<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:26058</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-11T10:06:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 25 _ 3202</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2026011506</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2026-0162</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2026/125</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2026/282 met annotatie van mr. B.S. Kats</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2026/0143</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2026/120 met annotatie van R.J. Kunst</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26058">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26058</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-15T10:46:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:26058 Rechtbank Den Haag , 19-11-2025 / AWB - 25 _ 3202</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:26058:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verordening rioolheffing Den Haag. Directe of indirecte aansluiting op het riool. In geschil is of de aanslag rioolheffing 2025 terecht is opgelegd. Eiser stelt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd, vanwege het feit dat door verzakking van de kade, nood gedwongen in de sloot wordt geloosd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een indirecte aansluiting, vanwege het geval dat eiser loost in een gemeentelijke watergang.  Beroep gegrond. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat het betreffende open water een gemeentelijke riolering betreft zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Verordening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:26058:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 25/3202</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2025 aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 april 2025 de aanslagen gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025. </para>
      <para>Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn partner [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [naam 2] en de heer mr. [naam 3] .  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Aan eiser zijn met dagtekening 14 februari 2025 voor het jaar 2025 voor de woning aan de [adres] te [plaats] (adres) aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing opgelegd. Het betreft een woonboot waarvan eiser de eigenaar is. </para>
    <para />
    <para>2. Wegens verzakkingen aan de kade heeft eiser sinds 2017 geen directe aansluiting meer op de riolering. Sindsdien wordt het afvalwater noodgedwongen geloosd in het open water waarin de woonboot is gelegen. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Geschil <?linebreak?>3. In geschil is of de aanslag rioolheffing 2025 terecht is opgelegd. Ter zitting is gebleken dat de aanslag afvalstoffenheffing niet langer in geschil is. </title>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt dat de aanslag rioolheffing onterecht is opgelegd. Eiser stelt dat de woonboot niet direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. </para>
    <para />
    <para>5. Verweerder stelt dat de rioolheffing terecht is opgelegd. Volgens verweerder is sprake van een indirecte aansluiting. Eiser loost in een gemeentelijke watergang in de zin van art. 1 van de Verordening rioolheffing Den Haag 2021 (de verordening). Voldoende is dat eiser afvalwater aanbiedt op de gemeentelijke riolering, waaronder de gemeentelijke watergang. Er is sprake van een belastbaar feit in de zin van de verordening. De aanslag rioolheffing is terecht opgelegd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Op grond van artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet kan onder de naam rioolheffing een belasting worden geheven. Met de verordening heeft de raad van de gemeente Den Haag van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.</para>
    <para />
    <para>7. In de verordening is onder meer het volgende bepaald:</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Artikel 1 Begripsomschrijvingen </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Deze verordening verstaat onder:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 2 Aard van de belasting</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">a.	de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">b.	de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1.	De belasting wordt geheven:</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	a.	van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	b.	van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Ter zitting heeft eiser de huidige situatie nader toegelicht. Sinds 2017 is de woonboot van eiser als gevolg van verzakkingen van de kade en achterstallig onderhoud daaraan, niet meer direct aangesloten op het riool; die aansluiting is kapot. Als gevolg daarvan loopt het afvalwater dat vanaf de woonboot wordt geloosd, rechtstreeks in het open water waarin de woonboot is gelegen. Eiser ervaart daardoor al jaren een verslechtering van de woonsituatie aangezien deze lozingen tot vervuiling en verval leiden. Meldingen hiervan en verzoeken aan rioolbeheer voor reparatie hebben nog niet tot enige actie geleid. Verweerder heeft dit niet betwist zodat vaststaat dat de woonboot niet beschikt over een directe aansluiting op de riolering. Verweerder heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat er wel sprake is van een indirecte aansluiting. Verweerder betoogt dat het enkele feit dat eiser huishoudelijk afvalwater loost in het open water, hetgeen volgens verweerder kwalificeert als een gemeentelijke watergang, voldoende is voor de conclusie dat sprake is van een indirecte aansluiting op de gemeentelijke riolering. </para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op wie de bewijslast rust, met deze stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt dat het betreffende open water een gemeentelijke riolering betreft zoals is gedefinieerd in artikel 1 van de verordening, te weten een voorziening in eigendom, beheer of onderhoud bij de gemeente. Onduidelijk is of op dit open water sprake is van inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater door de gemeente. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij van het Hoogheemraadschap brieven ontvangt waarin hij er op wordt gewezen het open water schoon te houden en er boetes dreigen bij het lozen van afvalwater vanaf zijn woonboot. Dit duidt er op dat het beheer, eigendom en/of onderhoud, zo er al sprake is van een voorziening als vorenbedoeld, in handen is van het Hoogheemraadschap. Het voorgaande leidt ertoe dat geen sprake is van een belastbaar feit in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van de verordening en de aanslag rioolheffing daarom ten onrechte aan eiser is opgelegd.</para>
    <para />
    <para>10. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.	</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de aanslag rioolheffing betreft;</para>
    <para>- vernietigt de aanslag rioolheffing;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Schillings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).</para>
      <para>Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
    <para>2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. </para>
    <para>Verder vermeldt u ten minste het volgende:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. de datum van verzending;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
    <para>d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>