<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:27673</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-12T12:27:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.5771</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27673">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27673</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-02T09:35:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:27673 Rechtbank Den Haag , 22-12-2025 / NL25.5771</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27673:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag voor een mvv nareis. De minister heeft zich niet op het standpunt mogen stellen dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en het gezin van referent als verbroken moet worden geacht en eiser om die reden niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27673:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: NL25.5771 E</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [V-nummer]
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , </bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedag] 2000, van Syrische nationaliteit, eiser</para>
      <para>(gemachtigde: mr. F. Zeven),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_4e1f6003-d28b-44a5-a3d4-52235e323f37" />,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.W. Immink).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van 18 oktober 2022 om verlening van een mvv<footnote-ref linkend="_a9569c51-58ba-4072-be63-70bb4e4018c3" /> nareis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met het besluit van 10 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen. Met het besluit van 21 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft aanvullende stukken overgelegd. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de vader van eiser [referent] (referent), de gemachtigde van eiser en getuige [persoon] . Ook is verschenen A. Abdulla, tolk in de taal Arabisch. Verder waren ter zitting aanwezig de echtgenote van referent, de dochter van referent en een familievriend. Ook is de gemachtigde van de minister verschenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>In een tussenuitspraak van 11 december 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Verweerder heeft de rechtbank laten weten hiervan geen gebruik te maken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.<footnote-ref linkend="_3cd78e45-dd99-4bc7-bfed-79c530b6337f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geconcludeerd dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en het gezin van referent als verbroken moet worden geacht en eiser om die reden niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Daarom heeft de rechtbank geconcludeerd dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel genomen is. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om deze gebreken binnen zes weken te herstellen. De rechtbank heeft aangegeven dat verweerder hierbij de overwegingen van de rechtbank van de tussenuitspraak en de stukken die eiser in beroep heeft ingebracht moet betrekken. Verweerder heeft aangegeven geen gebruik te maken van deze herstelmogelijkheid.</para>
    <para />
    <para>3. De betekent dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet zijn hersteld. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien en de rechtbank zal dan ook opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak en de onderhavige einduitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank ziet aanleiding om een dwangsom op te leggen gezien de lange duur van de procedure. De aanvraag van eiser dateert namelijk van 18 oktober 2022. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.</para>
    <para />
    <para>5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <para>- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; </para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht van € 194,- vergoedt;</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">- </emphasis>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. H. Belhadi, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_4e1f6003-d28b-44a5-a3d4-52235e323f37" label="1">
    <para> Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a9569c51-58ba-4072-be63-70bb4e4018c3" label="2">
    <para> Machtiging tot voorlopig verblijf.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3cd78e45-dd99-4bc7-bfed-79c530b6337f" label="3">
    <para> Op grond van artikel 8:57, tweede lid aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>