<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:22752</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-02T13:32:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.56479</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22752">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22752</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-02T13:31:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:22752 Rechtbank Den Haag , 02-12-2025 / NL25.56479</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22752:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eerste beroep bewaring – beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22752:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.56479</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K. Bruin).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw<footnote-ref linkend="_f141c6e5-a8f8-42c1-83e9-56e6b94cf8a7" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw [naam]. Verweerde heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Grondslag van de maatregel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser betwist de grondslag van de maatregel van bewaring. Hij wijst erop dat zijn identiteit en nationaliteit al vaststonden in de eerdere asielprocedure, dus kan hij niet in bewaring worden gesteld om zijn identiteit vast te stellen. Verweerder heeft erkend dat aan zijn identiteit niet wordt getwijfeld. Gelet op het feit dat eiser is staande gehouden terwijl hij zijn meldplicht naleefde, doet vermoeden dat er geen risico op onttrekken aan het toezicht bestaat.</para>
    <para />
    <para>3. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring heeft mogen baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend en hij is niet in het bezit van identificerende documenten. Dat zijn opgegeven identiteitsgegevens in een eerdere asielprocedure zijn gevolgd, betekent niet dat deze ook vaststaan. Het is dan aan verweerder om zijn verklaringen over zijn identiteit te onderzoeken. Daarnaast blijkt uit wat de rechtbank hieronder zal bespreken dat sprake is van een reëel risico op onttrekking, zodat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van eisers asielaanvraag. Dat eiser zich aan zijn meldplicht heeft gehouden, maakt het voorgaande niet anders.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_5605d820-3e92-4568-84f9-7588bc06149f" /> vermeld dat eiser:<?linebreak?></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer</emphasis>;<?linebreak?></para>
    <para>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_e1fde335-ef87-4a12-8061-bd4adff4f0ef" /> vermeld dat eiser:<?linebreak?></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan</emphasis>. </para>
    <para />
    <para>5. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a stelt eiser dat zijn illegale inreis hem niet kan worden tegengeworpen. Wanneer een vreemdeling vlucht uit het land van herkomst is het veelal niet veilig of is er geen tijd om een visum aan te vragen. Begrijpelijkerwijs wordt dan gekozen voor een irreguliere binnenkomst in Europa. Wat betreft zware grond 3c stelt eiser dat het zo mag zijn dat zijn asielaanvraag negatief is geëindigd, maar dat heeft er niet toe geleid dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Hij hield zich netjes aan de meldplicht en was aanwezig op de COa<footnote-ref linkend="_cf693bac-91a8-4fe1-b7f5-fe301f8201e8" />-locatie.</para>
    <para />
    <para>6. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a en 3c volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Eiser beschikt niet over een paspoort of een visum. Dit maakt dat de zware grond 3a feitelijk juist is en deze wordt terecht aan eiser tegengeworpen. Ook de zware grond 3c acht de rechtbank feitelijk juist. Eiser heeft immers een afwijzende beschikking ontvangen op 5 juni 2025. Hij heeft geen gevolg gegeven aan de vertrekplicht die uit de beschikking volgt. Dat eiser zich aan de meldplicht heeft gehouden, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Eiser stelt dat uit de maatregel niet blijkt dat een redelijke belangenafweging is gemaakt ten aanzien van de vraag of lichter middel moet worden toegepast. Hij kan de behandeling van zijn herhaalde asielaanvraag immers ook op een opvanglocatie afwachten. Hij heeft in het verleden aangetoond dat hij zich houdt aan de meldplicht en zich beschikbaar houdt op de opvanglocatie.</para>
    <para />
    <para>8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om dit risico te ondervangen. Wegens het onttrekkingsgevaar kan hij zijn asielaanvraag niet in vrijheid afwachten. Dat eiser zich aan zijn meldplicht heeft gehouden, doet niet af aan het feit dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrekplicht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 2 december 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f141c6e5-a8f8-42c1-83e9-56e6b94cf8a7" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5605d820-3e92-4568-84f9-7588bc06149f" label="2">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1fde335-ef87-4a12-8061-bd4adff4f0ef" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf693bac-91a8-4fe1-b7f5-fe301f8201e8" label="4">
    <para> Centraal Orgaan opvang asielzoekers.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>