<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:22757</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-02T13:54:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.56914</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22757">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22757</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-02T13:53:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:22757 Rechtbank Den Haag , 02-12-2025 / NL25.56914</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22757:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eerste beroep bewaring – beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22757:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.56914</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.Z. Sayin),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K. Bruin).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_dc269dd8-90f0-4b5f-9161-6a2d35993c88" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1982 en de Turkse nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Grondslag van de maatregel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring een motiveringsgebrek bevat. Voor een inbewaringstelling op grond van artikel 59a van de Vw dient er voldoende zicht op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat te zijn. Eiser verwijst hiertoe naar paragraaf A5/6.2 van de Vc.<footnote-ref linkend="_ef6df196-b71c-4bdd-86bb-847902f8808d" /> In de maatregel is opgenomen dat Kroatië deze verantwoordelijke lidstaat is, terwijl dat Duitsland is. Eiser is tijdens het gehoor onjuist geïnformeerd over de lidstaat die verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Vervolgens is een claimverzoek verstuurd naar de Duitse autoriteiten.</para>
    <para />
    <para>3. Bij de toetsing of de vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring kan worden gesteld, is bepalend of de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_76f845e5-0c63-4614-a179-84ae30493a8d" /> op de vreemdeling van toepassing is.<footnote-ref linkend="_8b6cd18b-ce8f-4eb4-85f1-128d7c9fe2c8" /> Op grond van artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb<footnote-ref linkend="_0e2f436a-d22c-4af1-881d-7cb450aef862" /> moet een concreet aanknopingspunt voor overdracht als bedoeld in de Dublinverordening bestaan om een vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, in bewaring te kunnen stellen.<footnote-ref linkend="_884f136d-85c9-4eb1-ba39-f2473919c6e1" /></para>
    <para />
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank waren er bij het opleggen van de maatregel voldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de Dublinverordening op eiser van toepassing was, gelet op de Eurodac-treffers. Het is daarbij niet vereist dat er op dat moment een concreet land van overdracht bekend is. Verweerder is niet gehouden om tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling eisers bezwaren te vragen tegen een overdracht aan de mogelijke lidstaten. Daar is de Dublinprocedure voor bestemd. De rechtbank volgt in het kader van het toetsen van de maatregel van bewaring dan ook niet dat eiser onjuist geïnformeerd is door tijdens het gehoor een mogelijke overdracht aan Duitsland niet te bespreken. Van belang is dat uit het systeem is gebleken van Eurodac-treffers, wat maakt dat verweerder de maatregel van bewaring heeft mogen baseren op artikel 59a van de Vw. Dat er na nader onderzoek voor is gekozen om een terugnameverzoek aan Duitsland te versturen, terwijl tijdens het gehoor is gesproken over Kroatië, doet daar niet aan af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_1b616ba9-e8b8-4020-b6a4-da441813af6c" /> vermeld dat eiser:<?linebreak?></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit</emphasis>;<?linebreak?></para>
    <para>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_fb840110-cd20-4316-8c91-81b23c0c8b18" /> vermeld dat eiser:<?linebreak?></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan</emphasis>. </para>
    <para />
    <para>6. Eiser betwist alle zware aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Wat betreft de zware grond 3a stelt eiser dat de feitelijke toelichting in de maatregel niet klopt, nu daarin staat dat Kroatië verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Ook heeft hij niet verklaard dat hij nooit een paspoort heeft gehad, maar heeft hij verklaard dat hij zijn paspoort heeft moeten afgeven aan een tolk in Kroatië. Ten aanzien van de zware grond 3b stelt eiser ook dat de feitelijke toelichting onjuist is. Hij heeft zich niet onttrokken aan het toezicht van de Nederlandse autoriteiten, maar aan het toezicht van de Duitse autoriteiten.</para>
    <para />
    <para>7. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a en 3b volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Eiser beschikt niet over een paspoort of een visum. Dit maakt dat de zware grond 3a feitelijk juist is en deze wordt terecht aan eiser tegengeworpen. Verder heeft eiser zich wel aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken, door zijn illegale verblijf in Nederland niet te melden. Dit maakt ook de zware grond 3b feitelijk juist. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware grond 3d behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is. Dit betekent ook dat sprake was van een significant risico op onderduiken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Hij heeft een groot belang bij een vrijwillige terugkeer naar Duitsland. Hij wil zo snel mogelijk terugkeren in verband met zijn lopende asielprocedure. Het was altijd zijn bedoeling om binnen korte termijn terug te keren naar Duitsland. Eiser wijst er verder op dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft uitgelegd dat hij lijdt aan epilepsie, maar dat hij sinds een maand geen medicatie meer gebruikte. Hij heeft deze medicatie via de medische dienst in het detentiecentrum weer verkregen. In de maatregel wordt ten onrechte geen rekening gehouden met zijn epilepsie en benodigde medicatie. De maatregel is geen volledige weergave van de medische problematiek. Dat eiser tijdens het gehoor verklaarde geen medicatie te gebruiken, is geen reden om aan te nemen dat zijn medische situatie (en chronische ziekte) geen rol speelt in het kader van een lichter middel. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 26 juli 2022.<footnote-ref linkend="_b4e86fcb-2839-4f2e-8b9b-57d3755072e5" /></para>
    <para />
    <para>9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een significant risico op onderduiken is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel, zoals een meldplicht, doeltreffend is om het risico op onderduiken te ondervangen. Verder wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat het lichter middel onzorgvuldig gemotiveerd is. Eiser heeft tijdens het gehoor immers verklaard niet onder behandeling van een arts te staan en geen medicatie te gebruiken. Ook zei hij geen dokter nodig te hebben. Ondanks dat eiser heeft verklaard op dit moment niet onder actieve behandeling te staan, geen medicatie te gebruiken en geen dokter nodig te hebben, is hij in de maatregel van bewaring gewezen op de medische dienst in het detentiecentrum. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, treft daarom al geen doel, nu de vreemdeling in dat geval tijdens het gehoor wel had aangegeven medische te problemen te hebben en verweerder dat niet meegewogen had de maatregel.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 2 december 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_dc269dd8-90f0-4b5f-9161-6a2d35993c88" label="1">
    <para>Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef6df196-b71c-4bdd-86bb-847902f8808d" label="2">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_76f845e5-0c63-4614-a179-84ae30493a8d" label="3">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b6cd18b-ce8f-4eb4-85f1-128d7c9fe2c8" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:919.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0e2f436a-d22c-4af1-881d-7cb450aef862" label="5">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_884f136d-85c9-4eb1-ba39-f2473919c6e1" label="6">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2070.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1b616ba9-e8b8-4020-b6a4-da441813af6c" label="7">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fb840110-cd20-4316-8c91-81b23c0c8b18" label="8">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b4e86fcb-2839-4f2e-8b9b-57d3755072e5" label="9">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2022:14730.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>