<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:22161</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-25T15:23:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/688857 / KG ZA 25-732</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22161">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22161</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-25T15:22:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:22161 Rechtbank Den Haag , 23-07-2025 / C/09/688857 / KG ZA 25-732</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22161:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet tijdelijk huisverbod. Beroep ongegrond en voorlopige voorzieningen afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:22161:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank Den haag</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Voorzieningenrechter</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Rekestnummers: KG ZA 25-732 (voorlopige voorziening) en FA RK 25-5521 (hoofdzaak) </para>
    <para>Zaaknummers: C/09/688857 (voorlopige voorziening) en C/09/688851 (hoofdzaak)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Proces-verbaal mondelinge uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gedaan op 23 juli 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met toepassing van artikel 8:86 van die wet op het beroep van: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verzoeker] ,</title>
    <parablock>
      <para>verzoeker in de voorlopige voorzieningen, eiser in de hoofdzaak,</para>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>advocaat: mr. M. Berkel te Den Haag. <?linebreak?></para>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de burgemeester van de gemeente Den Haag,</title>
    <para>verweerder.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbende wordt aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [de ex-partner] , </title>
    <parablock>
      <para>de ex-partner,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] . </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>IProcedure</title>
    <para>Bij besluit van 20 juli 2025 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod ingevolge artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegd, van 20 juli 2025 (14.07 uur) tot en met 30 juli 2025 (14.07 uur), ter zake van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , tevens inhoudende een contactverbod met de ex-partner. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2025. Daarbij zijn verschenen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          [naam 1] namens verweerder;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          [naam 2] namens Veilig Thuis. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden daarvan luiden als volgt.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">II 	Beoordeling</emphasis>
      </para>
      <para>In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wettelijk kader</emphasis>
      </para>
      <para>Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van deze wet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6, tweede lid, Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod. <?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt verzoeker</emphasis>
      </para>
      <para>Verzoeker heeft betoogd dat het huisverbod ten onrechte is opgelegd. De woning ten aanzien waarvan het huisverbod is opgelegd is een tijdelijke woning, in verband met brand in de eigenlijke woning van verzoeker. De ex-partner staat niet ingeschreven op dit tijdelijke adres, zodat zij geen zelfstandig verblijfsrecht heeft in de woning. Voor zover een huisverbod noodzakelijk was, had dit daarom beter aan de ex-partner opgelegd kunnen worden. Daar komt bij dat de tijdelijke woning uiterlijk 1 augustus 2025 ontruimd moet zijn en opgeleverd moet worden. Verzoeker zal dan terugkeren naar zijn reguliere huurwoning. Door het huisverbod is dat nu niet mogelijk, met het risico dat verzoeker zijn huurwoning zal verliezen. Overigens ontkent verzoeker ook dat hij zijn ex-partner heeft mishandeld, waardoor nu een huisverbod is opgelegd op basis van een geweldsincident dat zich niet heeft voorgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt verweerder</emphasis>
      </para>
      <para>Verweerder heeft op de zitting aangegeven dat verzoeker en zijn ex-partner bij diverse hulpverleningsinstanties bekend zijn. Tussen hen is sprake van aantrekken en afstoten. Bij beiden is sprake van middelenproblematiek en er is in de afgelopen jaren meermaals een huisverbod opgelegd. Hoewel het afgelopen tijd rustig is geweest, is het nu toch weer misgegaan. De ex-partner verbleef op het moment van het incident weer meerdere dagen bij verzoeker, zodat voldaan is aan de vereisten van artikel 2 Wth. Om erger te voorkomen, moet het huisverbod voortduren en moet er eerst hulpverlening worden opgestart. De hulpverlening kan eventueel ook meedenken over een oplossing voor het ontruimen van de woning. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toetsing oplegging van het huisverbod</emphasis>
      </para>
      <para>De voorzieningenrechter is van oordeel dat ten tijde van het huisverbod sprake was van omstandigheden als bedoeld in artikel 2 Wth. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde op de zitting is gebleken dat tussen partijen sprake is van een langdurig problematische situatie. Aannemelijk is dat verzoeker op het moment van oplegging de agressor was, zo blijkt ook uit de mutaties van de politie en de aangifte van zijn ex-partner. Daar komt bij dat de Wth ook een ingrijpen mogelijk maakt in situaties waarbij behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode, maar waarbij niet eenvoudig is vast te stellen welke partij het meest in aanmerking komt voor de oplegging van een huisverbod. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat enkel verzoeker huurder is van de woning leidt niet tot een andere conclusie, omdat op grond van artikel 2 Wth enkel vereist is dat de achterblijver meer dan incidenteel in de woning verblijft. Aangezien de ex-partner in ieder geval vijf dagen achtereen bij verzoeker verbleef, is daarvan sprake. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande stelt de voorzieningenrechter vast dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de ex-partner. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder ten aanzien van verzoeker bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheid tot oplegging van het huisverbod gebruik heeft gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft daarom terecht het huisverbod aan verzoeker opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toetsing op dit moment</emphasis>
      </para>
      <para>De voorzieningenrechter ziet zich tenslotte voor de vraag gesteld of na het nemen van het bestreden besluit sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het huisverbod wordt opgeheven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er nog altijd een risico dat opnieuw een incident zal plaatsvinden tussen verzoeker en zijn ex-partner. Dat geldt in het bijzonder omdat gebleken is dat de benodigde hulpverlening nog niet is opgestart en geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegelijkertijd zal verzoeker in de komende week zijn tijdelijke huurwoning moeten ontruimen en opleveren. Doet hij dit niet, dan loopt hij het risico dat zijn huurcontract wordt beëindigd. De voorzieningenrechter acht dit een onevenredig gevolg van het huisverbod. Het huisverbod zal daarom met ingang van 29 juli 2025, 10.00 uur worden geschorst, zodat verzoeker de tijd heeft om – eventueel met hulp van zijn coach – de woning te ontruimen. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter wel dat zij het alsnog onwenselijk acht indien de ex-partner op dat moment in de woning is. Daarover zullen dus afspraken moeten worden gemaakt met de hulpverlening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
      <para>Gezien het vorenoverwogene zal het beroep tegen het besluit ongegrond worden verklaard. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal deels worden toegewezen, in die zin dat het vanaf 29 juli 2025 wordt geschorst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>III Beslissing </title>
    <para>De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>schorst het besluit van 20 juli 2025, 14.07 uur met ingang van 29 juli 2025, 10.00 uur; </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025 door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier.</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>RECHTSMIDDEL</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan – voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak met het rekestnummer C/09/688851 / FA RK 25-5521  –  binnen zes weken van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>