<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:24182</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-17T18:21:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.58941</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24182">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24182</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-17T15:08:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:24182 Rechtbank Den Haag , 17-12-2025 / NL25.58941</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:24182:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bewaring, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, grondslag betwist, lichter middel, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:24182:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: NL25.58941</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , eiseres,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S. Faber)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring opgelegd.<footnote-ref linkend="_5e9cdd56-907e-4a80-9ba8-d8edb2fa67bb" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiseres is, met behulp van een videoverbinding, verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1976 en heeft de Litouwse nationaliteit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grondslag van de maatregel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiseres voert aan dat zij het verwijderingsbesluit van 23 januari 2017 niet heeft ontvangen, zodat zij niet op de hoogte was van de beëindiging van haar verblijfsrecht en haar verplichting tot terugkeer. Om die reden heeft verweerder de maatregel van bewaring ten onrechte gebaseerd op het gestelde onrechtmatige verblijf van eiseres.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft ter zitting  toegelicht dat het verwijderingsbesluit van 23 januari 2017 is verzonden naar het postadres van eiseres waar eerder het voornemen in verband met dit verwijderingsbesluit naar is gestuurd. Uit dit verwijderingsbesluit blijkt dat eiseres op dat voornemen heeft gereageerd. Dat heeft eiseres niet betwist. Verweerder mocht er daarom van uitgaan dat dit adres correct was en dat eiseres daar post ontving. Daarnaast heeft eiseres aangegeven het verwijderingsbesluit van 23 januari 2017 in september 2024 te hebben gezien<footnote-ref linkend="_07f5eb28-8485-42c5-b0a9-47ae11733029" />, zodat zij op de hoogte was van de beëindiging van haar verblijfsrecht en haar verplichting tot terugkeer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring heeft kunnen baseren op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden<footnote-ref linkend="_54d754cd-da15-48b0-b1ba-1d3214368c38" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiseres:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer; </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>
      <?linebreak?>En als lichte gronden<footnote-ref linkend="_37c53614-7709-4841-a873-80d565317554" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiseres:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft ter zitting zware grond 3a laten vallen.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Eiseres voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel vanwege haar persoonlijke omstandigheden. Eiseres verblijft inmiddels 30 jaar in Nederland, volgt een methadonprogramma en verblijft bij haar vriend in [plaats] . Verder is zij meermaals in contact geweest met de autoriteiten, zodat verweerder had kunnen volstaan met een meldplicht.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en haar vertrek belemmert of ontwijkt. Daartoe is ook van belang dat eiseres zich niet aan haar vertrekplicht heeft gehouden en meerdere malen heeft aangegeven niet naar Litouwen te willen terugkeren of aan haar vertrek daarheen te willen meewerken.<footnote-ref linkend="_96f1ee10-2185-41fe-9de3-84bed21e2247" /> Verweerder heeft verder ten aanzien van haar methadongebruik bij de belangenafweging terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Verder is niet gebleken dat eiseres detentieongeschikt is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ambtshalve toets</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_5e9cdd56-907e-4a80-9ba8-d8edb2fa67bb" label="1">
    <para> Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_07f5eb28-8485-42c5-b0a9-47ae11733029" label="2">
    <para> Proces-verbaal van gehoor van 1 december 2025, p. 3 van 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_54d754cd-da15-48b0-b1ba-1d3214368c38" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_37c53614-7709-4841-a873-80d565317554" label="4">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_96f1ee10-2185-41fe-9de3-84bed21e2247" label="5">
    <para> Proces-verbaal van gehoor van 1 december 2025, p. 4 en 5 van 8.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>