<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:22168</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-26T13:34:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.43478 en NL24.43479</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22168">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22168</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-26T13:34:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:22168 Rechtbank Den Haag , 19-06-2025 / NL24.43478 en NL24.43479</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22168:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vaststelling geen verblijfsrecht EU-onderdaan - reële kans op werk - onvrijwillig werkloos - daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf bij zwervend bestaan - terugkeer naar land van herkomst - beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22168:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL24.43478 en NL24.43479</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. P.M. Langereis),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, <emphasis role="bold">voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 25 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en bepaald dat eiser binnen een maand Nederland dient te verlaten. Bij besluit van 9 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Poolse nationaliteit. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat eiser een zwervend bestaan leidt in Nederland, vaak in aanraking is gekomen met de politie vanwege overlast op straat, sinds april 2023 geen reële en daadwerkelijke arbeid meer verricht in Nederland en geen eigen middelen van bestaan heeft. Ook is niet gebleken dat eiser op zoek is naar werk en daarop een reële kans maakt. De vreemdelingenpolitie heeft daarom een voorstel tot vaststelling geen rechtmatig verblijf ten aanzien van eiser gedaan, omdat, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, twijfel was ontstaan over het verblijfsrecht van eiser in Nederland. Eiser is door de vreemdelingenpolitie gevorderd om op 25 april 2024 zijn zienswijze op dit voorstel te geven. Hoewel eiser de uitnodiging voor dit gehoor op 6 april 2024 in persoon heeft aangenomen, is eiser niet op dit gehoor verschenen. </para>
    <para />
    <para>4. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht.<footnote-ref linkend="_b1048daa-864c-4012-b68c-98bbe498e6ff" /> Verweerder heeft daarom aan eiser een verwijderingsmaatregel opgelegd. Daarbij heeft verweerder een belangenafweging gemaakt en het belang van eiser om in Nederland te blijven minder zwaar laten wegen dan het belang van de Nederlandse samenleving bij verwijdering van eiser. Verweerder heeft eiser een vertrektermijn van een maand opgelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Bij de beoordeling of eiser een werknemer is heeft verweerder ten onrechte een onjuiste norm gehanteerd. De periode van 3 maanden waarin geen arbeid is verricht geldt niet voor eiser, omdat vaststaat dat hij de status van werknemer heeft genoten. Verweerder had daarom moeten onderzoeken of eiser zijn status als werknemer verloren heeft. Ook is het aan verweerder te onderzoeken of sprake is van onvrijwillige werkloosheid en zo nodig aan te tonen dat hier geen sprake van is. Verweerder mag daarbij de bewijslast niet omkeren. Verweerder hanteert daarbij ook een te streng kader bij de beoordeling van onvrijwillige werkloosheid<footnote-ref linkend="_f391101d-818e-4ac8-9b6f-b5637d07f69e" /> en een reële kans op werk<footnote-ref linkend="_aaa94502-3fa2-450d-bf4d-e5ad319acbad" />. Om een nieuw verblijfsrecht te krijgen of bij terugkeer naar Nederland een nieuwe vrije termijn te genieten, moet eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigen. Verweerder heeft niet uitgelegd op welke manier eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief kan beëindigen en onder welke omstandigheden eiser terug kan keren naar Nederland. Volgens eiser blijkt uit het arrest F.S.<footnote-ref linkend="_3ac16c01-2850-44d1-91c8-07646d0fe828" /> dat er twee momenten zijn waarop getoetst wordt. Eerst moet voorafgaand aan het verwijderingsbesluit een inventarisatie worden gemaakt van de elementen die moeten worden betrokken bij de vaststelling of de banden van eiser met de lidstaat zijn verbroken. Daarna is het aan de gerechtelijke instantie om na te gaan of de banden met de lidstaat na het vertrek zijn verbroken. Verweerder had dus moeten benoemen wat van eiser wordt gevergd om daadwerkelijk en effectief zijn verblijf te beëindigen. Verweerder heeft een actieve informatieplicht hierover.<footnote-ref linkend="_566334b0-d02c-4d73-bdaf-6c5a0ff4f6ea" /> De stelling van verweerder dat eiser zijn daadwerkelijk vertrek kan aantonen door een inschrijving in de BRP<footnote-ref linkend="_9f055c85-c86b-46b4-80a6-b521e205f2e2" />, huurovereenkomsten of arbeidsovereenkomsten te overleggen uit een ander lidstaat, is in strijd met het verbod op ongelijke behandeling op grond van sociaaleconomische status. Nu het voor eiser onduidelijk is hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen, loopt hij het risico op vreemdelingenbewaring zonder voldoende duidelijke en voorzienbare juridische basis. Dit levert een schending van artikel 5 van het EVRM<footnote-ref linkend="_adfd5366-1a46-484f-b18e-18d610f7feba" /> op.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt verweerder in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland geniet. Uit de opgevraagde stukken van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) blijkt dat eiser sinds april 2023 geen inkomsten uit arbeid of uitkeringen heeft ontvangen. Ook aan de overige voorwaarden is niet voldaan. Uit de opgevraagde stukken van het UWV blijkt dat de redenen van beëindigen van zijn laatste dienstverband: “door opzegging werknemer, door toedoen werknemer of op initiatief van de werknemer” is geweest. Eiser heeft daarbij niet aangetoond dat hij onvrijwillig werkloos is geworden. Ook heeft eiser geenszins aangetoond dat hij op zoek is naar werk en een reële kans heeft op werk. Verder is het verwijderingsbesluit terecht opgelegd en zorgvuldig tot stand gekomen. Daarbij rust er geen actieve informatieplicht op verweerder.</para>
      <para>Een eventueel nieuw verblijf en inbewaringstelling van eiser in Nederland is een toekomstige omstandigheid, dus kan dan pas worden beoordeeld of het eerdere verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Verweerder benoemt nog dat in het verwijderingsbesluit ten onrechte is benoemd dat eiser zich naar Polen dient te begeven en corrigeert dit door te stellen dat in het verwijderingsbesluit had moeten worden opgenomen dat eiser het grondgebied van Nederland dient te verlaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Werkzoekende met reële kans op werk</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) volgt dat een Unieburger rechtmatig verblijf kan hebben in een lidstaat als werkzoekende en dat een lidstaat de werkzoekende een redelijke termijn moet toekennen om hen in staat te stellen werk te vinden.<footnote-ref linkend="_a8b41b6f-4f07-432c-aa1d-2783ffde7656" /> Uit het arrest G.M.A.<footnote-ref linkend="_de56314d-65dc-4c5e-8d0b-132bf1a41136" /> volgt dat een termijn van zes maanden volgens het Hof redelijk is. Na verloop van deze redelijke termijn is de Unieburger verplicht aan te tonen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans maakt om te worden aangesteld. Om de vraag te beantwoorden of na zes maanden een reële kans op werk bestaat dienen alle relevante gegevens in hun geheel te worden geanalyseerd, bijvoorbeeld de omstandigheid dat de vreemdeling staat ingeschreven als werkzoekende, hij zich regelmatig meldt bij potentiële werkgevers en hun sollicitatiebrieven stuurt en naar sollicitatiegesprekken gaat. Verder moet er rekening worden gehouden met de situatie op de nationale arbeidsmarkt en de persoonlijke kwalificaties van de werkzoekende.</para>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat uit de gegevens van Suwinet blijkt dat eiser sinds april 2023 geen inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat eiser in de tussentijd Nederland heeft verlaten. Dit betekent dat de redelijke termijn van zes maanden inmiddels ruimschoots is verstreken, zodat eiser moet aantonen dat hij een reële kans maakt op werk. Eiser heeft geen documenten overgelegd om dit aan te tonen. Voorts is niet in geschil dat eiser niet staat ingeschreven als werkzoekende bij het UWV. Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser eerder in Nederland werkzaam is geweest onvoldoende reden is om aan te nemen dat hij een reële kans op arbeid heeft. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onvrijwillig werkloos</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. De rechtbank overweegt verder dat een Unieburger na het einde van zijn werkzaamheden het werknemerschap kan behouden indien sprake is van onvrijwillige werkloosheid en ook verder aan de voorwaarden van artikel 8.12, tweede lid, onder b en c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is voldaan. Anders dan eiser stelt, heeft de verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen stellen dat eiser het werknemerschap niet heeft behouden, nu hij niet onvrijwillig werkloos is. Uit de opgevraagde stukken van het UWV blijkt namelijk dat het laatste dienstverband van eiser is geëindigd op 9 maart 2023 door opzegging of toedoen van de werknemer of op initiatief van de werknemer. Dit betekent dat artikel 8.12, eerste lid, onder b en c, van het Vb ten aanzien van het behouden van het werknemerschap na het einde van de werkzaamheden niet op eiser van toepassing is, en eiser dus niet uit dien hoofde rechtmatig verblijf behoudt. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs indien eiser wel onvrijwillig werkloos zou zijn, eiser maar voor een periode van zes maanden zijn rechtmatig verblijf zou behouden nu niet is gebleken dat hij staat ingeschreven als werkzoekende bij het UWV. Die periode is inmiddels ruimschoots verstreken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder eiser voldoende heeft geïnformeerd over de wijze waarop eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen. </para>
    <para />
    <para>10. Uit artikel 30, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn<footnote-ref linkend="_7e943ede-9d0d-46f2-87f5-a0d6a865a5e8" /> volgt dat een verwijderingsmaatregel op zodanige wijze schriftelijk ter kennis moet worden gebracht, dat de betrokkene in staat is om de inhoud en de gevolgen hiervan te begrijpen. Verweerder heeft een openbare werkinstructie, te weten WI 2023/3, waarin uiteengezet wordt welke elementen van belang zijn bij het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf. Dit zijn dezelfde elementen die in het arrest F.S. zijn opgenomen, namelijk: de duur van de afwezigheid, een verzoek om schrapping uit het bevolkingsregister, de beëindiging van een huurovereenkomst, uitschrijving bij een dienst om arbeidsbemiddeling of de beëindiging van andere relaties die een zekere integratie van de Unieburger in Nederland veronderstellen. Het arrest F.S. en de openbare werkinstructie bieden voldoende houvast om te weten welke elementen een rol spelen bij de beoordeling of het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd.</para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank begrijpt dat voor dakloze personen zoals eiser veel van de elementen uit het arrest F.S. niet van toepassing zijn, maar dit betekent niet dat het voor eiser onduidelijk is hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen. Uit het arrest F.S. volgt ook dat rekening moet worden gehouden met aanwijzingen dat de Unieburger tijdens de periode van afwezigheid het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank zou dan in deze gevallen minder gewicht kunnen toekomen aan het verplaatsen van de belangen van eiser uit Nederland en meer gewicht aan het plaatsen van zijn belangen naar het buitenland. Het valt niet uit te sluiten dat iemand zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen door bijvoorbeeld een inschrijving in het bevolkingsregister of het aangaan van een huurovereenkomst in het buitenland. </para>
    <para />
    <para>12. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk voor verweerder om de elementen die in het arrest F.S. genoemd zijn nader te specificeren bij het opleggen van de verwijderingsmaatregel, omdat er geen uitputtende lijst van voorbeelden kan worden gegeven. Een dergelijke verplichting daartoe volgt ook niet uit het arrest F.S. Daarbij is van belang dat een eventueel nieuw verblijf en inbewaringstelling van eiser in Nederland onzekere toekomstige gebeurtenissen zijn en dat pas dan kan worden beoordeeld of het eerdere verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd. De rechtbank volgt eiser daarom ook niet in zijn standpunt dat op dit punt sprake is van een schending van artikel 5 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>13. Voor de volledigheid overweegt de rechtbank nog dat er, naast het daadwerkelijk en effectief beëindigen van zijn verblijf in Nederland, nog een tweede manier is voor eiser om weer rechtmatig verblijf te krijgen in Nederland. Zodra eiser voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit, heeft zij van rechtswege weer rechtmatig verblijf. Het verwijderingsbesluit is dan niet meer van kracht.<footnote-ref linkend="_ea711cbd-c63c-412b-a62a-6eddb78e8b59" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Terugkeer naar Polen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. De rechtbank is met eiser eens dat verweerder ten onrechte een land van terugkeer heeft opgenomen, in het besluit is namelijk terugkeer naar Polen genoemd. Verweerder heeft dit in zijn verweerschrift en op zitting ook onderkend en heeft verzocht dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu dit een gebrek is dat herstel behoeft, is de rechtbank van oordeel dat het gebrek niet met artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het beroep gegrond te verklaren, maar de verdere rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu verweerder zich gezien het voorgaande wel terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat, gelet op de toelichting in rechtsoverweging 14, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, met uitzondering van de vereiste terugkeer naar Polen. Dat betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en Nederland dient te verlaten binnen de gestelde termijn.</para>
    <para />
    <para>16. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.<footnote-ref linkend="_3a2c8ec5-89cf-477b-abf9-c354d4b3bd18" /></para>
    <para />
    <para>17. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op basis waarvan eiser Nederland dient te verlaten – met uitzondering van de gestelde terugkeer naar Polen – in stand blijven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank/voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b1048daa-864c-4012-b68c-98bbe498e6ff" label="1">
    <para> Zoals beschreven in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb ).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f391101d-818e-4ac8-9b6f-b5637d07f69e" label="2">
    <para> Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) van 11 april 2019, C-483/17 (arrest Tarola).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aaa94502-3fa2-450d-bf4d-e5ad319acbad" label="3">
    <para> Onder verwijzing naar het arrest van het HVJEU van 17 december 2020, C-710/19 (arrest G.M.A).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ac16c01-2850-44d1-91c8-07646d0fe828" label="4">
    <para> Arrest van het HvJEU van 22 juni 2021, C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506</para>
  </footnote>
  <footnote id="_566334b0-d02c-4d73-bdaf-6c5a0ff4f6ea" label="5">
    <para> Op grond van artikel 34 van de Verblijfsrichtlijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9f055c85-c86b-46b4-80a6-b521e205f2e2" label="6">
    <para> Basisregistratie Personen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_adfd5366-1a46-484f-b18e-18d610f7feba" label="7">
    <para> Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8b41b6f-4f07-432c-aa1d-2783ffde7656" label="8">
    <para> Zie bijvoorbeeld het arrest van de HvJEU van 20 februari 1997, C-344/95, overwegingen 17 en 18.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_de56314d-65dc-4c5e-8d0b-132bf1a41136" label="9">
    <para> Arrest van het HvJEU van 17 december 2020, C-710/19. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7e943ede-9d0d-46f2-87f5-a0d6a865a5e8" label="10">
    <para> Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea711cbd-c63c-412b-a62a-6eddb78e8b59" label="11">
    <para> Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1510.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a2c8ec5-89cf-477b-abf9-c354d4b3bd18" label="12">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>