<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:27592</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-06T12:38:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.8488</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27592">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27592</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-02T16:56:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:27592 Rechtbank Den Haag , 18-11-2025 / NL24.8488</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27592:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Derdelander Oekraïne; terugkeerbesluit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27592:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL24.8488</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.E. Muller),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. F. Mahler). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 7 februari 2024 en het beroep tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 11 augustus 2025. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft met het besluit van 7 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd. Gelijktijdig met het beroep van eiser daartegen heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dit verzoek is reeds toegewezen.<footnote-ref linkend="_4ff7d557-de2a-4a46-9fbe-9ab6993a4443" /> Op 11 augustus 2025 heeft verweerder dat terugkeerbesluit ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 uit Nederland moet vertrekken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.	</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming<footnote-ref linkend="_7c3367b2-9574-4069-823f-f43d01b32d1f" /> (hierna: RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit<footnote-ref linkend="_db3c8ee8-cec2-4d11-be84-29aaab7721ef" />. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL24.8488. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op 11 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens verweerder prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. Verweerder heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken<footnote-ref linkend="_35a40555-cd72-4153-9f38-15cedb52fab0" /> en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het bestreden besluit van 11 augustus 2025. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Eiser wijst erop dat na afloop van de tijdelijke bescherming het verblijf van een vreemdeling niet automatisch illegaal wordt, omdat sommige personen een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en op grond van die aanvraag dus rechtmatig verblijf hebben. Een vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, mag namelijk gedurende deze periode in een lidstaat blijven en dit eindigt pas wanneer het verzoek wordt afgewezen. Eiser stelt echter dat zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Hij erkent dat een asielaanvraag buiten behandeling kan worden gesteld als een vreemdeling nalaat te reageren op verzoeken om informatie te verstrekken over elementen ter staving van de asielaanvraag. Eiser stelt dat in de brieven die door verweerder zijn gestuurd weliswaar deze vraag wordt gesteld, maar daarbij tevens is aangegeven dat het niet noodzakelijk was deze vraag te beantwoorden. Eiser concludeert dat hij op dit moment rechtmatig verblijft op grond van de toegewezen voorlopige voorziening en bevriezingsmaatregel, ofwel dat eiser niet als illegaal verblijvend kan worden aangemerkt. Daarbij stelt eiser dat het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 prematuur is genomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ontvankelijkheid </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb inhoudelijk beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Nu verweerder het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 15. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Opleggen terugkeerbesluit 11 augustus 2025</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 terecht heeft opgelegd. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.</para>
      <para />
      <para>7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij niet illegaal verblijft omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend, die ten onrechte buiten behandeling is gesteld. De rechtbank overweegt weliswaar dat in het arrest Kaduna en Abkez is geoordeeld dat het verblijf van personen die facultatieve tijdelijke bescherming genieten, niet automatisch illegaal wordt vanaf de datum waarop deze bescherming wordt beëindigd. Zo kunnen sommige personen die bijvoorbeeld een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend uit hoofde daarvan recht hebben om op het grondgebied van de betrokken lidstaat te blijven.<footnote-ref linkend="_5ca50e1b-6a1b-4d9c-9b41-417f741d0a9f" /> Eiser verwijst terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025<footnote-ref linkend="_274663c8-94bf-4216-bbf7-d13c93061a7f" />, waarin is geoordeeld dat verweerder asielaanvragen van derdelanders met tijdelijke bescherming niet buiten behandeling mag stellen als zij niet hebben geantwoord op het door haar toegezonden vragenformulier. Het beroep op deze uitspraak kan eiser echter niet baten, omdat hij geen beroep ingesteld tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag, waardoor het besluit in rechte vaststaat. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat deze uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025 de formele rechtskracht van het besluit tot buiten behandelingstelling niet aantast. Van andere verblijfsrechtelijke procedures die aan het nemen van een terugkeerbesluit in de weg zouden kunnen staan is niet gebleken. Daarmee is in het geval van eiser geen sprake van een situatie waarop het arrest Kaduna en Akbez van toepassing is. Vanaf het moment dat de tijdelijke bescherming van eiser op 4 maart 2024 is geëindigd, heeft hij geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland.</para>
      <para />
      <para>8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen, want het terugkeerbesluit is opgelegd nadat het recht op tijdelijke bescherming is beëindigd. Uit het arrest Kaduna en Abkez<footnote-ref linkend="_b374d280-06ab-4343-ac40-a8b5b923c662" /> volgt – kort samengevat –  dat verweerder de facultatieve bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne vroegtijdig mocht beëindigen. Verweerder heeft per 4 maart 2024 de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser beëindigt. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025<footnote-ref linkend="_0761cc76-4be9-4601-9c9c-04ca77c7d68d" /> geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne op 4 maart 2024 mocht beëindigen.<footnote-ref linkend="_43f449d2-197a-4f42-884f-fec432ac26dc" /> De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 11 augustus 2025 en verweerder om die reden bevoegd en verplicht<footnote-ref linkend="_331c7758-06cc-435b-b742-496d1060ff49" /> was om een terugkeerbesluit op te leggen. Daarbij is het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 nu juist ingetrokken. </para>
      <para />
      <para>9. Dat het eiser daarnaast op basis van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 onrechtmatig is. De bevriezingsmaatregel is geen verlenging van de tijdelijke bescherming en houdt enkel in dat eiser nog tijdelijk gebruik mag maken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had.</para>
      <para />
      <para>10. Eisers standpunt dat verweerder geen terugkeerbesluit aan eiser kan opleggen omdat eiser materieel rechtmatig verblijf heeft vanwege de voorlopige voorziening, slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 4 april 2024 de rechtsgevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit heeft opgeschort en heeft bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op zijn beroep. Eiser mag de verblijfsrechtelijke procedure weliswaar op het grondgebied afwachten, maar dit laat onverlet dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland. Hoogstens wordt de werking van het terugkeerbesluit opgeschort voor de duur van de getroffen voorlopige voorziening. Nu de tijdelijke bescherming is geëindigd was verweerder bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. </para>
      <para />
      <para>11. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat verweerder bij het opleggen van een terugkeerbesluit naar behoren rekening moet houden met onder meer het privéleven van de betrokken vreemdeling.<footnote-ref linkend="_c72dd868-6ed2-4c1a-95e8-82dd161c4e05" /> Uit die rechtspraak volgt verder dat verweerder, wanneer hij voornemens is een terugkeerbesluit uit te vaardigen, de vreemdeling de gelegenheid moet bieden alle relevante informatie naar voren te brengen die kan rechtvaardigen dat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. In dit geval heeft verweerder eiser de gelegenheid gegeven om in zijn zienswijze dergelijke omstandigheden naar voren te brengen. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij een partner heeft die ook hier verblijft en afkomstig is uit Oekraïne en dat hij hier werkt, maar heeft dit geenszins onderbouwd. Mede in aanmerking genomen dat het hier gaat om een terugkeerbesluit na het van rechtswege beëindigen van tijdelijke bescherming, vormen deze niet onderbouwde omstandigheden geen grond voor het oordeel dat van een terugkeerbesluit had moeten worden afgezien. </para>
      <para />
      <para>12. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Marokko. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>13. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>14. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 11 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 terecht heeft opgelegd.</para>
    <para />
    <para>15. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 11 augustus 2025 ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. L.W.H. Schippers, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_4ff7d557-de2a-4a46-9fbe-9ab6993a4443" label="1">
    <para> NL24.8489.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7c3367b2-9574-4069-823f-f43d01b32d1f" label="2">
    <para>Richtlĳn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen  van tĳdelĳke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_db3c8ee8-cec2-4d11-be84-29aaab7721ef" label="3">
    <para> Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_35a40555-cd72-4153-9f38-15cedb52fab0" label="4">
    <para> Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5ca50e1b-6a1b-4d9c-9b41-417f741d0a9f" label="5">
    <para> Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez), r.o. 154. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_274663c8-94bf-4216-bbf7-d13c93061a7f" label="6">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1999.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b374d280-06ab-4343-ac40-a8b5b923c662" label="7">
    <para> Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0761cc76-4be9-4601-9c9c-04ca77c7d68d" label="8">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_43f449d2-197a-4f42-884f-fec432ac26dc" label="9">
    <para> Uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_331c7758-06cc-435b-b742-496d1060ff49" label="10">
    <para> Op basis van artikel 6, eerste lid, van de terugkeerrichtlijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c72dd868-6ed2-4c1a-95e8-82dd161c4e05" label="11">
    <para> Uitspraak van het Hof van 8 mei 2018, EU:C:2018:308 (K.A. e.a.) punt 102, in samenhang met de uitspraak van het Hof van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913 (X) punt 92. </para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>