<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:22554</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-07-16T10:48:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.41810</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2026:3091" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2026:3091, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22554">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22554</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-28T13:35:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:22554 Rechtbank Den Haag , 27-11-2025 / NL25.41810</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22554:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De brief van de minister over de gevolgen van de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb / mondelinge uitspraak / rechtbank is onbevoegd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22554:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.41810</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">27 november 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, de minister</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes-de Jonge).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij brief van 16 juli 2025 heeft de minister eiser laten weten dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025. Daarin is aan eiser meegedeeld dat hij Nederland binnen 4 weken moet verlaten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van 16 juli 2025 en verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening<footnote-ref linkend="_0020bff7-80c6-458b-8e99-d37477a164e9" /> op 29 oktober 2025 afgewezen.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Na afloop van de zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit is opgelegd. De asielaanvraag van eiser is met het besluit van 30 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen voornoemde besluiten, zodat de besluiten in rechte vaststaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de brief van 16 juli 2025 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.<footnote-ref linkend="_2839224d-5505-4fba-a7c4-0360278e030f" /> De facultatieve tijdelijke bescherming voor de groep derdelanders is per 4 maart 2024 geëindigd. De brief van 16 juli 2025 informeert over de gevolgen van de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025. Met deze informatiebrief zijn echter geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen. De rechtsgevolgen zijn namelijk het gevolg van de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming zelf en van het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit. Omdat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is dat onherroepelijk geworden. Dat de Afdeling<footnote-ref linkend="_4d98f3d7-5374-4cee-adbd-25e2d4c0293d" /> later, in de uitspraak van 23 april 2025, heeft geoordeeld dat de terugkeerbesluiten te vroeg waren genomen maakt dit niet anders. Ook is het terugkeerbesluit niet ingetrokken met de brief van 16 juli 2025. De rechtbank is verder van oordeel dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf geeft, zodat bij de beëindiging daarvan geen nieuw terugkeerbesluit vereist is. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 31 oktober 2025.<footnote-ref linkend="_7404ea8d-5112-4637-9005-20739d003cc2" /> Deze uitspraak is niet gepubliceerd en wordt bijgevoegd. De beëindiging van de bevriezingsmaatregel is evenmin een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank is, gelet op het voorgaande, onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025 door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit proces-verbaal is bekendgemaakt en door middel van gepseudonimiseerde publicatie openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
        </para>
        <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_0020bff7-80c6-458b-8e99-d37477a164e9" label="1">
    <para> NL25.41811.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2839224d-5505-4fba-a7c4-0360278e030f" label="2">
    <para> Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4d98f3d7-5374-4cee-adbd-25e2d4c0293d" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7404ea8d-5112-4637-9005-20739d003cc2" label="4">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:5214.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>