<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:22445</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-02T11:41:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 24 _ 2794</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2026022308</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2026/0385</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2026-0359</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22445">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22445</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-23T11:19:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:22445 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 / AWB - 24 _ 2794</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22445:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>IB/PVV - Nu de rechtbank aannemelijk acht dat, anders dan eiser(es) stelt, de rc-vordering van de Holding BV op eiser heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding, heeft eiser(es) een regulier voordeel genoten en is vermogen van Holding BV op eiser(es) overgegaan ter grootte van de kwijtgescholden rc-schuld. Verweerder heeft terecht de helft hiervan in box 2 als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij eiser(es) in aanmerking genomen bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22445:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/2794</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres<?linebreak?>(gemachtigde: mr. R.J. de Jong),</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>En</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bestreden uitspraak op bezwaar </title>
    <para>De uitspraak van verweerder van 30 januari 2024 op het bezwaar van eiseres tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), alsmede de daarbij vastgestelde vergrijpboete en in rekening gebrachte belastingrente. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting </title>
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. </para>
      <para>Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en diens kantoorgenoten mr. M.N.H. Hintzen en [naam 1], alsmede door haar broers [naam 2] en [naam 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] LLM MSc en [medewerker belastingdienst 3] MSc.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak van eiseres is gelijktijdig behandeld met de zaken van haar echtgenoot [naam 4] (SGR 24/2755), van haar broer [naam 2] (SGR 24/2776) en zijn echtgenote [naam 5] (SGR 24/2780), van haar broer [naam 3] (SGR 24/2770) en diens echtgenote [naam 6] (SGR 24/2788), van wijlen haar vader [naam 7] (SGR 24/2783), en van haar moeder [naam 8] (SGR 24/2766). </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vermindert de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 12.467;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 341,87;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 33,13;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 115,36;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 115,36.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1981 en is sinds [datum 1] 2005 gehuwd met de heer [naam 4] (hierna ook: partner).</para>
    <para />
    <para>2. Sinds [datum 2] 2008 was eiseres enige aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 1] BV (Holding BV). Holding BV hield 4% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] BV. Eiseres hield daarnaast vanaf 19 november 2002 20% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] BV, die op haar beurt 80% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] BV in bezit had. Haar beide broers [naam 3] en [naam 2] en wijlen haar vader, hielden in dezelfde mate als eiseres via persoonlijke houdstervennootschappen en via rechtstreekse belangen in [bedrijfsnaam 3] B.V., middellijk aandelenbelangen in [bedrijfsnaam 2] B.V. In [bedrijfsnaam 2] B.V. werd een rijschool gedreven, naar de rechtbank begrijpt door wijlen de vader van eiseres en wijlen haar broer [naam 9] ([naam 9]). </para>
    <para />
    <para>3. In de aangiften vennootschapsbelasting (VPB) van Holding BV voor de jaren 2010 tot en met 2014 zijn onder de post “649 Vorderingen” onder “Vorderingen particip./mijen waarin deelgenomen” bedragen vermeld van respectievelijk € 102.706, € 141.962, € 184.445, € 209.516, € 224.310 en € 233.350. Partijen verstaan deze bedragen als een op de balans van Holding BV geboekte rekening-courant vordering (rc-vordering) op eiseres. </para>
    <para />
    <para>4. In de aangiften IB/PVV voor de jaren 2013 en 2014, heeft eiseres onder de post “30 schulden” voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, een rekening-courantschuld (rc-schuld) aan Holding BV aangegeven van respectievelijk € 214.450 en € 224.310 met daarbij als saldo vermeld € 233.350.</para>
    <para />
    <para>5. Tot 30 november 2015 was eiseres enig bestuurder van Holding BV. Op die datum is zij afgetreden als bestuurder en is Stichting [stichting 1] aangetreden als bestuurder. Gelijktijdig met deze bestuurswisseling is de leiding van Holding BV verplaatst naar [adres 1] te [plaats 1].</para>
    <para />
    <para>6. Op 25 mei 2016 is eiseres met Holding BV een vaststellingsovereenkomst overgekomen waarin voor zover van belang, het volgende is vermeld: </para>
    <parablock>
      <para>“** na de bestuurswisseling en adreswisseling de nieuwe bestuurder de ontvangen administratie heeft gecontroleerd.</para>
      <para>** na voornoemde controle nader uitvoerig onderzoek noodzakelijk bleek op het punt van de Rekening-Courant schuld van de vorige bestuurder in privé, welke als zodanig op de balans van de BV staat vermeld.</para>
      <para>** bij het nadere onderzoek naar deze Rekening-Courant schuld in privé aan de BV ongegrond is gebleken en aldus niet bestaat.</para>
      <para>** de administratie van de [bedrijfsnaam 1] BV aangepast dient te worden.</para>
      <para> (…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Komen overeen dat</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para>1. de Rekening-Courant schuld welke thans op de balans van [bedrijfsnaam 1] BV als een vordering op mevrouw [eiseres] in privé staat, na nader onderzoek vanwege de huidige bestuurder, als niet correct dient te worden aangemerkt.</para>
    <para>2. de vordering groot € 249.358,15 bestempeld als privé schuld van mevrouw [eiseres] aan haar voormalige holding per heden als foutief aangemerkt moet worden.</para>
    <para>3. de Rekening-Courant schuld, onder 2 hierboven vermeld, van mevrouw [eiseres] in zijn geheel, vanwege de reden beschreven onder 1 hierboven, wordt kwijtgescholden.</para>
    <para>4. de balans van de [bedrijfsnaam 1] BV zal worden aangepast.</para>
    <para>5. beide partijen over en weer thans niets meer van elkaar te vorderen hebben.” </para>
    <para />
    <para>7. Per 30 augustus 2016 is de leiding van Holding BV verplaatst naar [adres 2], [plaats 2] te [land]. </para>
    <para />
    <para>8. Op 21 oktober 2016 heeft wederom een bestuurswisseling bij Holding BV plaatsgevonden, waarbij Stichting [stichting 1] is afgetreden als bestuurder en Stichting [stichting 2] is aangetreden als nieuwe bestuurder. </para>
    <para />
    <para>9. Holding BV is ontbonden op 21 december 2016.</para>
    <para />
    <para>10. Eiseres heeft op 29 maart 2018 de aangifte IB/PVV 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.039, bestaande uit:</para>
    <parablock>
      <para>Loon [bedrijfsnaam 4] BV			€ 55.572</para>
      <para>Inkomsten uit eigen woning		<emphasis role="underline">€   5.533 -/-</emphasis></para>
      <para>Totaal 					€ 50.039</para>
      <para>De rechtbank verstaat dat de rijschool van [bedrijfsnaam 2] B.V. op enig moment is voortgezet in [bedrijfsnaam 4] B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Naar aanleiding van de ingediende aangifte IB/PVV 2016 heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rekening-courantverhouding tussen eiseres en Holding BV. </para>
    <para />
    <para>12. Bij brief van 11 augustus 2020 is een voornemen tot afwijken van de ingediende aangifte IB/PVV 2016 en een kennisgeving van de vergrijpboete verzonden naar eiseres. </para>
    <para />
    <para>13. Op 7 oktober 2020 heeft een gesprek tussen verweerder en eiseres plaatsgevonden waarvan een verslag is opgemaakt.</para>
    <para />
    <para>14. Met dagtekening 13 november 2020 is de definitieve aanslag IB/PVV 2016 vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 174.718, waarbij als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang de helft, te weten € 124.679, van de kwijtgescholden rc-schuld in aanmerking is genomen (de andere helft is bij de fiscale partner van eiseres (zaaknummer SGR 24/2755) in aanmerking genomen). Daarnaast is een vergrijpboete van 50%, zijnde € 15.584 opgelegd en is € 4.035 aan belastingrente in rekening gebracht. </para>
    <para />
    <para>15. Nadat eiseres op 4 augustus 2023 verweerder heeft laten weten af te zien van het recht om te worden gehoord, heeft verweerder op 30 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan waarbij de aanslag IB/PVV 2016 en de vergrijpboete zijn gehandhaafd. </para>
    <para />
    <para>16. In geschil is de hoogte van de aanslag. Meer in het bijzonder is in geschil of door de kwijtschelding van de rc-schuld, eiseres een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Tevens is de vergrijpboete in geschil. </para>
    <para />
    <para>17. Eiseres heeft gesteld dat de rc-vordering zoals ook is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst, nooit heeft bestaan, zodat er geen regulier voordeel kan zijn genoten uit aanmerkelijk belang. Immers, zo stelt eiseres, heeft zij nooit geld opgenomen van de vennootschap. Eiseres wijst daartoe op de aan verweerder overlegde bankafschriften. Daarnaast heeft eiseres gesteld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel en geen oog heeft gehad voor de menselijke maat. Voorts acht eiseres deze heffing over fictief inkomen in strijd met het ongestoorde recht op eigendom, en vormt deze voor haar een individuele en buitensporige last. </para>
    <para>Dit heeft ook als gevolg dat er geen enkele grond is om een boete op te leggen. Degenen die eiseres gevraagd hadden om met een persoonlijke houdstervennootschap deel te nemen in de autorijschool en daartoe alle administratie bijhielden, waren de vader van eiseres en haar [naam 9], die beiden zijn overleden. Eiseres is zelf nooit betrokken geweest bij de administratie van de rijschool en van Holding BV. Omdat [bedrijfsnaam 2] in de loop der tijd een slechte reputatie had opgebouwd, was een nieuwe (door)start van de rijschool nodig. Vanwege die doorstart waren volgens eiseres ook de bestuurswisselingen van Holding BV nodig. De persoon van de nieuwe bestuurder, [naam 10], heeft eiseres nooit ontmoet. </para>
    <para />
    <para>18. Verweerder betwist de stelling van eiseres dat er nooit een rc-vordering op eiseres heeft bestaan, aangezien in de ingediende aangiften VPB voor de jaren 2010 tot en met 2014 een rc-vordering is opgenomen van Holding BV op eiseres. Deze vordering loopt in de loop der jaren enkel op; er is niet gebleken van rentebetalingen of aflossingen. Er is daarom gedurende alle jaren geen sprake van een sluimerende post die jaren achtereen lukraak werd opgevoerd; integendeel, de balanspost muteerde jaarlijks. Daarbij blijkt tevens van een corresponderende schuld in de aangiften IB/PVV 2013 en 2014 van eiseres. Aangezien het niet bestaan van de rc-schuld slechts berust op een blote stelling van eiseres, is de kwijtschelding daarvan volgens verweerder onzakelijk en is deze terecht (voor de helft) als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij eiseres in aanmerking genomen. Gegeven de omvang van de correctie stelt verweerder dat de vereiste aangifte niet is gedaan. </para>
    <para>Daarnaast is volgens verweerder terecht op basis van artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een vergrijpboete van 50% opgelegd aangezien er sprake is van voorwaardelijk opzet. De volgorde en samenhang van gebeurtenissen zoals hierboven omschreven tonen overtuigend aan dat eiseres zich bewust was van het feit dat zij bevoordeeld werd door het kwijtschelden van de rc-schuld. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vereiste aangifte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>19. Voor de heffing van IB/PVV (hierna: belasting) geldt dat bijvoorbeeld bij het niet aangeven van een bepaald genoten voordeel, slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.<footnote-ref linkend="_e6137550-1609-4ca0-8b77-18d8bda6a47c" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Regulier voordeel uit aanmerkelijk belang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>20. Op verweerder rust de bewijslast van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De correctie wordt gevormd door de bijtelling van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, die zijn oorzaak vindt in de kwijtschelding van de rc-schuld van eiseres aan Holding BV. Voor die kwijtschelding zijn volgens verweerder geen zakelijke redenen, immers voor Holding BV verdwijnt met de kwijtschelding het belangrijkste activum dat stond tegenover een in omvang vergelijkbare schuld van Holding BV aan groepsvennootschappen. Door deze kwijtschelding is vermogen van Holding BV overgegaan op eiseres die zonder daar iets tegenover te stellen werd bevrijd van haar rc-schuld. De kwijtschelding heeft daarom geleid tot een voordeel voor eiseres, in haar hoedanigheid van aandeelhouder opgekomen als vermomd of verkapt dividend. Voor haar stelling dat de rc-vordering tot het moment van kwijtschelding jarenlang heeft bestaan, heeft verweerder gewezen op de aangiften VPB van Holding BV voor de jaren 2010 tot en met 2014, op de aangiften IB/PVV ten name van eiseres voor de jaren 2013 en 2014, alsmede op de vaststellingsovereenkomst (zie onder 6). Ook heeft verweerder in dit verband erop gewezen dat de aangiften VPB namens eiseres steeds door een professioneel accountantskantoor en later administratie/belastingadvieskantoor werden opgesteld en ingediend; gesteld noch gebleken is dat door deze kantoren ooit vraagtekens zijn geplaatst bij de rc-vordering. Ook uit de vaststellingsovereenkomst leidt verweerder af dat de rc-vordering wel degelijk heeft bestaan, aangezien daarin is vermeld dat de schuld uit de vordering wordt kwijtgescholden. </para>
    <para>Dat eiseres de aangifte IB/PVV 2016 heeft ingediend, door of namens haar de voormelde aangiften VPB zijn ingediend, zij de vaststellingsovereenkomst heeft getekend, en zij alle aandelen hield in Holding BV, maakt dat zij zich bewust was van deze bevoordeling. </para>
    <para />
    <para>21. Tegen hetgeen verweerder heeft gesteld en aangevoerd, heeft eiseres ingebracht dat nooit sprake is geweest van een rc-schuld aan Holding BV. Dat deze vordering wel meerdere jaren op de balans van Holding BV heeft gestaan en ook was opgenomen als corresponderende schuld in box 3, berust volgens eiseres op onjuiste, foute boekingen. Eiseres wijst er in eerste instantie op dat wijlen haar vader en [naam 9], verantwoordelijk waren voor de administratie, en eiseres daar niets mee te maken had. Ook bij de latere gang van zaken zoals de bestuurswisseling, was eiseres niet betrokken. Dat sprake was van foute boekingen is vastgesteld door een accountant die was ingeschakeld door de heer [naam 10] namens Stichting [stichting 1], die daarover een rapport had opgemaakt. Eiseres heeft er nog op gewezen nooit voordelen uit Holding BV te hebben genoten, zij genoot slechts een loon uit [bedrijfsnaam 2] B.V. </para>
    <para />
    <para>22. Met hetgeen verweerder heeft gesteld en aangevoerd, acht de rechtbank aannemelijk dat de rc-vordering van Holding BV op eiseres heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding. Tevens acht de rechtbank aannemelijk gemaakt dat vanwege deze kwijtschelding eiseres een regulier voordeel heeft genoten en vermogen van Holding BV op eiseres is overgegaan ter grootte van de kwijtgescholden rc-schuld. Eiseres is daardoor van haar – na jaren hoog opgelopen – rc-schuld aan Holding BV bevrijd. Aangezien voor de kwijtschelding er geen zakelijke redenen waren, is dat voordeel tot eiseres gekomen als een verkapte uitdeling<footnote-ref linkend="_f6b812ef-04a3-4cdc-8d1c-dfb43ee86011" />. Dat eiseres, zijnde 100% aandeelhouder en voormalig bestuurder, zich hiervan bewust was, acht de rechtbank aannemelijk met hetgeen verweerder overigens in dit verband heeft aangevoerd. </para>
    <parablock>
      <para>Hetgeen eiseres daar tegenin heeft gebracht, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt daartoe dat eiseres als directeur-aandeelhouder een eigen verantwoordelijkheid had voor de fiscale verplichtingen van Holding BV en die van haarzelf. Dat zij de administratie geheel aan anderen overliet, en deze administratie in 2015 bij de bestuurswisseling geheel uit handen is gegeven aan de nieuwe bestuurder en daarvan niets is terug te vinden, dient voor rekening en risico van eiseres te blijven. Dat geldt ook – althans zo begrijpt de rechtbank de verklaring ter zitting van eiseres – voor het feit dat [naam 10] en de heer [naam 11], administrateur van de rijschool, niet hebben willen of kunnen verklaren over het vermeende onderzoek naar de rc-vordering of over andere zaken die mogelijk licht zouden kunnen werpen op het ontstaan van de rc-vordering. De rechtbank overweegt voorts dat eiseres weliswaar heeft gewezen op door een accountant verricht onderzoek naar de rc-vordering die daarvan een rapport had vervaardigd, maar eiseres tevens verklaart de naam van deze accountant, die volgens haar inmiddels is overleden, niet te kennen en het rapport zelf nooit te hebben gezien. Aangezien ook overigens niets is gebleken omtrent het bestaan van dit onderzoek en rapport, moet de rechtbank constateren dat het – zoals ook verweerder heeft vastgesteld – blijft bij blote stellingen van eiseres. </para>
      <para>Weliswaar heeft eiseres nog aangegeven dat het opzetten van Holding BV ertoe diende dat vader en [naam 9] haar deelgenoot wilden maken van de rijschool, maar hoe dat in zijn werk is gegaan, ook daarover heeft eiseres niets kunnen verklaren. </para>
      <para>De rechtbank overweegt nog dat anders dan eiseres lijkt te stellen, voor het aannemen van een verkapt dividend, niet behoeft te worden bewezen dat eiseres daadwerkelijk geld heeft opgenomen van rekeningen op naam van Holding BV, nog afgezien van het feit dat verweerder een dergelijke opname niet heeft gesteld en door hem onweersproken is  geconstateerd dat er veel hiaten zijn in de overgelegde bankafschriften. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Omkering en verzwaring bewijslast</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>23. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat verweerder de door hem aangebrachte correctie voor het volledige bedrag aannemelijk heeft gemaakt. Gegeven de omvang van de correctie, in dit geval € 124.679, heeft het niet aangeven van het regulier voordeel uit aanmerkelijk belang ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiseres had zich hier bewust van moeten zijn, in die zin dat zij had behoren te weten dat door het voordeel niet in haar aangifte op te nemen, een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dit betekent dat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan met als gevolg dat de in artikel 27e, eerste lid, AWR voorziene sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast wordt toegepast, inhoudende dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank overweegt dat eiseres met al hetgeen zij heeft gesteld en aangevoerd niet overtuigend heeft aangetoond dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. Aangezien verweerder voor de correctie is aangesloten bij (de helft) van het bedrag van de kwijtschelding, is geen sprake van een onredelijke of willekeurige bijtelling. Verweerder heeft derhalve terecht de helft van de kwijtgescholden vordering als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in box 2 in aanmerking genomen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vergrijpboete</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>24. Op grond van artikel 67d AWR kan – voor zover hier van belang – een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan opzet van een belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet, hetgeen eiseres wordt verweten. Om te kunnen oordelen dat eiseres met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld, moet vaststaan (i) dat zij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat zij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).<footnote-ref linkend="_30ac41e2-9d65-4b23-a6a9-09d8415c7bcd" /> Voorwaardelijk opzet kan, als bestanddeel van een beboetbaar feit, alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering ‘doen blijken’, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.<footnote-ref linkend="_5a1c3728-2891-4fb4-823d-966c4b9eeff6" /></para>
    <para />
    <para>25. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft doen blijken dat er sprake is van voorwaardelijk opzet, aangezien eiseres door het niet aangeven van de uitdeling als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres zelf heeft getekend voor de kwijtschelding ondanks het feit dat uit de evenzeer door haar ingediende aangiften VPB, viel op te maken dat zij daarmee Holding BV zou benadelen door deze vennootschap haar belangrijkste en meest waardevolle activum te ontnemen waardoor Holding BV werd verarmd en eiseres werd verrijkt; de activa van Holding BV bestonden in alle jaren uit nauwelijks meer dan de rc-vordering op eiseres en daarnaast een deelneming. Dat het bij de rc-vordering inmiddels ging om een na jaren hoogopgelopen bedrag, kon eiseres niet zijn ontgaan, aangezien dat bedrag was vermeld in de door haar getekende vaststellingsovereenkomst. Deze feiten en omstandigheden staan naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast. Eiseres heeft hier ook niets  anders tegenin gebracht dan haar stelling dat de rc-vordering nooit bestaan zou hebben. </para>
    <para>De rechtbank acht de boete – mede in aanmerking genomen dat weliswaar sprake is van het niet doen van de vereiste aangifte, maar de grondslag ook zonder omkering en verzwaring van de bewijslast is komen vast te staan – passend en geboden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Redelijke termijn </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>26. Dat een vergrijpboete zou worden opgelegd is eiseres voor het eerst meegedeeld op 11 augustus 2020. Bij het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn dan overschreden met 3 jaar en 2 maanden. De boete beloopt € 15.584. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank vindt hierin aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn gevolgen te verbinden, en zal de boete verminderen met 20 procent tot € 12.467.<footnote-ref linkend="_afdfdc84-d924-4927-9105-896f58d1a7cf" /> De vermindering van de boete leidt niet tot een gegrond beroep omdat sprake is van een door de rechtbank ambtshalve bijgebrachte grond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Evenredigheidsbeginsel/menselijke maat</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>27. Anders dan eiseres stelt, is niet gebleken dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld en geen oog zou hebben gehad voor de menselijke maat. De rechtbank overweegt in dit verband dat gesteld zou kunnen worden dat geen sprake is van een evenredige heffing in geval deze niet zou berusten op een bewezen rc-schuld die is kwijtgescholden door Holding BV. In dat geval ook zou met het handhaven van de aanslag de menselijke maat uit het oog verloren kunnen worden. Aangezien de rechtbank echter het bestaan van de rc-schuld wel bewezen acht, ontvalt daarmee de grond  voor deze standpunten van eiseres. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat aan eiseres in de bezwaarfase mogelijkheden zijn geboden, en benut, om met verweerder meermaals in contact te treden, niet alleen om bezwaren in te kunnen brengen tegen de aanslag, maar ook om de mogelijkheid van een compromis te beproeven. Ook verweerder heeft gepoogd de zaak in der minne te schikken.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Eigendomsrecht en individuele en buitensporige last</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>28. Eiseres heeft aangevoerd dat het betalen van de aanslag mogelijk leidt tot het moeten interen op vermogen. Verweerder heeft in dit verband opgemerkt dat met de ontvanger afspraken zijn te maken omtrent betalingsregelingen. </para>
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht hetgeen eiseres in dit verband heeft aangevoerd onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij zal moeten interen op vermogen. De rechtbank merkt daarbij op dat eiseres geen enkel inzicht heeft verschaft in haar huidige inkomen en vermogen. De rechtbank concludeert daarom dat niet aannemelijk is dat de aanslag leidt tot een individuele en buitensporige last en mitsdien geen sprake is van strijd met het eigendomsrecht.</para>
      <para>In het voorgaande is reeds geoordeeld dat eiseres vanwege de kwijtschelding van de rc-schuld aan Holding BV een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Het standpunt van eiseres dat het in de belastingheffing betrekken van dit voordeel in strijd is met het eigendomsrecht van artikel 1 EP bij het EVRM, berust op een onjuiste rechtsopvatting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>29. Aangezien verweerder de belastingrente op grond van artikel 30fc AWR heeft berekend over het positieve bedrag van de belastingaanslag over de door hem aangegeven periode, is niet gebleken dat de belastingrente niet tot de juiste hoogte is vastgesteld.</para>
    <para />
    <para>30. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verzoek om een immateriële schadevergoeding </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>31. Eiseres heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding aangezien eiseres door overschrijding van de redelijke termijn immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Eiseres heeft bij brief van 7 december 2020 bezwaar gemaakt, de uitspraak op bezwaar is van 14 februari 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 13 november 2025, zodat hiermee de redelijke termijn van twee jaar met afgerond 34 maanden is overschreden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die een verlenging van de redelijke termijn zouden rechtvaardigen. </para>
    <para>De rechtbank stelt de immateriële schadevergoeding vast op € 3.000 (€ 500 per half jaar) en bepaalt dat deze vergoeding voor een bedrag van € 2.735 (31/34*€ 3000) dient te worden toegerekend aan de bezwaarfase zodat verweerder veroordeeld wordt tot vergoeding van dit bedrag aan eiseres en de overige vergoeding € 265 (3/34*€ 3.000) dient te worden toegerekend aan de beroepsfase, zodat de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag. In de omstandigheid dat de zaak van eiseres gezamenlijk is behandeld met de zaken van zeven andere familieleden die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, vindt de rechtbank aanleiding om het bedrag van de immateriëleschadevergoeding te matigen<footnote-ref linkend="_699d8b3a-2c2a-4550-b3e9-63b6ba3cf6be" />. Aan eiseres wordt derhalve een vergoeding toegekend van in totaal € 375 ([€ 2.735+265]*1/8). </para>
    <para />
    <para>32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel vast op € 1.845,75 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907, met een factor 1,5 wegens samenhang en een wegingsfactor 0,5). In de omstandigheid dat verweerder slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres wegens een vergoeding voor immateriële schade, vindt de rechtbank aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak te hanteren van 0,5 (licht). Tevens moet hierbij in aanmerking worden genomen dat de zaken die gelijktijdig met deze zaak op zitting zijn behandeld met elkaar samenhangen als bedoeld in artikel 3 van het Besluit<footnote-ref linkend="_9c528b6d-3970-452e-a7d4-d4b6bb541239" />. Daarmee komt de proceskostenvergoeding voor de onderhavige zaak op € 230,72 (€ 1.845,75/8). Verweerder en de Staat nemen hierbij ieder de helft voor hun rekening.</para>
    <para />
    <para>33. Eiseres heeft in haar aanvullend beroepschrift van 30 mei 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, die op 18 januari 2023 was overschreden, zodat eiseres recht heeft op vergoeding van het betaalde griffierecht.<footnote-ref linkend="_636e1161-6c42-4075-a4b6-39eefcf04a0f" /> Verweerder en de Staat nemen hierbij ieder de helft voor hun rekening.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).</para>
      <para>Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
    <para>2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. </para>
    <para>Verder vermeldt u ten minste het volgende:</para>
    <para>
      [naam 2] de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. de datum van verzending;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
    <para>d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e6137550-1609-4ca0-8b77-18d8bda6a47c" label="1">
    <para> HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f6b812ef-04a3-4cdc-8d1c-dfb43ee86011" label="2">
    <para>HR juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193 en HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_30ac41e2-9d65-4b23-a6a9-09d8415c7bcd" label="3">
    <para> HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, r.o. 3.6.2, en HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:124, r.o. 2.4.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a1c3728-2891-4fb4-823d-966c4b9eeff6" label="4">
    <para> HR 22 april 2005, nr. 37 984, BNB 2005/337</para>
  </footnote>
  <footnote id="_afdfdc84-d924-4927-9105-896f58d1a7cf" label="5">
    <para> Vgl Hof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298</para>
  </footnote>
  <footnote id="_699d8b3a-2c2a-4550-b3e9-63b6ba3cf6be" label="6">
    <para> vgl. HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2875, r.o. 3.2.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c528b6d-3970-452e-a7d4-d4b6bb541239" label="7">
    <para> vgl. HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_636e1161-6c42-4075-a4b6-39eefcf04a0f" label="8">
    <para> HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1-7.1.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>