<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:26852</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T09:15:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/5917</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26852">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26852</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T09:13:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:26852 Rechtbank Den Haag , 23-10-2025 / 25/5917</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:26852:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vovo. Met het primaire besluit heeft verweerder aan verzoeker een EMG opgelegd. Vovo afgewezen vanwege ontbreken spoedeisend belang.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:26852:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 25/5917</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 oktober 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de algemeen directeur van het CBR, verweerder </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: drs. [naam]).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de oplegging van een cursus over verantwoord rijgedrag (hierna: de EMG<footnote-ref linkend="_e4a75658-5aa7-4e9e-acd3-a2b8194498d7" />) aan verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang bij verzoeker<emphasis role="italic">. </emphasis>Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Met het primaire besluit van 16 juli 2025 heeft verweerder aan verzoeker een EMG opgelegd. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij het primaire besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verweerder. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.  Verweerder heeft op 4 juli 2025 een mededeling in de zin van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) van de politie ontvangen. Hierin staat vermeld dat verzoeker op 13 juni 2025 als bestuurder van een auto rechts inhaalde, meerdere malen geen gebruik maakte van zijn richtingwijzer, met een hogere snelheid reed dan het overige verkeer en dan ter plaatse was toegestaan, meerdere malen afremde zonder dat daar een verkeerstechnische reden toe was en te dicht op zijn voorganger reed. Hierdoor is bij de politie het vermoeden ontstaan dat verzoeker niet langer voldoet aan de rijvaardigheidseisen. Verweerder heeft verzoeker naar aanleiding van deze mededeling met het primaire besluit een EMG opgelegd.<footnote-ref linkend="_c4f6f6e9-a7d3-4bab-9804-b5160fb7e9ee" /> Met het bestreden besluit is verweerder hierbij gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en gelijktijdig de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Over het spoedeisend belang geeft verzoeker in zijn verzoekschrift aan dat het besluit tot oplegging van de EMG directe en ernstige gevolgen voor hem heeft. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat hij de kosten die aan het volgen van de EMG zijn verbonden te hoog vindt. De opleggingskosten heeft hij al betaald, maar de uitvoeringskosten nog niet. Als verzoeker de uitvoeringskosten niet betaalt, dan wordt zijn rijbewijs ongeldig verklaard. Voor zijn werk is hij echter afhankelijk van zijn rijbewijs.<footnote-ref linkend="_757c9301-5c3f-4d85-af83-26bf231eca2d" /> Dit zou dan ook vergaande financiële consequenties hebben. Daar komt bij dat verzoeker op cursusdagen hoe dan ook geen werkzaamheden kan verrichten en hij dan dus ook inkomsten misloopt. </para>
        <para>Hoewel verzoeker erkent degene te zijn geweest die volgens de mededeling de auto op 13 juni 2025 heeft bestuurd, betwist hij de daarin neergelegde gedragingen die hij zou hebben verricht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Spoedeisend belang</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Awb alleen een voorlopige voorziening treft als onverwijlde spoed dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.</para>
      <para />
      <para>5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, heeft de oplegging van de EMG op zichzelf geen gevolgen voor de geldigheid van het rijbewijs van verzoeker. Verder is gebleken dat verzoeker de uitvoeringskosten van de EMG vóór 28 november 2025 moet betalen. Als verzoeker vóór die datum niet betaalt, dan zal verweerder het rijbewijs van verzoeker pas ongeldig verklaren. In ieder geval tot die datum kan verzoeker dus gewoon zijn werk doen en daarmee inkomsten genereren. Verder heeft verzoeker niet met stukken aannemelijk gemaakt dat zijn financiële situatie dermate schrijnend is dat het voor hem onmogelijk is om de uitvoeringskosten van de EMG te voldoen. Hoewel de rechtbank zich kan indenken dat het vervelend is dat verzoeker op cursusdagen geen werkzaamheden kan verrichten, geldt ook hiervoor dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor in acute financiële nood komt. Voor wat betreft het geen werkzaamheden kunnen verrichten op cursusdagen merkt de rechtbank ten overvloede nog op dat dit voor nagenoeg iedereen geldt die een EMG opgelegd krijgt en de situatie van verzoeker in dat opzicht dus niet als bijzonder kan worden aangemerkt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Evident onrechtmatig besluit </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>6. De door verzoeker gevraagde voorziening kan, nu spoedeisend belang ontbreekt, alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Dit houdt in dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter geen sprake. Op de zitting heeft verzoeker namelijk aangegeven dat hij niet betwist dat hij de persoon was die volgens de mededeling de auto op 13 juni 2025 heeft bestuurd. Verder mocht verweerder voor wat betreft de aan verzoeker verweten gedragingen uitgaan van wat op dit onderdeel is opgenomen in het mutatierapport van de politie.<footnote-ref linkend="_ffe9259f-3aa5-4b8a-8c12-44a69807be20" /> De rechtbank ziet in de enkele ontkenning van verzoeker dat hij deze gedragingen heeft verricht, geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het verzoek is ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="italic">de voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e4a75658-5aa7-4e9e-acd3-a2b8194498d7" label="1">
    <para> Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c4f6f6e9-a7d3-4bab-9804-b5160fb7e9ee" label="2">
    <para> Op grond van artikel 131, tweede lid, van de WVW jo. artikel 14, eerste lid, onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_757c9301-5c3f-4d85-af83-26bf231eca2d" label="3">
    <para> Ter zitting heeft eiser verklaard als taxichauffeur, als kapper en in de bouw te werken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ffe9259f-3aa5-4b8a-8c12-44a69807be20" label="4">
    <para> Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:71, r.o. 4.1.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>