelichten wat die status betekent voor de feitelijke invulling die zij geven aan hun onderlinge band.<footnote-ref linkend="_c8e9e25f-a51e-4d6b-9cf5-1cea49a0d691" /> De minister heeft dit in het bestreden besluit niet kenbaar onderkend en de feitelijke invulling die eiseres en referent aan hun onderlinge band geven onvoldoende betrokken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Financiële afhankelijkheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Niet in geschil is en door de minister is ook aangenomen dat eiseres tot 2020 met referent samenwoonde en ook deel uitmaakte van zijn gezin. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij zich op het standpunt heeft gesteld dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij en zijn echtgenote eiseres in die periode financieel onderhielden. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van referent en zijn echtgenote dat zij in die periode voor kosten en inwoning van eiseres zorgden. Wel heeft de minister terecht betrokken dat referent aan eiseres ten tijde van het bestreden besluit geen financiële steun gaf. Dat eiseres geen bron van inkomsten heeft en nog steeds financieel afhankelijk is van derden is echter een gegeven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Emotionele afhankelijkheid en wederzijdse zorg</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Dat eiseres en referent een sterke band hebben neemt de minister aan. Anders dan de minister neemt de rechtbank eveneens aan dat tussen eiseres en referent een emotionele afhankelijkheid bestaat. Dit is gegeven door het overlijden van de vader van referent, de lange duur van samenwoning in Syrië, en nadien in Irak waar het gezin samen naartoe was gevlucht vanwege de oorlog. Dit blijkt ook uit het feit dat eiseres steeds onderdeel is blijven uitmaken van het gezin van referent, ook na gezinsstichting van referent. Eiseres zorgde voor de kleinkinderen als referent en zijn echtgenote aan het werk waren en referent en zijn echtgenote voor de kost en inwoning van eiseres. Ook na het vertrek van referent is eiseres (emotioneel) verbonden gebleven aan referent en zijn gezin. Eiseres en referent hebben dagelijks contact en delen veel met elkaar. Referent heeft verklaard dat als hij met (relatie)problemen loopt, hij eiseres om advies vraagt. Andersom bekommert referent zich dagelijks om eiseres en dat zij tijdig haar medicijnen inneemt. Dat de emotionele banden tussen eiser en referent het gebruikelijke niet overstijgen, zoals de minister in het bestreden besluit stelt, volgt de rechtbank dus niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gezondheid van eiseres</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Eiseres heeft in bezwaar drie kopieën van medische verklaringen overgelegd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de verklaring van de specialist neurochirurgie en microchirurgie van 15 juni 2022 staat:</para>
        <para>De patiënte lijdt aan arteriële hypertensie, diabetes en ze heeft last van rechter lumbale radiculaire pijn die onder behandeling is. Dit komt overeen met een hernia van de lumbale pulpale kern. Ze kan niet werken of lang staan en heeft hulp nodig. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de verklaring van de internist en cardioloog van 15 juni 2022 staat dat eiseres diabetes heeft met vasculaire en neurologische complicaties: sensorische neuropathie. Ze heeft ook last van arteriële hypertensie met voorbijgaande cerebrale ischemie. Verder heeft ze een ischemische hartziekte en instabiele angina.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de verklaring van de specialist inwendige en neurologische ziekten van 29 mei 2022 staat dat eiseres al ongeveer drie jaar aan dementie lijdt en dat zij tot heden onder behandeling is geweest met medicijn Donezil 5 milligram. Ze heeft constante begeleiding nodig om de behandeling op te volgen en zelfbeschadiging te voorkomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>6.4.1.</nr>
        <para>Dat aan deze verklaringen een beperkte waarde toekomt omdat het kopieën zijn, zoals de minister in het bestreden besluit stelt, volgt de rechtbank niet. Deze verklaringen zijn afkomstig van behandelaars en de inhoud ervan is daarmee verifieerbaar. Dat deze stukken uit 2022 dateren is niet aan eiseres te wijten, maar aan de duur van de procedure, zoals ook tijdens de hoorzitting is onderkend. Dat uit deze stukken niet blijkt dat eiseres afhankelijk is van zorg of hulp, zoals de minister in het bestreden besluit stelt, volgt de rechtbank niet. Uit met name de verklaring van de specialist inwendige en neurologische ziekten van 29 mei 2022 blijkt dat eiseres constante begeleiding nodig heeft. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat de lat van de zorgbehoefte ‘<emphasis role="italic">in need of constant care’ </emphasis>is.<footnote-ref linkend="_3f39e504-04e7-4803-8cfa-dead5efde290" /> In geval van eiseres is daaraan voldaan. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.4.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Referent en zijn echtgenote hebben in het verleden altijd voor eiseres gezorgd. Zij hebben ook verklaard dat de situatie van eiseres is verergerd. Tijdens de hoorzitting heeft referent verklaard dat er drie recente medische rapporten over de psychische klachten, de dementie en hoge bloeddruk van eiseres vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] en vanuit daar naar Nederland zijn gestuurd via DHL, maar dat de post kwijt is geraakt. Dat eiseres haar verslechterde gezondheidssituatie niet heeft kunnen onderbouwen, is overmacht. </para>
          <para>Ter zitting heeft referent toegelicht dat eiseres onlangs een niersteen heeft gehad. Haar bloeddruk is van 135 naar 180 gegaan. Eiseres slikt medicijnen voor diabetes en hoge bloeddruk. De nieuwe buurman is een apotheker. Hij houdt het in de gaten dat ze haar medicijnen inneemt. Dit is echter een tijdelijke maatregel. Onduidelijk is hoelang hij dit kan blijven doen. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.4.3.</nr>
        <para>Al het voorgaande tekent naar het oordeel van de rechtbank de intensiteit van de zorgbehoefte van eiseres. De minister heeft dit element onvoldoende gemotiveerd betrokken. Anders dan de minister in het bestreden besluit ervan uitgaat, is voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet vereist dat eiseres exclusief afhankelijk is van referent en zonder referent niet zelfstandig kan functioneren.<footnote-ref linkend="_06d2c9dc-270a-43cc-a493-5059c442f0fa" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.4.4.</nr>
        <para>Het standpunt van de minister dat de zorg voor eiseres ook geleverd kan worden door andere familieleden dan wel derden, volgt de rechtbank niet zonder meer. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat het geen reële mogelijkheid is dat de zorg voor eiseres verdeeld wordt tussen de vier zussen. Drie zussen verblijven in Europa en de enige zus die in Syrië verblijft mag van haar echtgenoot niet voor eiseres zorgen. Verder zijn er geen andere familieleden die de zorg kunnen dragen. Dat de buurman nu een oog op eiseres houdt is een tijdelijke oplossing. Ook heeft eiseres gewezen op het feit dat het in Syrië onveilig is wegens oorlog en zij onvoldoende toegang heeft tot medische voorzieningen. Ook deze feiten en omstandigheden had de minister dienen te betrekken bij de beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Banden met het land van herkomst</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de banden van eiseres met Syrië, gelet op haar hoge leeftijd, het overlijden van haar man, het vertrek van vijf van haar zes kinderen en kleinkinderen, haar medische toestand en het gebrek aan een (sociaal)netwerk, zijn afgenomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en wegend, leiden naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat sprake is bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen en dat tussen referent en eiseres sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Belangenafweging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7.	In het bestreden besluit is na de conclusie dat geen sprake is van familieleven een belangenafweging gemaakt.<footnote-ref linkend="_1a8db9c8-e50d-464e-926f-4c73463ebbca" /> In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat gelet op de nieuwe lijn in de rechtspraak, een belangenafweging niet langer nodig is als er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Omdat het standpunt van de minister dat er geen familieleven is tussen eiseres en referent de volle toets niet kan doorstaan en de minister een nieuw besluit zal moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, zal er ook een (nieuwe) belangenafweging moeten worden gemaakt. Bij die nieuwe belangenafweging dient de minister in het voordeel van eiseres te betrekken dat er tussen eiseres en referent familieleven is in de zin van artikel 8 van het EVRM.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Belangen van de kleinkinderen in het bijzonder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>In de nieuwe belangenafweging dient de minister in het bijzonder te betrekken dat tussen eiseres en de kleinkinderen sprake is van hechte banden en dat zij er een groot belang bij hebben dat het familieleven met eiseres wordt hersteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>De minister heeft in het bestreden besluit weliswaar aangenomen dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiseres en haar kleinkinderen, maar heeft in de belangenafweging betrokken dat de kinderen sinds 11 juni 2022 in Nederland gescheiden van eiseres leven en dat niet gebleken is dat dit de ontwikkeling van de kleinkinderen of hun functioneren negatief heeft beïnvloed. De minister gaat ervan uit dat het contact op afstand kan worden voortgezet of door bezoek aan eiseres. In het verweerschrift heeft de minister onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024<footnote-ref linkend="_7a6cf3e7-5a0f-4cfa-bf77-fd6b1b7e7862" /> het standpunt ingenomen dat de relatie tussen grootouders en kleinkinderen in het algemeen minder vergaande bescherming geniet dan die tussen ouders en minderjarige kinderen.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>Eiseres voert terecht aan dat de minister de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 en de daarin verwerkte rechtspraak van het EHRM onjuist leest. Anders dan in die uitspraak van de Afdeling is in de zaak van eiseres wel familieleven tussen eiseres en de kleinkinderen aangenomen. Dan dient de minister een fair balance te maken van alle relevante feiten en omstandigheden van de familie. Eiseres heeft in dat kader ook terecht aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, doordat de belangen van de kleinkinderen van eiseres niet kenbaar in kaart zijn gebracht. Uit artikel 3 van het IVRK<footnote-ref linkend="_9861b0f1-1382-42f8-aefd-6e6335eb7a9d" /> volgt de verplichting voor de minister dat hij zich bij een besluit waar kinderen betrokken zijn actief rekenschap geeft van hun concrete belangen. De minister kon er, zonder ernaar te vragen en actief te onderzoeken, niet van uit gaan dat gescheiden zijn van eiseres de ontwikkeling van de kleinkinderen of hun functioneren niet negatief beïnvloedt. De minister had de kleinkinderen of referent en echtgenote moeten horen over wat voor weerslag het op de kleinkinderen heeft om zonder eiseres te leven. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4.</nr>
      <para>Ter zitting heeft referent hierover uitvoerig verklaard. Hij heeft verklaard dat [naam 2] in de pubertijd zit en door de lange duur van de procedure wantrouwig is geworden naar de IND<footnote-ref linkend="_d23f0646-1ec4-4c56-8b56-5a39a8f82bcf" />. Daarom heeft hij afgezien van de gelegenheid om op een kindzitting door de rechtbank te worden gehoord. Referent en zijn echtgenote wilden hem niet onder druk zetten. Hij vraagt wel steeds wanneer oma komt. Volgens hem maakt zij lekkerder eten dan zijn moeder. Hij mist haar en alles wat ze samendeden. Achterlating van eiseres was voor [naam 3] heel moeilijk. Ze is veel afgevallen en wordt nu anderhalf jaar medisch onderzocht. Ze heeft een schilklierziekte ontwikkeld die gelinkt wordt aan stress. Om haar niet extra te belasten is van de gelegenheid te worden gehoord op een kindzitting afgezien. Referent maakt zich wel zorgen over haar gezondheid. Ze heeft een groeiachterstand ten opzichte van haar leeftijdgenoten. Referent verwacht dat hereniging met eiseres haar gezondheid en gemoedstoestand ten goede zal komen. [naam 3] en [naam 2] hebben hun hele leven met eiseres samengeleefd en missen haar ontzettend. De minister dient deze verklaringen alsnog te betrekken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Andere nog te betrekken feiten en omstandigheden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van het economische belang dient de minister te betrekken dat referent en echtgenote bezig zijn met het afronden van de Nederlandse taalopleiding en dat zij stellen dat zij gelet op de genoten universitaire opleiding kans maken op een baan en eigen inkomsten, dat eiseres zal worden opgenomen in het huis van referent en onder zijn zorg zal vallen. Ook dient de minister te betrekken dat er sprake is van objectieve belemmeringen om het familieleven elders uit te oefenen, de slechte leefomstandigheden in Syrië, de hoge leeftijd van eiseres, haar medische situatie en het gebrek aan een vangnet in Syrië.  </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb<footnote-ref linkend="_dba90e2b-86fc-4c0b-9361-4664580fdf4a" />. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat de minister opnieuw een belangenafweging dient te maken, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank geeft de minister mee om in het belang van de minderjarigen binnen deze termijn een nieuw besluit te nemen. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen verdere bespreking.</para>
    <para />
    <para>9. Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan haar te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt                       € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond; </para>
    <para>- vernietigt het besluit van 5 juni 2024;</para>
    <para>- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Informatie over hoger beroep</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_49b3f4de-4300-4d42-8b1b-8b19f2b630ba" label="1">
    <para> Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0fdab106-98ac-46e3-98ed-e57c4545614a" label="2">
    <para> Machtiging tot voorlopig verblijf.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c5e22af-ae9f-47c0-bf7d-a584cd393ae9" label="3">
    <para> Het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_83873ce2-48db-4278-9013-6feb7b12da1e" label="4">
    <para> Europees Hof voor de Rechten van de Mens.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aff525a2-32ad-4074-9c66-a46543eb1919" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/06.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5009ded7-481b-4182-b0f3-c17d475b2486" label="6">
    <para> Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0a9a9762-a81c-4ca5-ad13-7b368534fde6" label="7">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e937b270-bb85-452e-b2aa-aa552539b189" label="8">
    <para>Arrest van het EHRM van 10 september 1992 in de zaak K tegen Zweden, 20470/92.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6648eea4-9646-4402-93ea-4833050af98d" label="9">
    <para> Arrest van het EHRM van 8 april 1992, 13628/88.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f3552721-5da7-4434-bb39-e550d39c254c" label="10">
    <para> Arrest van het EHRM van 21 oktober 1998, 37312/97.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_efc7b53b-c54b-4dc0-b12b-f6ca396f5970" label="11">
    <para> Arrest van 19 november 2014, Senchishak tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea7bcc60-ef11-435a-9c58-6eebe73e8e50" label="12">
    <para> Arrest van 19 november 2014, Senchishak tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_acafcbc6-a545-4002-bb42-7ff266e90466" label="13">
    <para> Arrest van 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, app.no. 23218/94.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6d2efc9b-4bfc-4610-a8b0-e6359e8389ba" label="14">
    <para> Beslissing van 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, app.no. 25777/94.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b5a51f50-7a69-4bb9-914b-4f3e47e6a596" label="15">
    <para> Arrest van 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, app.no. 31519/96.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7900ee0d-7b84-4210-8e3c-53e20669642b" label="16">
    <para> Zie bijvoorbeeld de arresten van het EHRM van 13 december 2007, Emonet en anderen tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2007:1213JUD003905103, paragraaf 37, en 12 september 2012, Nada tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2012:0912JUD001059308, paragraaf 182.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8b61f62-db83-4492-a09f-8cf8d48830d5" label="17">
    <para> Vergelijk het arrest van het EHRM van 31 januari 2006, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, paragraaf 41. Zie ook paragraaf 45 van het eerdergenoemde arrest van het EHRM van 10 december 2024 in de zaak Martinez Alvarado tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b9e8d2b-1f67-4e45-b6b1-2c6fb189493a" label="18">
    <para> Zie hiervoor de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, en de recente uitspraak van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_52bcfe58-17f1-4b25-a756-3d23e0f97f31" label="19">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:9087.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e91b74bc-27a5-4a0c-b24c-d5d4091b4f2a" label="20">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2025:5387.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_398661df-397b-4001-a483-b54081f98ec7" label="21">
    <para>Zie het eerdergenoemde arrest Martinez Alvarado, paragrafen 38 en 44.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c8e9e25f-a51e-4d6b-9cf5-1cea49a0d691" label="22">
    <para>Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5072, onder 3.3 en nadien herhaald in de uitspraak van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f39e504-04e7-4803-8cfa-dead5efde290" label="23">
    <para> Zie paragraaf 38 van het arrest van het EHRM van 19 november 2024 in de zaak Kumari tegen Nederland, 4405/20. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_06d2c9dc-270a-43cc-a493-5059c442f0fa" label="24">
    <para> Zie het eerdergenoemde arrest Martinez Alvarado, paragraaf 49, en de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1189, onder 4 en 4.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a8db9c8-e50d-464e-926f-4c73463ebbca" label="25">
    <para> Dat is in overeenstemming met de toen heersende lijn in de rechtspraak dat ook nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, er toch een belangenafweging moet worden gemaakt. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7a6cf3e7-5a0f-4cfa-bf77-fd6b1b7e7862" label="26">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:1188, rechtsoverweging 3.1. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9861b0f1-1382-42f8-aefd-6e6335eb7a9d" label="27">
    <para> Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d23f0646-1ec4-4c56-8b56-5a39a8f82bcf" label="28">
    <para> Immigratie- en Naturalisatiedienst. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dba90e2b-86fc-4c0b-9361-4664580fdf4a" label="29">
    <para> Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>