<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:25085</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-23T16:26:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.24381</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25085">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25085</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-23T16:26:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:25085 Rechtbank Den Haag , 23-12-2025 / NL25.24381</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:25085:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet tijdig asiel, WBV 2023/3 en BVM Syrie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:25085:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.24381</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam], eiser, </title>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer] ,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. T. Volckmann),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister. </title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 15 augustus 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>         De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft</para>
        <para>gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.<footnote-ref linkend="_bd5d4930-1081-4098-a23d-8179dccc7ee1" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het beroep ontvankelijk en gegrond? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.  Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3<footnote-ref linkend="_fd8e3239-e45d-48e4-8243-9e98927c3d72" /> het in deze zaak toepasselijke wijzigingsbesluit. Dit besluit is echter naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025.<footnote-ref linkend="_be2daa22-06b2-420c-a790-142427a8c14a" /> Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser diende te nemen. Met het besluit van 28 juni 2023 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium<footnote-ref linkend="_80d19b64-3c94-4eba-bf2c-b3dd9c2af1f9" /> (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Soedan. Met het besluit van 19 december 2023 is de geldigheid van het BVM verlengd.<footnote-ref linkend="_d2c66bf0-3d5f-4b23-b9ff-d565842042a8" /> Deze gold tot en met 8 juli 2024.<?linebreak?></para>
    <para>3.   De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep tegen het niet tijdig</para>
    <para>Beslissen prematuur is ingediend, omdat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen nog niet was verstreken gelet op het BVM. Met het BVM is de beslistermijn voor lopende asielaanvragen van vreemdelingen uit Soedan verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden.</para>
    <para />
    <para>4.   De rechtbank volgt de minister niet en overweegt als volgt. De grondslag voor het BVM ligt in de Vw,<footnote-ref linkend="_ef34159a-b232-4eb2-b028-a309c6499d2a" /> waarin bepalingen van de Procedurerichtlijn zijn geïmplementeerd.<footnote-ref linkend="_a3a7077b-4665-48b2-9e66-2c0c67286d39" /> Op basis van deze bepalingen kunnen lidstaten een besluit in individuele gevallen uitstellen bij een onzekere situatie in het land van herkomst. Gelet hierop zal de rechtbank de term “verlengen” opvatten als opschorten. Er is geen sprake van verlengen zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, van de Vw.</para>
    <para />
    <para>5.   De rechtbank vindt hiervoor ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst dermate complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en is de minister verplicht weer besluiten te nemen. Dat de wet en het BVM zelf over “verlengen” spreken in plaats van “opschorten” doet hieraan niets af. Nu de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet,<footnote-ref linkend="_8efc450a-5a93-4617-aed6-37c82cf6b358" />  komt daaraan naar het oordeel van de rechtbank meer gewicht toe. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd.<?linebreak?>6.               In de zaak van eiser geldt dat de aanvraag op 15 augustus 2023 is ingediend en op 1 februari 2024 werd Nederland verantwoordelijk voor de asielaanvraag, gedurende de geldigheid van het BVM Soedan. Het BVM Soedan is op 9 juli 2024 beëindigd en de beslistermijn is op die datum gaan lopen. De wettelijke beslistermijn is geëindigd op 9 januari 2025. Eiser heeft na deze datum de minister gevraagd om alsnog binnen 14 dagen een beslissing te nemen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Elektronische ingebrekestelling</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>7.     De rechtbank stelt vast dat eiser de minister op 9 mei 2025 per elektronische weg in gebreke heeft gesteld. De minister heeft bij brief van 11 mei 2025 de ontvangst van de ingebrekestelling bevestigd en daarin een standaard tekst opgenomen waarin is vermeld dat een ingebrekestelling ingediend per e-mail of ander digitaal kanaal niet geldig is. De rechtbank is, anders dan de minister, van oordeel dat het indienen van de ingebrekestelling per elektronische weg niet zonder meer betekent dat geen sprake is van een geldige ingebrekestelling. In dit kader wijst de rechtbank op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 8 april 2025.<footnote-ref linkend="_87457de5-52a7-478e-9966-50061920d32f" /> Daarbij hecht de rechtbank veel waarde aan het feit dat de minister de ontvangst van de elektronische ingebrekestelling heeft bevestigd, zonder te motiveren dat en waarom deze in het geval van eiser niet geldig is. De algemene tekst die hierover in de ontvangstbevestiging is opgenomen volstaat niet. </para>
    <para />
    <para>8. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de ingebrekestelling dan ook geldig. De minister heeft niet binnen twee weken na de ingebrekestelling beslist op de aanvraag. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.<footnote-ref linkend="_60dcd6b5-918c-44c6-af58-f75ff3a3f3a6" /> Het beroep is ontvankelijk en gegrond.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="underline">Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? </emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>9. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.<footnote-ref linkend="_91859c1a-73a7-4a1c-8c1a-8f500d08e4cb" /> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.<footnote-ref linkend="_04ecc315-c137-41bf-9398-b58729551b50" /></para>
    <para>De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden<footnote-ref linkend="_498b0a60-980b-468a-95ad-d3f97c744ee4" /> is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Welke dwangsom legt de rechtbank op?</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.<footnote-ref linkend="_82c5bf06-d3cb-4caf-a36c-d3d67cd02337" /></para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.<footnote-ref linkend="_b2d7e65d-c5a5-4c8c-bf66-02863a6cf6ed" /><?linebreak?></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <para>12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.  </para>
    <para />
    <para>13. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.<footnote-ref linkend="_e232657b-eede-43f4-8375-1a774b6eed6e" /></para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_bd5d4930-1081-4098-a23d-8179dccc7ee1" label="1">
    <para> Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fd8e3239-e45d-48e4-8243-9e98927c3d72" label="2">
    <para> Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be2daa22-06b2-420c-a790-142427a8c14a" label="3">
    <para> ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_80d19b64-3c94-4eba-bf2c-b3dd9c2af1f9" label="4">
    <para> Besluit van 28 juni 2023 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Sudan (<emphasis role="italic">Stscrt.</emphasis> 2023, 18540).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d2c66bf0-3d5f-4b23-b9ff-d565842042a8" label="5">
    <para> Besluit van 19 december 2023 tot het verlengen van het besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Sudan (<emphasis role="italic">Stscrt.</emphasis> 2024, 146).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef34159a-b232-4eb2-b028-a309c6499d2a" label="6">
    <para> Artikel 43 Vreemdelingenwet (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a3a7077b-4665-48b2-9e66-2c0c67286d39" label="7">
    <para> Artikel 31, vierde lid, van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8efc450a-5a93-4617-aed6-37c82cf6b358" label="8">
    <para> Artikel 31, vierde lid, van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn en Artikel 43 Vreemdelingenwet (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_87457de5-52a7-478e-9966-50061920d32f" label="9">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:5864. Zie ook o.a. ECLI:NL:RBDHA:2025:5125 en ECLI:NL:RBOBR:2025:2768.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_60dcd6b5-918c-44c6-af58-f75ff3a3f3a6" label="10">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_91859c1a-73a7-4a1c-8c1a-8f500d08e4cb" label="11">
    <para> Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_04ecc315-c137-41bf-9398-b58729551b50" label="12">
    <para> ECLI:NL:RVS:2020:1560. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_498b0a60-980b-468a-95ad-d3f97c744ee4" label="13">
    <para> Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_82c5bf06-d3cb-4caf-a36c-d3d67cd02337" label="14">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b2d7e65d-c5a5-4c8c-bf66-02863a6cf6ed" label="15">
    <para> Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e232657b-eede-43f4-8375-1a774b6eed6e" label="16">
    <para> Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>