<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:26815</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T11:17:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.32000</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26815">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26815</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T11:15:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:26815 Rechtbank Den Haag , 24-12-2025 / NL25.32000</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:26815:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>visum kort verblijf; sociale en economische binding in primaire besluit niet tegengeworpen; niet deugdelijk gemotiveerd waarom van horen is afgezien; strijd met zorgvuldigheidsbeginsel; beroep is gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:26815:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.32000 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Singh),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 maart 2025 afgewezen (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van eiseres. Verweerder is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1964 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Eiseres wenst een visum kort verblijf om haar schoonzoon, de heer [referent] (referent), te bezoeken. </para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit afgewezen, omdat eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf niet voldoende heeft aangetoond en omdat zij niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar zij met zekerheid zal worden toegelaten. In het bestreden besluit heeft verweerder de eerste afwijzingsgrond gehandhaafd en eiseres een nieuwe afwijzingsgrond tegengeworpen, namelijk dat er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door haar overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van haar verklaringen of haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiseres in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiseres stelt dat het bestreden besluit in strijd is met de Schengenvisumcode en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel en de hoorplicht. Het primaire besluit is volgens eisers onvoldoende gemotiveerd, waardoor het voor haar onmogelijk is om een goed gemotiveerd bezwaar in te dienen. Ook het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd, omdat daarin is gesteld dat het doel van het verblijf niet is aangetoond, terwijl vaststaat dat het om een familiebezoek gaat. Daarnaast blijft het voor eiseres onduidelijk hoe verweerder tot het oordeel is gekomen dat zij onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan heeft. Eiseres heeft een sociale band met Pakistan, zij is daar geboren en getogen, haar kinderen en kleinkinderen zijn in Pakistan en haar echtgenoot ligt in Pakistan begraven. Met betrekking tot de economische binding stelt eiseres dat zij een weduwepensioen ontvangt en dat zij inkomsten uit onroerend goed heeft. Gezien de leeftijd van eiseres kan niet van haar worden verlangd dat zij in dienstbetrekking moet gaan werken om in aanmerking te komen voor een visum voor familiebezoek. Eiseres heeft niet de behoefte en intentie om langer in Nederland te blijven dan de periode aangegeven bij haar visumaanvraag. Daarnaast stelt eiseres dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
    <para />
    <para>7. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat op grond van wat in de bezwaarprocedure is aangevoerd over de sociale en economische binding van eiseres met Pakistan valt af te leiden dat een tijdige terugkeer naar dat land onvoldoende gewaarborgd is. Verweerder verbindt daaraan de conclusie dat meteen duidelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit en dat een hoorzitting dus niet zal leiden tot een ander oordeel. Daarom heeft verweerder op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb<footnote-ref linkend="_6f991689-8296-49ea-9ff8-078820f0f352" /> afgezien van het horen als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank stelt vast dat er, in tegenstelling tot wat verweerder stelt, in bezwaar niets is aangevoerd over de sociale en economische binding van eiseres met Pakistan. Uit het primaire besluit blijkt namelijk niet dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten, nu deze weigeringsgrond niet is aangekruist op het standaardformulier waarmee de aanvraag is geweigerd. Deze weigeringsgrond wordt ook wel aangeduid als het vestigingsrisico. Bij beoordeling van de vraag of een vestigingsrisico aannemelijk is, mag verweerder het criterium van sociale en economische binding hanteren. Nu verweerder dit in het primaire besluit niet aan eiseres heeft tegengeworpen, kon eiseres in bezwaar niet op de sociale en economische binding ingaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beslissing van verweerder om van het horen af te zien niet deugdelijk is gemotiveerd.<footnote-ref linkend="_4e25b76b-e3a3-4131-8bf4-b1555d1dd0e7" /> Daarbij komt dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel<footnote-ref linkend="_2383788c-c211-41e8-88d2-641602208a38" /> heeft gehandeld door eiseres in bezwaar een geheel nieuwe afwijzingsgrond tegen te werpen, zonder dat zij daarover is gehoord. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>9. Het beroep is gegrond, omdat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij van het horen van eiseres heeft afgezien en omdat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door eiseres in het bestreden besluit met een nieuwe afwijzingsgrond te confronteren zonder dat zij daarop heeft kunnen reageren. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.</para>
    <para />
    <para>10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-.<footnote-ref linkend="_0b2f40bf-aa56-41ab-a1e4-fe56b819db86" /></para>
    <para />
    <para>11. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van €194,- moet vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder tot betaling van € 194,- aan griffierechten aan eiseres.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. L.W.H. Schippers, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_6f991689-8296-49ea-9ff8-078820f0f352" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e25b76b-e3a3-4131-8bf4-b1555d1dd0e7" label="2">
    <para> Artikelen 3:46 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2383788c-c211-41e8-88d2-641602208a38" label="3">
    <para> Artikel 3:2 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b2f40bf-aa56-41ab-a1e4-fe56b819db86" label="4">
    <para> 1 punt voor het beroepschrift en1 punt voor het verschijnen ter zitting met waarde € 907,- per punt, wegingsfactor 1.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>