<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:25083</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-19T12:36:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.61196</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25083">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25083</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-23T16:23:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:25083 Rechtbank Den Haag , 23-12-2025 / NL25.61196</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:25083:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eerste beroep bewaring – buiten zitting – Polen - inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie - grondslag maatregel - lichter middel – beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:25083:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: NL25.61196</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer:  [V-nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H. Toonders).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_3222785a-87bf-4426-af77-840fcf131f67" /> opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 17 december 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 22 december 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft op 23 december 2025 het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1985 en de Poolse nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inspanningsverplichting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat verweerder zijn inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie heeft geschonden. Eiser is na strafrechtelijke detentie na veertien dagen aansluitend overgenomen. Volgens eiser had verweerder, mede gelet op de door verweerder bij de Afdeling<footnote-ref linkend="_dcbee198-cb30-4e76-8f0e-b1c51dad55a4" /> beschreven werkwijze dat zaken met een korte strafrechtelijke detentie prioriteit behoren te krijgen, tijdens die detentie uitzettingshandelingen moet verrichten. Verweerder heeft dat nagelaten, waardoor onnodige vreemdelingenbewaring is ontstaan. Eiser verwijst in dit verband naar paragraaf A5/6.12 van de Vc<footnote-ref linkend="_4fe2500c-f618-4e8e-935e-6a32aa6cef67" /> en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 14 mei 2025.<footnote-ref linkend="_ea0834a0-f10b-4797-a228-019ea0325fdb" /></para>
    <para />
    <para>3. Op verweerder rust volgens paragraaf A5/6.12 van de Vc een inspanningsverplichting om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken. Verweerder moet daarom al tijdens het strafrechtelijk voortraject activiteiten verrichten gericht op het gedwongen vertrek van de vreemdeling uit Nederland. De inspanningsverplichting veronderstelt wel dat verweerder redelijkerwijs kan beschikken over voldoende duidelijkheid over het moment waarop de strafrechtelijke detentie eindigt. </para>
    <para />
    <para>4. Uit de stukken volgt geen aanknopingspunt dat verweerder vóór 13 december 2025 over een einddatum beschikte of redelijkerwijs had kunnen beschikken. Onder die omstandigheden kan niet worden tegengeworpen dat voor 13 december 2025 geen uitzettingshandelingen zijn verricht. Nadat eiser op 13 december 2025 in bewaring is gesteld, heeft verweerder vervolgens voortvarend gehandeld door op 14 december 2025 een onderzoek op te starten naar het identiteitsdocument van eiser, op 15 december 2025 toestemming aan de officier van justitie te vragen voor zijn uitzetting en op 16 en 19 december 2025 vertrekgesprekken met eiser te voeren. Deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_3e8779e6-cef3-421a-b5cb-1a2910786d04" /> vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis>
      <?linebreak?>- <emphasis role="italic">3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_6cbd95bd-06c4-463f-abef-69afad691a69" /> vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; </emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan</emphasis>.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser betwist de zware grond 3a en de lichte grond 4d. Hij stelt dat hij slechts kort in Nederland was in het kader van doorreis naar Spanje en geen intentie had om in Nederland te verblijven. Zijn aanwezigheid was uitsluitend gericht op het ophalen van spullen, waarna hij zijn reis wilde voortzetten. Eiser heeft daarbij verklaard te beschikken over een vervoersbewijs naar Brussel. Ten aanzien van de lichte grond 4d voert eiser aan dat hij wel beschikte over voldoende middelen, nu hij € 3,60 contant bij zich had, € 150 bij een vriend had liggen en al een reisticket naar Brussel had. </para>
    <para />
    <para>7. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a, 3b en 3c volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen.<footnote-ref linkend="_0ebe1a6a-0e48-4229-b16f-974d967f51a3" /> Verweerder heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat deze zware gronden zich feitelijk voordoen. Daarbij is van belang dat de betwiste zware grond 3a ziet op de wijze van binnenkomst en niet op het door eiser gestelde reisdoel. Verweerder heeft deze grond kunnen tegenwerpen, nu eiser eerder is uitgezet en uit eisers verklaringen volgt dat hij nadien opnieuw in Nederland is aangetroffen. Daarmee is voldoende gemotiveerd dat eiser opnieuw Nederland is binnengekomen terwijl hij wist dat hij daartoe niet gerechtigd was. De door eiser gestelde doorreis en het gestelde vervoersbewijs maken dit niet anders. De feitelijke juistheid van de zware grond 3a en de onbetwiste zware gronden 3b en 3c zijn reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hiermee is een risico op onttrekking gegeven. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de lichte grond 4d behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Verder meent eiser dat verweerder onvoldoende kenbaar heeft afgewogen of met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan. Eiser voert aan dat hij een concreet reisplan had om Nederland te verlaten en door te reizen richting Spanje, dat hij bereid is om mee te werken aan vertrek en dat hij akkoord is met eventuele voorwaarden, zoals een meldplicht. Tijdens het gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling is onvoldoende doorgevraagd naar de mogelijkheid van zelfstandig vertrek en blijkt niet dat concrete alternatieven voor bewaring zijn overwogen. </para>
    <para />
    <para>9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom geen aanleiding bestond om een lichter middel toe te passen. Gelet op de gronden van de maatregel bestaat er een risico dat eiser zich onttrekt aan het toezicht en zijn vertrek belemmert of ontwijkt. Daarbij is van belang dat eiser eerder, namelijk nog op 20 november 2025, gedwongen is uitgezet en vervolgens enkele dagen later opnieuw in Nederland is aangetroffen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen en het beoogde resultaat te bereiken, namelijk eisers uitzetting naar Polen. Van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel, is niet gebleken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. </para>
    <para />
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af;</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 23 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3222785a-87bf-4426-af77-840fcf131f67" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dcbee198-cb30-4e76-8f0e-b1c51dad55a4" label="2">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4fe2500c-f618-4e8e-935e-6a32aa6cef67" label="3">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea0834a0-f10b-4797-a228-019ea0325fdb" label="4">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:9129.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e8779e6-cef3-421a-b5cb-1a2910786d04" label="5">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6cbd95bd-06c4-463f-abef-69afad691a69" label="6">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0ebe1a6a-0e48-4229-b16f-974d967f51a3" label="7">
    <para> Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>