<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:22914</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-05T11:13:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.48235</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22914">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22914</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-05T11:13:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:22914 Rechtbank Den Haag , 28-10-2025 / NL25.48235</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22914:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening strekkende tot schorsing van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. De minister verzet zich niet tegen toewijzing. Toewijzing van de voorlopige voorziening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22914:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zaaknummer: NL25.48235 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [V-Nummer]
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</title>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">
        [verzoekster]
      </emphasis>, geboren op [geboortedatum 1] 1991, van Surinaamse nationaliteit, verzoekster,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>mede namens haar minderjarige kinderen:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige 1]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum 2] 2014,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige 2]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum 3] 2023,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister</title>
    <para>(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster om de rechtsgevolgen op te schorten van het besluit van 12 september 2025. In dit besluit is het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez<footnote-ref linkend="_3ad1aff4-6453-40be-8d89-44f1e0a01532" /> ongegrond verklaard. Hiermee beoogt verzoekster het voortzetten van de opvang van haar en haar kinderen, van de bijstandsuitkering en van de ziektekostenverzekering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De minister heeft met het primaire besluit van 8 maart 2024 de aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar ingediend en hangende dit bezwaar verzocht om een voorlopige voorziening. Deze voorlopige voorziening is met uitspraak van 8 januari 2025 toegewezen inhoudende dat verzoekster niet uitgezet mag worden totdat op het bezwaarschrift is beslist.<footnote-ref linkend="_6239ba74-eda2-49be-ae89-b116c8dd2f37" /> Op 2 mei 2025 heeft verzoekster beroep<footnote-ref linkend="_a6df5f1b-164f-4a96-b06d-1bb1e55c9d69" /> ingediend wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag.<footnote-ref linkend="_ac6c4ba7-17c5-475f-9db2-984bbf8f1c1a" /> Met het besluit van 12 september 2025 heeft de minister het bezwaar alsnog op het bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard. Verzoekster heeft daarom verzocht om bovenstaande voorlopige voorziening hangende dit beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De minister heeft op 14 oktober 2025 aangegeven zich te verzetten tegen toewijzing van deze voorlopige voorziening. Op 27 oktober 2025 heeft de minister aangegeven zich niet langer te verzetten tegen toewijzing van het verzoek, omdat de minister van mening is dat het spoedeisende belang van verzoekster zwaarder weegt dan het belang van de minister bij haar spoedige verwijdering uit Nederland. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Met toestemming van partijen zal de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen op het verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>2. Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. </para>
    <para />
    <para>3. Bij brief van 27 oktober 2025 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten zich niet langer te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.</para>
    <para />
    <para>4. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst tot vier weken nadat op het beroepschrift is beslist en dat de minister verzoekster dus niet mag uitzetten gedurende deze periode. </para>
    <para />
    <para>5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Die punt heeft een waarde van € 907,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 907,-. Als aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de gemachtigde van verzoekster.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek toe;</para>
    <para>- schorst het bestreden besluit tot vier weken na de uitspraak op het beroep;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3ad1aff4-6453-40be-8d89-44f1e0a01532" label="1">
    <para> Het arrest van het Europees Hof van Justitie 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6239ba74-eda2-49be-ae89-b116c8dd2f37" label="2">
    <para> NL24.49963.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6df5f1b-164f-4a96-b06d-1bb1e55c9d69" label="3">
    <para> NL25.20710.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ac6c4ba7-17c5-475f-9db2-984bbf8f1c1a" label="4">
    <para> Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene Wet bestuursrecht ook betrekking op het bestreden besluit.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>