<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:25401</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-09T13:25:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11449218 \ RL EXPL  24-23777</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25401">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25401</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-09T13:22:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:25401 Rechtbank Den Haag , 12-03-2025 / 11449218 \ RL EXPL  24-23777</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:25401:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gedaagde is wel verschenen, maar heeft geen conclusie van antwoord ingediend. Verstektoets.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:25401:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">RECHTBANK DEN HAAG </emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats ʹs-Gravenhage </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>mw/a</para>
    <para>Zaaknummer: 11449218 \ RL EXPL  24-23777</para>
    <para>Extern kenmerk: D1106 </para>
    <para>Datum: 12 maart 2025</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiser],</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S. Yadegari,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [gedaagde] B.V.,</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats],</para>
      <para>gedaagde partij.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisende partij heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding van 9 december 2024 waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de rolzitting van 18 december 2024 is aan gedaagde partij op haar verzoek een termijn verleend tot de rolzitting van 12 februari 2025 voor het (mondeling of schriftelijk) nemen van een conclusie van antwoord. Dit is op de zitting aan gedaagde partij meegedeeld, dan wel haar nadien bij brief van de griffier meegedeeld. Gedaagde partij is op de daarvoor aangewezen zitting echter niet verschenen en heeft evenmin op andere wijze gereageerd. Op grond daarvan is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de omschrijving van de vordering van eisende partij en de daartoe aangevoerde gronden wordt verwezen naar de dagvaarding. Nu gedaagde partij, hoewel zij daartoe naar behoren in de gelegenheid gesteld is, tegen de vordering van eisende partij geen verweer heeft gevoerd, moet worden uitgegaan van de juistheid van de feiten die eisende partij aan de vordering ten grondslag heeft gelegd. Deze feiten vormen naar het oordeel van de kantonrechter een toereikende grondslag voor de vordering, zodat deze kan worden toegewezen, met dien verstande dat de rente zal worden toegewezen als hierna vermeld. De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Als de in het ongelijk gestelde partij dient gedaagde partij te worden veroordeeld in de proceskosten.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart voor recht dat de tussen partijen bestaande koopovereenkomst op <?linebreak?>31 oktober 2024 rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen € 4.579,20, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 3.950,00 vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen € 857,34 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 725,57 vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening; </para>
    <para />
    <para>- veroordeelt gedaagde partij de auto onmiddellijk te vrijwaren, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per (onvoltooide deel van een) dag dat gedaagde partij geen deugdelijk vrijwaringsbewijs verschaft aan eisende partij en daarmee eisende partij bevrijdt van zijn kentekenhouders verplichtingen (MRB en WA), een en ander tot een maximum van € 20.000,00;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure, tot hiertoe aan de zijde van eisende partij vastgesteld op € 726,30, waaronder € 339,00 aan salaris voor de gemachtigde van eisende partij;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt gedaagde partij tot betaling van € 135,00 aan nasalaris, voor zover eisende partij daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;</para>
    <para />
    <para>- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    <para />
    <para>- wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.C. Sluymer en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025 in bijzijn van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier,						de kantonrechter,</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>