<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:26981</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-30T10:56:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.19459</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26981">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26981</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-30T10:56:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:26981 Rechtbank Den Haag , 21-05-2025 / NL25.19459</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:26981:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. artikel 6, derde lid Vw. Gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:26981:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.19459</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. P.M. Langereis),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Weststrate).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop<?linebreak?></title>
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 april 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van <?linebreak?>artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.<?linebreak?></para>
      <para>Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij</para>
      <para>heeft hij verzocht om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 8 mei 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als telefonisch tolk was aanwezig mevrouw H.M. Sharif. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen<?linebreak?></title>
    <para>1.  	Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de</para>
    <parablock>
      <para>maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij</para>
      <para>betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel</para>
      <para>96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de</para>
      <para>maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>2. Omdat de bewaring op 8 mei 2025 is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in</para>
    <parablock>
      <para>deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit</para>
      <para>verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van</para>
      <para>bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.</para>
      <para>Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is</para>
      <para>opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser</para>
      <para>een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de maatregel van bewaring op 8 mei 2025 zal worden opgeheven en dat later die dag het formulier M113 “opheffing van de maatregel” in het dossier zal worden gevoegd. Door een storing in het systeem was het voor verweerder niet mogelijk om dit formulier eerder op te maken. Verweerder heeft ter zitting schadevergoeding aangeboden vanaf de datum van het opleggen van de maatregel, dus voor de duur van 16 dagen. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de schadevergoeding als verzocht vaststellen op €1.600,- voor de periode van 23 april 2025 tot en met 8 mei 2025. </para>
    <para>8. <?linebreak?>De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.</para>
    <parablock>
      <para>Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de</para>
      <para>door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per</para>
      <para>punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>Beslissing<?linebreak?></title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres</para>
    <parablock>
      <para>tot een bedrag van € 1.600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van</para>
      <para>deze schadevergoeding;</para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.<?linebreak?></para>
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri</para>
      <para>griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>