<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:23371</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-02T15:20:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.9002</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23371">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23371</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-13T11:04:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:23371 Rechtbank Den Haag , 03-12-2025 / NL24.9002</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:23371:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Documentatievereiste. RvO-adviezen en standstill-bepaling. Hoorplicht. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:23371:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.9002 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], geboren op [geboortedatum] 1983 van Turkse nationaliteit, eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Harmanci),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_1d3a71dd-3573-49bc-86a7-58b61fdf9f06" />, verweerder </para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is<emphasis role="italic">.</emphasis> Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en verweerder zijn aanvraag mocht afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij [bedrijf]. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juli 2022 afgewezen (het primaire besluit). Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 6 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het besluit</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De onderneming van eiser betreft een installatiebedrijf dat gespecialiseerd is in elektrotechniek, genaamd [bedrijf].<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikt over een geldige mvv<footnote-ref linkend="_64db3491-4ce4-4aba-bd3e-441f95e59614" /> en er geen aanleiding bestaat om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. Eiser heeft niet aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan het documentatievereiste. Er is geen ondernemingsplan overgelegd en reeds daarom al is de aanvraag niet ter advisering aan de RvO<footnote-ref linkend="_23fc300d-5eba-456e-a229-aa20aa2f2a75" /> voorgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Het overgelegde ondernemingsplan voldoet niet aan de vereisten in het beleid. De markt- en concurrentieanalyse zijn niet voldoende toegespitst op de door eisers onderneming verrichte diensten. Voorts is het ondernemingsplan onvoldoende met objectief verifieerbare stukken onderbouwd. De marktanalyse is te algemeen geformuleerd, de concurrentieanalyse is niet onderbouwd met bronnen, de openingsbalans ontbreekt, de overeenkomsten van opdracht zijn niet voldoende specifiek, de verkoopfacturen, aangifte omzetbelasting en kolommenbalans geven geen weergave van de huidige omzet. Verder is niet onderbouwd hoe de lijst met handelsnamen het ondernemingsplan onderbouwt. Eiser heeft volgens verweerder nagelaten om competenties en vakinhoudelijke kennis te onderbouwen met stukken. Nu niet aan het documentatievereiste wordt voldaan, ziet verweerder geen aanleiding om de aanvraag aan de RvO ter advisering voor te leggen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Documentatievereiste</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Markt- en concurrentieanalyse</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Eiser stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat hij wel voldoet aan het documentatievereiste omdat hij alle stukken heeft overgelegd waar hij redelijkerwijs de beschikking over kon krijgen. Zijn aanvraag had voor advies aan de RvO voorgelegd moeten worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_c6dd7445-c899-433e-965f-9632239c3761" /> dat verweerder, alvorens de aanvraag ter advisering aan de RvO voor te leggen, van de vreemdeling mag verlangen dat hij de volgens paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000<footnote-ref linkend="_57cdc621-b466-4505-ac24-23e2969d9e7a" /> vereiste stukken overlegt, zoals een ondernemingsplan met een markt- en concurrentieanalyse toegespitst op de eigen dienst, als hij daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.<footnote-ref linkend="_e7348c07-85ba-4c29-a00e-691b14c6f34f" /> Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het door eiser overgelegde ondernemingsplan een op zijn eigen dienst toegespitst markt- en concurrentieanalyse ontbreekt. De rechtbank is het met verweerder eens dat de marktanalyse in zijn geheel te algemeen beschreven is en onvoldoende inzicht geeft in de markt van eisers onderneming. De stelling dat eiser landelijk actief is, is niet onderbouwd en ook niet aannemelijk gemaakt nu het een eenmanszaak betreft. De concurrentieanalyse geeft geen inzicht in wat de behoefte aan de activiteiten van eisers onderneming zijn. Eiser geeft geen inzicht in wat die concurrenten precies leveren in vergelijking met eiser, wat hun marktaandeel is, wat zijn potentiële marktaandeel is en hoe zich dat precies onderscheidt van hen.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Daarnaast ontbreekt andere essentiële informatie die verweerder in het primaire en bestreden besluit heeft opgesomd. Onder andere ontbreken bewijsstukken die eisers competenties en vakinhoudelijke kennis onderbouwen, jaarrekeningen, branchegegevens, recente verkoop- en inkoopfacturen en recente IB-aangiften. Dat eiser over al deze gegevens redelijkerwijs niet de beschikking kan krijgen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overige documenten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. De overeenkomsten van opdracht zijn volgens verweerder niet voldoende specifiek. Volgens verweerder blijkt niet onder welke voorwaarden deze zijn opgesteld en welke werkzaamheden er worden verricht. De verkoopfacturen zijn onvoldoende specifiek.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de door eiser ingebrachte overeenkomsten van opdracht niet concreet zijn, omdat daaruit niet blijkt wat de totale aard en omvang van de opdrachten is geweest.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Ook wijst verweerder terecht en op goede gronden erop dat gespecificeerde verkoopfacturen zijn vereist. Zonder gespecificeerde verkoopfacturen is beoordeling of de prijzen die een vreemdeling hanteert marktconform zijn en of er sprake is van een marktverstorende werking niet of nauwelijks mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De stelling dat het in de branche van eiser niet gebruikelijk is om specifieke werkzaamheden te vermelden, en dat de overeenkomsten slechts intentieverklaringen zijn waaraan vervolgens gevolg wordt gegeven met uitgevoerde werkzaamheden en daarmee gepaard gaande facturen, is niet onderbouwd. Daarbij komt dat, voor zover dit het geval zou zijn, het aan eiser is om andere stukken te overleggen op basis waarvan voornoemde beoordeling mogelijk is, bijvoorbeeld schriftelijke bevestigingen waaruit blijkt dat gevolg is gegeven aan de intentieverklaringen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Opleiding en ervaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. Eiser ziet niet in waarom de vakinhoudelijke expertise moet worden aangetoond. Het overleggen van diploma’s en certificaten is van toegevoegde waarde voor de onderbouwing van het ondernemingsplan, doch niet een harde eis. Eiser heeft voldoende referenties en stukken overgelegd waaruit zijn werkervaring blijkt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 van de vreemdeling mag verlangen dat hij afschriften overlegt van behaalde diploma’s voorzien van een Nuffic/ stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) waardering voor zover het buitenlandse diploma’s betreft. Voorts vermeldt bijlage 8aa van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, dat de toetsingscriteria bevat waaraan de Turkse zelfstandige moet voldoen: “ – gegevens ter onderbouwing van de competenties van de ondernemer zoals:○ een kopie van referenties en arbeidsovereenkomst(en) van de voormalige dienstbetrekking(en);○ kopieën van behaalde diploma’s. Betreft het een buitenlands diploma? Dan moet deze voorzien zijn van een waardering van Nuffic/stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)”. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser overgelegde buitenlandse diploma’s en certificaten niet door Nuffic of SBB zijn gewaardeerd en dat eiser zijn competenties niet voldoende heeft onderbouwd met andere documenten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag dan ook niet voor advies aan de RvO hoeven voorleggen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">RvO-adviezen en standstill-bepaling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7. Eisers beroep op een aantal positieve RvO-adviezen in andere zaken slaagt niet. Niet is gebleken dat sprake is van vergelijkbare zaken. Daarnaast dient, zoals ook uit de RvO-adviezen blijkt, elke zaak op zijn eigen merites te worden beoordeeld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Eisers betoog dat verweerder alle in bijlage 8aa van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 genoemde documentatie vereist, dat dit een aanscherping is en daarmee in strijd met de standstill-bepaling, volgt de rechtbank niet. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de door verweerder gestelde documentatievereisten niet in strijd zijn met de standstill-bepaling.<footnote-ref linkend="_08b061e2-f369-406a-8c18-ebbf58b5db31" /> Om diezelfde reden volgt de rechtbank ook niet eisers stelling dat het vragen om vakinhoudelijke expertise in strijd is met de standstill-bepaling. Ook de stukken ter onderbouwing van opleiding en werkervaring behoren immers tot de door de Afdeling bedoelde documentatievereisten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">RvO (willekeur)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder geen eenduidige lijn geeft op basis waarvan zaken worden voorgelegd aan de RvO. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat eiser niet wordt gevolgd in zijn betoog dat niet bekend is wanneer een zaak aan de RvO wordt voorgelegd en wanneer niet. Zowel in het beleid neergelegd in paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 als op het aanvraagformulier is vermeld welke gegevens dienen te worden overgelegd en dat deze moeten zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe adviseur. Na het indienen van de aanvraag is het aan verweerder om aan de hand van het toepasselijke beleid en de regelgeving vast te stellen of de door eiser ingediende stukken in voldoende mate compleet zijn om de aanvraag ter advisering voor te kunnen leggen aan de RvO. Als de aanvraag compleet is, beoordeelt de RvO de aanvraag en de daartoe overlegde stukken op inhoud. De RvO beoordeelt vervolgens of de onderneming van de aanvrager levensvatbaar is, in een behoefte voorziet en meer in het algemeen een wezenlijk Nederlands economisch belang dient.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hoorplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>9. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet is gehoord. Het uitgangspunt is volgens eiser horen. Hij verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2023.<footnote-ref linkend="_0afc90c2-ee40-4a71-a2e6-e71ebe15706d" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2023<footnote-ref linkend="_45fca2a3-3506-4acd-8ec4-bdf7d33fd682" /> overwogen dat als een vreemdeling de stukken die worden genoemd in bijlage 8aa van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 niet heeft overgelegd en ook geen verklaring heeft gegeven waarom hij daarover niet kan beschikken, die vreemdeling heeft nagelaten om essentiële informatie over te leggen, waarvan hij wist of kon weten dat die voor het nemen van een besluit noodzakelijk is. Het ligt voor verweerder dan in beginsel minder in de rede dat hij die vreemdeling uitnodigt voor een hoorzitting. Op grond van diezelfde uitspraak kan er niettemin toch reden zijn om eiser te horen indien één of meerdere van de volgende niet-limitatieve en niet-cumulatieve omstandigheden zich voordoet: (1) eiser zou op of vlak na een hoorzitting eenvoudig de ontbrekende informatie kunnen geven, (2) eiser heeft in bezwaar al een mogelijke steekhoudende verklaring gegeven voor het niet kunnen overleggen van bepaalde stukken, en (3) er bestaat onduidelijkheid over de waardering van één of meer overgelegde stukken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. Verweerder heeft in het primaire besluit aangegeven dat eiser niet de vereiste documenten bij zijn aanvraag heeft overgelegd. Verweerder heeft daarbij een opsomming gegeven van de stukken die missen. In bezwaar zijn nog steeds niet alle stukken overgelegd. Onder deze omstandigheid hoeft verweerder niet over te gaan tot horen om eiser nogmaals aan te sporen de benodigde stukken over te leggen. Dit kan anders zijn, als eiser steekhoudende verklaringen heeft gegeven voor het niet kunnen overleggen van bepaalde stukken. In dit geval is daar geen sprake van. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.C. Simonis, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1d3a71dd-3573-49bc-86a7-58b61fdf9f06" label="1">
    <para> Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_64db3491-4ce4-4aba-bd3e-441f95e59614" label="2">
    <para> Machtiging tot voorlopig verblijf.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_23fc300d-5eba-456e-a229-aa20aa2f2a75" label="3">
    <para> Rijksdienst voor ondernemend Nederland.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6dd7445-c899-433e-965f-9632239c3761" label="4">
    <para> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_57cdc621-b466-4505-ac24-23e2969d9e7a" label="5">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e7348c07-85ba-4c29-a00e-691b14c6f34f" label="6">
    <para> Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:1326, ECLI:NL:RVS:2023:2603 en ECLI:NL:RVS:2024:1685.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_08b061e2-f369-406a-8c18-ebbf58b5db31" label="7">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3922.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0afc90c2-ee40-4a71-a2e6-e71ebe15706d" label="8">
    <para>ECLI:NL:RBDHA:2023:4114.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_45fca2a3-3506-4acd-8ec4-bdf7d33fd682" label="9">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:2557.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>