<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:26894</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T14:38:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.11852 en NL25.11855</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26894">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26894</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T14:37:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:26894 Rechtbank Den Haag , 16-07-2025 / NL25.11852 en NL25.11855</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:26894:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Regulier. Aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, artikel 8 EVRM. Gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:26894:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
    <?linebreak?>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL25.11852 en NL25.11855</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mw. mr. T.Y. Tsang)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft de aanvraag met besluit van 26 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 september 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Bij besluit van 4 oktober 2024 heeft verweerder het bestreden besluit van 20 september 2024 ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder op 17 februari 2025 een nieuw bestreden besluit genomen en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen. <?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Indiase nationaliteit. Hij heeft op 4 april 2024 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een EU verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft de verblijfsvergunning afgewezen, omdat eiser niet langer voldoet aan de beperking waaronder deze is verleend. Eiser voldoet niet aan de voorwaarde dat hij direct voorafgaand aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten.<footnote-ref linkend="_b64a9cf2-5caa-4b5f-9100-c360678fd039" /> Eiser heeft op geen enkele wijze met stukken onderbouwd dat dat de gezinsband (weer) is hersteld. Aangezien het bezwaar als kennelijk ongegrond is afgedaan, heeft verweerder afgezien van het horen in bezwaar. <footnote-ref linkend="_c9e13f08-4d8f-456e-acf3-c7bbd0ec598a" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van verweerder en voert – kort gezegd – het volgende aan. Er is wel degelijk sprake van gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser en zijn echtgenote zijn namelijk ondanks de relatiebreuk nog altijd gehuwd. Verder is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 van het EVRM, zowel in het kader van gezinsleven als in het kader van privéleven. Ook had verweerder eiser hierover moeten horen. Door dit niet te doen heeft verweerder de hoorplicht geschonden. <?linebreak?></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      <?linebreak?>6.	De rechtbank overweegt dat eiser sinds 27 februari 2018 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij zijn partner, mevrouw [naam] . Verweerder heeft deze verblijfsvergunning bij besluit van 21 maart 2024 met ingang van 5 juli 2023 ingetrokken, omdat de gezinsband met mevrouw [naam] is verbroken. Dit besluit staat in rechte vast.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Verweerder stelt zich op goede gronden op het standpunt dat niet is aangetoond dat de gezinsband (weer) is hersteld. Het enkele feit dat eiser en mevrouw [naam] op nog steeds op hetzelfde adres staan ingeschreven en zij op papier nog gehuwd zijn doet hier niet af, temeer nu deze omstandigheden ook reeds bekend waren ten tijde van het intrekkingsbesluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Gelet op het bovenstaande heeft eiser nog geen vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland gehad en voldoet hij daarmee niet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 45b van de Vw. Deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 8 van het EVRM</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7. Voor zover eiser zich beroept op artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat dit beroep slaagt. De hoogste bestuursrechter heeft op 20 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:187, kort samengevat, geoordeeld dat (zelfs bij een impliciet) beroep op artikel 8 van het EVRM verweerder gehouden is aan dat artikel te toetsen of deugdelijk te motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om ambtshalve op grond van artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb een verblijfsvergunning te verlenen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Eiser heeft in bezwaar een expliciet beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM door te stellen dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM en  verweerder een ambtshalve toets in dit kader moet verrichten. In het bestreden besluit heeft verweerder weliswaar gesteld dat niet is aangetoond dat er (weer) sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, maar heeft nagelaten inhoudelijk in te gaan op het door eiser gedane beroep op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij, ondanks de hem toekomende bevoegdheid in artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb, in de nu voorliggende zaak geen afweging heeft gemaakt om ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen. Dit betekent dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zal om die reden het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. De overige gronden behoeven, gelet hierop, geen bespreking. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>8. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 7, 7.1. en 7.2. is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. </para>
    <para />
    <para>9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.<footnote-ref linkend="_0ea8f92f-0b76-47e6-a788-525ccc7d3971" /></para>
    <para />
    <para>10. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de beroepsprocedure vastgesteld op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para>11. Voorts draagt de rechtbank verweerder op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <para>- draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C.  Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_b64a9cf2-5caa-4b5f-9100-c360678fd039" label="1">
    <para> Zoals is vastgesteld in artikel 45b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c9e13f08-4d8f-456e-acf3-c7bbd0ec598a" label="2">
    <para> Op grond van de artikelen 7:2 en 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0ea8f92f-0b76-47e6-a788-525ccc7d3971" label="3">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>