<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:27147</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-05T10:02:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.9125 (beroep) en NL25.9127 (voorlopige voorziening)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27147">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27147</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-05T10:02:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:27147 Rechtbank Den Haag , 29-07-2025 / NL25.9125 (beroep) en NL25.9127 (voorlopige voorziening)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27147:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rechtmatig verblijf op grond van het Unirecht. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27147:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL25.9125 (beroep) en NL25.9127 (voorlopige voorziening)</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">
        [eiser]
      </emphasis>, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</para>
    <para>(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>de Minister van Asiel en Migratie, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A. de Graaf).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen verweerders vaststelling dat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland op grond van het Unierecht en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft met het eerste besluit 26 november 2024 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Met het bestreden besluit van 17 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het eerste besluit gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank houdt in deze zaken geen zitting. Eiser en verweerder hebben, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, verklaard geen gebruik te willen maken van dit recht.<footnote-ref linkend="_54311345-fa47-441e-8eb9-ad55cfbcf242" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Poolse nationaliteit. Volgens verweerder leidt eiser een zwervend bestaan en is hij meerdere keren in aanraking gekomen met de politie. De politie is eraan gaan twijfelen of eiser voldoende middelen heeft om van te leven en heeft onderzocht of hij aan de voorwaarden voldoet voor rechtmatig verblijf. Verweerder heeft eiser de mogelijkheid geboden om gehoord te worden over zijn verblijf in Nederland, maar eiser is niet komen opdagen. Op grond van de resultaten uit het onderzoek van de politie heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser verblijft langer dan drie maanden in Nederland, is werkloos, niet werkzoekend, studeert niet, verricht geen vrijwilligerswerk en ook is niet op andere wijze gebleken dat eiser voldoende middelen van bestaan heeft. Verweerder heeft daarom aan eiseres een verwijderingsmaatregel opgelegd. Verweerder heeft het belang van eiser om in Nederland te mogen verblijven, afgewogen tegen het belang van de Staat en heeft die belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. De verwijderingsmaatregel is in strijd met werkinstructie 2023/3,<footnote-ref linkend="_0f7e1c64-1931-4d95-adb8-a0ca6ecfc4d1" /> nu verweerder niet specificeert op welke manier eiser – voornamelijk als zijnde dakloze Unieburger – zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen om daarna weer rechtmatig in Nederland te kunnen verblijven. Eiser verwijst daarbij ook naar een uitspraak van deze rechtbank<footnote-ref linkend="_3d4d197e-4a65-4c23-893c-cdb5f1be834f" /> en stelt dat de werkinstructie niet van toepassing is op dakloze Unie-burgers en vindt dat deze groep geen bestaan buiten Nederland hoeft op te bouwen na verwijdering om daarna weer rechtmatig verblijf in Nederland te kunnen krijgen. Dat het toetsmoment of de Unie-burger een nieuwe vrije termijn heeft pas kan worden beoordeeld op het moment dat deze weer terugkeert, is onjuist en in strijd met de Verblijfsrichtlijn. Dergelijke Unieburgers wordt zonder duidelijke informatie verwijderd en voor hen is niet duidelijk wanneer zij mogen terugkeren. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank beoordeelt of verweerder mocht vaststellen dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland en mag worden verwijderd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser voldoende heeft geïnformeerd over de wijze waarop eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen. Uit artikel 30, eerste lid, samen met artikel 15, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn volgt dat een verwijderingsmaatregel op zodanige wijze schriftelijk ter kennis moet worden gebracht dat de betrokkene in staat is om de inhoud en de gevolgen hiervan te begrijpen. Verweerder heeft in WI 2023/3 uiteengezet welke elementen van belang zijn bij het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf. Dit zijn dezelfde elementen die in het arrest FS<footnote-ref linkend="_803db54a-34ad-4b98-8b12-b8f367c1c418" /> van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn opgenomen, namelijk: de duur van de afwezigheid, een verzoek om schrapping uit het bevolkingsregister, de beëindiging van een huurovereenkomst, uitschrijving bij een dienst om arbeidsbemiddeling of de beëindiging van andere relaties die een zekere integratie van de Unieburger in Nederland veronderstellen. De rechtbank begrijpt dat voor dakloze personen zoals eiser veel van deze omstandigheden niet van toepassing zijn. In deze gevallen moet dan ook meer gewicht toekomen aan de duur van de afwezigheid. Een zeer korte afwezigheid van enkele dagen of enkele uren is hierbij in elk geval niet voldoende.<footnote-ref linkend="_4ef3cc6f-58a6-4ff0-9e19-a992662f55a9" /> Hieruit volgt dus, anders dan eiser stelt, niet dat de WI 2023/3 niet voor dakloze Unieburgers zoals hij van toepassing zou zijn. Uit het arrest FS volgt ook dat rekening moet worden gehouden met aanwijzingen dat de Unieburger tijdens de periode van afwezigheid het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk voor verweerder om de elementen die in het arrest FS genoemd zijn nader te specificeren bij het opleggen van de verwijderingsmaatregel. Een eventueel nieuw verblijf van eiser in Nederland is namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis. Eiser heeft immers Nederland nog niet verlaten en de toets of zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd vindt pas plaats wanneer hij eerst Nederland zou verlaten en vervolgens terug zou keren en hier opnieuw wenst te verblijven. Deze toets is casus gebonden en hangt af van de omstandigheden op dat moment.<footnote-ref linkend="_dd2342fa-35f4-45eb-8751-f889fd6ba478" /> Dat verweerder hiermee in strijd handelt met de Verblijfsrichtlijn volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, dan ook niet. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>7. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder mocht vinden dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft en Nederland moet verlaten. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van verweerder in stand blijft. </para>
    <para />
    <para>8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_0d0d86b7-e66a-499a-b335-139995c57f5b" />, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
      <para />
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep</para>
      <para>of verzet open.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_54311345-fa47-441e-8eb9-ad55cfbcf242" label="1">
    <para> Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f7e1c64-1931-4d95-adb8-a0ca6ecfc4d1" label="2">
    <para> WI 2023/3 Het recht van de Europese Unie. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3d4d197e-4a65-4c23-893c-cdb5f1be834f" label="3">
    <para> Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3834. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_803db54a-34ad-4b98-8b12-b8f367c1c418" label="4">
    <para> Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021, C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ef3cc6f-58a6-4ff0-9e19-a992662f55a9" label="5">
    <para> Arrest van het Hof van 22 juni 2021, C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506, rechtsoverweging 90. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd2342fa-35f4-45eb-8751-f889fd6ba478" label="6">
    <para> Zie ook uitspraken van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3834 en 14 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3839. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d0d86b7-e66a-499a-b335-139995c57f5b" label="7">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>