<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21930</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-21T10:04:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/669865 / FA RK 24-5257</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RFR 2026/32</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21930">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21930</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-24T09:11:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21930 Rechtbank Den Haag , 24-07-2025 / C/09/669865 / FA RK 24-5257</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21930:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kinderalimentatie. Samenloop van onderhoudsplichtigen. Alimentatie berekend volgens (nieuwe) verhoudingenmethode.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21930:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Rekestnummer: FA RK 24-5257</para>
    <para>Zaaknummer: C/09/669865</para>
    <para>Datum beschikking: 24 juli 2025</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Alimentatie, hoofdverblijfplaats </title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beschikking op het op 18 juli 2024 ingekomen verzoek van:</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [de man] ,</title>
    <parablock>
      <para>de man,</para>
      <para>wonende op een bij de rechtbank bekend adres, 	</para>
      <para>advocaat: mr. J.A. van Essen te Breda. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbende wordt aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [de vrouw] ,</title>
    <parablock>
      <para>de vrouw,</para>
      <para>wonende op een bij de rechtbank bekend adres,		</para>
      <para>advocaat: mr. J.L.P. Heuts te Breda.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Procedure</title>
    <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:</para>
    <parablock>
      <para>­ het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 18 juli 2024;</para>
      <para>­ het gewijzigde verzoek, met bijlagen, ingekomen op 10 september 2024;</para>
      <para>­ het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 19 september 2024;</para>
      <para>­ het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, tevens houdende een aanvullend verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen op 13 november 2024;</para>
      <para>­ het verweer op de gewijzigde verzoeken, tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 11 juni 2025;</para>
      <para>­ het F9-formulier van 13 juni 2025 van de man, met bijlagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 26 juni 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de man, bijgestaan door zijn advocaat;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verzoek en verweer</title>
    <para>Het verzoek van de man strekt ertoe om – met wijziging van de beschikking van de rechtbank Limburg van 16 februari 2021 – met ingang van primair 15 juni 2024, althans per datum indiening van het verzoekschrift, de kinderalimentatie op € 13,- per maand te bepalen en de bijdrage van de vrouw op € 223,- per maand, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft de vrouw, na wijziging, zelfstandig verzocht: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] zal wijzigen, in die zin dat zij voortaan bij de vrouw op het adres staat ingeschreven; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">primair: </emphasis>de bijdrage van partijen op de gezamenlijke kindrekening te wijzigen in die zin dat de man met ingang van de datum van wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] de man een bijdrage van € 215,- per maand en de vrouw een bijdrage van          € 288,- per maand op die rekening voldoet;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis>: indien het primaire verzoek onder aangaande het behoud van de kindrekening niet wordt gevolgd, te bepalen per wanneer de kindrekening wordt opgeheven en het saldo bij helfte wordt gedeeld en een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen van € 96,- voor [de minderjarige 1] en        € 119,- voor [de minderjarige 2] , steeds bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoek;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">meer subsidiair</emphasis>: te bepalen per wanneer de kindrekening wordt opgeheven en het saldo bij helfte wordt gedeeld en te bepalen dat de man met ingang van de datum van opheffing van de kindrekening aan de vrouw een bedrag van € 140,- als bijdrage voor [de minderjarige 2] zal voldoen en te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 112,- voor [de minderjarige 1] zal voldoen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">nog meer subsidiair</emphasis>: een bijdrage te bepalen door de ouders op de kindrekening te voldoen, dan wel aan elkaar te voldoen ten behoeve van de kosten van de kinderen, die de rechtbank in goede justitie te bepalen. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De man heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feiten </title>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2013 tot [datum 2] 2021. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <parablock>
      <para>­ [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ; </para>
      <para>­ [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] ; </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 16 februari 2021 is – voor zover van belang – het door partijen overeengekomen ouderschapsplan aangehecht aan de beschikking. Partijen zijn hierin (onder andere) overeengekomen dat: </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <parablock>
      <para>­ tot aan het moment waarop de vrouw een eigen woning heeft gevonden, de beide kinderen ingeschreven staat bij de man en hij de kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangt en vanaf het moment dat de vrouw een eigen woning heeft, [de minderjarige 2] staat ingeschreven bij de vrouw en [de minderjarige 1] bij de man, waarbij zij elk voor één kind aanspraak maken op de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor één kind; </para>
      <para>­ de kinderen in de oneven weken bij de vrouw verblijven en in de even weken bij de man, waarbij de wissel plaatsvindt op maandagochtend; </para>
      <para>­ de man maandelijks een bedrag van € 804,- op de gezamenlijke kindrekening stort en de vrouw een bedrag van € 34,- per maand.</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>Partijen zijn naar aanleiding van een herberekening begin 2022 overeengekomen dat de man € 574,- per maand en de vrouw € 155,- per maand op de gezamenlijke kindrekening stort. In de praktijk is de man een bijdrage van € 500,- gaan voldoen en de vrouw een bijdrage van € 75,- per maand.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>De vader en zijn huidige partner zijn de ouders van [de minderjarige 3] , geboren op <?linebreak?>[geboortedatum 3] 2023 te [geboorteplaats 1] .</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoofdverblijfplaats [de minderjarige 1]</emphasis>
      </para>
      <para>De vrouw heeft verzocht om – anders dan partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen – de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij haar te bepalen. Doordat de vader met zijn huidige partner is gaan samenwonen, heeft hij geen recht meer op kindgebonden budget. Met een inschrijving van [de minderjarige 1] op het adres van de vrouw, zal zij een hoger kindgebonden budget krijgen. Dit fiscale voordeel leidt ertoe dat zij meer kan bijdragen voor de kinderen, terwijl er feitelijk niets verandert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel de rechtbank de redenatie van de vrouw kan volgen, zal zij haar verzoek desondanks afwijzen. Daartoe overweegt zij dat de inschrijving van [de minderjarige 1] op het adres van de vrouw op korte termijn weliswaar financieel gunstiger is, maar dat die situatie niet goed aansluit op de huidige manier waarop partijen de zorg voor de kinderen hebben ingericht. Er is sprake van een 50/50-verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij elk van de kinderen bij één van de ouders staat ingeschreven en de kosten van de kinderen zijn verdeeld via een kindrekening. Gebleken is dat de huidige afspraken een goede balans geven. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat die balans niet wordt verstoord. Het hoofdverblijf van [de minderjarige 1] zal daarom bij de vader blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Behoud kindrekening</emphasis>
      </para>
      <para>Voordat inhoudelijk wordt ingegaan op de eventuele wijziging van de kinderalimentatie, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of aanleiding bestaat om de afspraak van partijen over het gebruik van een kindrekening in plaats van een bedrag aan kinderalimentatie, gewijzigd moet worden. De vrouw wil het gebruik van de kindrekening voortzetten; de man geeft de voorkeur aan een ‘reguliere’ bijdrage aan kinderalimentatie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank vat het geschil op als een geschil in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 26 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1718). Omdat het al dan niet gebruiken van een kindrekening geen geschil betreft met betrekking tot wijziging van de kinderalimentatie, zoals opgenomen in artikel 1:401 BW, maar een geschil over de uitvoering van de financiële afspraken over de kinderen. De rechtbank neemt daarbij een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. In dit geval ziet de rechtbank geen aanleiding om de gemaakte afspraken over de kindrekening aan te passen. Gebleken is dat de afspraken – op een eenmalige kleine onenigheid na – goed verlopen. Doordat elk van beide kinderen bij één van de ouders staat ingeschreven, kan het vaststellen van een aan de andere ouder te betalen bijdrage aan kinderalimentatie, ertoe leiden dat de kinderen niet in dezelfde positie tot de ouders staan. Dat acht de rechtbank onwenselijk en niet in hun belang. Naar het oordeel van de rechtbank moet het gebruik van de kindrekening daarom voortduren. Dit zal in het navolgende dan ook als uitgangspunt worden genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verdeling van de kosten van de kinderen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wijziging van omstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para>Een rechterlijke overeenkomst inzake kinderalimentatie kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor hetgeen aanvankelijk was overeengekomen niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW).<?linebreak?>Het moet hierbij gaan om een wijziging van de omstandigheden, zoals die door de rechter op het moment van de beslissing is vastgesteld, dan wel van de omstandigheden waarvan partijen op dat moment zijn uitgegaan. Niet iedere wijziging van omstandigheden is voldoende voor een wijzing van de overeengekomen alimentatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat de man in april 2023 opnieuw vader is geworden van een zoon, [de minderjarige 3] . De rechtbank zal hierna aan de hand van een nieuwe beoordeling onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre deze wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de overeenkomst niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Samenloop van onderhoudsplichtigen</emphasis>
      </para>
      <para>Er is sprake van een samenloop van onderhoudsplichtigen. Partijen zijn beiden onderhoudsplichtig voor hun kinderen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De man is daarnaast met zijn partner onderhoudsplichtig voor de in 2023 geboren [de minderjarige 3] . De onderhoudsplicht voor [de minderjarige 1] een [de minderjarige 2] is van gelijke rang als die voor [de minderjarige 3] . Bij een samenloop moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. De rechtbank zal voor de verdeling van de kosten de nieuwe methode bij samengestelde gezinnen toepassen, zoals ook op de zitting is besproken. Daarbij wordt de zuivere draagkracht van de man per gezin berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van de drie kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Dit wordt ook wel de ‘verhoudingenmethode’ genoemd. Voor zover de man een tekort heeft om in het totaal van de aandelen van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit naar rato van dit tekort over de drie aandelen omgeslagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van berekening leidt tot een rechtvaardigere uitkomst. Een andere verdeling van de draagkracht van de man, waarbij de draagkracht eerst over de kinderen wordt verdeeld en er daarna pas een draagkrachtvergelijking met de vrouw plaatsvindt, zou betekenen dat de vrouw naar verhouding een groter deel van de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor haar rekening moet nemen, terwijl de man onderhoudsplichtig is voor drie kinderen en hij onvoldoende draagkracht heeft om de hierna berekende aandelen te voldoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ingangsdatum</emphasis>
      </para>
      <para>Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie wijzigen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat gebleken is dat de kosten voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot op heden door de man zijn voldaan en de rechtbank het onwenselijk acht indien partijen de kosten van de kindrekening over de afgelopen periode moeten verrekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn het erover eens dat voor de bepaling van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders, gerekend kan worden met de gegevens over 2024. De rechtbank gaat daarom uit van die gegevens en zal de vast te stellen kinderalimentatie vervolgens indexeren naar 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Behoefte </emphasis>
      </para>
      <para>Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 638,- per kind per maand bedraagt per 2021. Geïndexeerd naar 2024 bedraagt deze behoefte € 714,- per kind per maand. Daarbij zijn partijen het er ook over eens dat de behoefte van [de minderjarige 2] moet worden verhoogd met de netto kosten van de buitenschoolse opvang van € 65,- per maand, zodat zijn behoefte in totaal € 779,- per maand bedraagt. De totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] opgeteld is dan € 1.493,- per maand. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn het ook eens over de behoefte van [de minderjarige 3] van € 735,- per maand in 2024. Ook de behoefte van [de minderjarige 3] wordt vermeerderd met netto kinderopvangkosten (van € 563,-), zodat zijn behoefte in totaal € 1.298,- per maand bedraagt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte moet worden verdeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Draagkracht van de vrouw</emphasis>
      </para>
      <para>De vrouw had in 2024 een bruto inkomen van € 55.168,-. De vrouw ontvangt het kindgebonden budget voor [de minderjarige 2] , zodat dit bij haar inkomen moet worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 3.968,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.065,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.270,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.968 – (1.190 + 1.270)] = € 1.056,- per maand.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Draagkracht van de man</emphasis>
      </para>
      <para>Partijen zijn het erover eens dat het NBI van de man in 2024 € 4.691,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen. De rechtbank verwijst naar de door de man in productie 27 overgelegde berekening. Bij de berekening van zijn NBI zijn partijen uitgegaan van de volgende uitgangspunten. De man heeft, gelet op zijn inkomen, geen recht op een kindgebonden budget. Daarnaast is rekening gehouden met een fictief bedrag (€ 1.475,-) aan inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat de man hierop vanwege het co-ouderschap aanspraak kan maken. Omdat de man en zijn huidige partner deze heffingskorting als gezin ontvangen, wordt dit bij elk van hen (fictief) voor de helft meegenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn het echter niet eens over de draagkracht van de man. Volgens de vrouw bestaat aanleiding om af te wijken van de forfaitaire woonlast van 30% van het NBI. De maandelijkse hypotheeklasten van € 1.002,- die man betaalt zijn weliswaar maar iets lager dan het woonbudget van € 1.361,-, maar de man deelt deze woonlasten met zijn partner. De werkelijke woonlast van de man is daarom de helft van dit bedrag (€ 501,- per persoon per maand), aldus de vrouw. Hoewel de rechtbank de redenatie van de vrouw kan volgen, zal zij aansluiten bij de feitelijke situatie. Hierbij voldoet de man de volledige hypotheeklasten en is hij volledig eigenaar van de woning. Gelet op de woonlasten die de man heeft naast de hypotheeklasten, acht de rechtbank het gebruik van het woonbudget in dit geval niet onredelijk. Voor de berekening van de draagkracht van de nieuwe partner van de man, zal de rechtbank echter eveneens uitgaan de feitelijke situatie, waarbij zij geen woonlasten heeft.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande is de draagkracht van de man € 1.410,- per maand. De rechtbank verwijst naar de door de man in productie 27 overgelegde berekening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Draagkracht van de partner van de man</emphasis>
      </para>
      <para>Voor de berekening van de draagkracht van de partner van de man gaat de rechtbank, op basis van de overgelegde jaaropgave, uit van een bruto-inkomen over 2024 van € 38.993,-. De rechtbank houdt daarbij rekening met de volgende fiscale heffingskortingen: een algemene heffingskorting van € 2.422,-, een arbeidskorting voor werkenden van € 5.509,- en (fictief) de helft van de inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 1.475,-, zoals hiervoor besproken. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 2.832,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de berekening van de draagkracht van de partner van de man, zal de rechtbank afwijken van het woonbudget, zoals in het voorgaande al aan de orde is geweest. Omdat de partner geen woonlast heeft, wordt aan haar zijde niet met woonlasten gerekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat het NBI van de partner van de man ook hoger is dan € 2.065,- per maand, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule gebruiken als bij de vrouw, met dien verstande dat geen 30% van haar NBI als woonbudget wordt meegenomen. De draagkracht van de partner van de man bedraagt dan: 70% x [2.832 – 1.270] = € 1.093,- per maand.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal, zoals hiervoor omschreven, de draagkrachtvergelijking zo vormgeven dat de twee gezinnen van de man losstaand van elkaar berekend worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Draagkrachtvergelijking tussen de man en de vrouw</emphasis>
      </para>
      <para>De man en de vrouw hebben een gezamenlijke draagkracht van € 2.466,- per maand <?linebreak?>(€ 1.056 + € 1.410). Dit is voldoende om in de gezamenlijke behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 1.493,- per maand te voorzien.  De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het eigen aandeel van de man bedraagt:		1.410 / 2.466 * 1.493 = 	€ 854,- per maand</para>
      <para>Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 	1.056 / 2.466 * 1.493 = 	€ 639,- per maand</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komt een gedeelte van € 854,- voor rekening van de man. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Draagkrachtvergelijking tussen de man en zijn huidige partner</emphasis>
      </para>
      <para>De man en zijn partner hebben een gezamenlijke draagkracht van € 2.503,- per maand <?linebreak?>(€ 1.410 + € 1.093). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 3] van € 1.298,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom net als hiervoor een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte van [de minderjarige 3] naar rato van ieders draagkracht wordt verdeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het eigen aandeel van de man bedraagt:		1.410 / 2.503 * 1.298 = € 731,-</para>
      <para>Het eigen aandeel van de partner bedraagt: 	1.093 / 2.503 * 1.298 = € 567,-</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Draagkrachtvergelijking conform de verhoudingenmethode</emphasis>
      </para>
      <para>De totale eigen aandelen van de man bedragen € 1.585,- per maand (€ 854 + € 731). Ten opzichte van de draagkracht van de man heeft de man daarmee een tekort van € 175,- per maand (€ 1.585 – € 1.410). De draagkracht van de man moet daarom worden berekend naar rato van de berekende aandelen. Dat leidt tot de volgende verdeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De man draagt bij: </para>
      <para>voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] :	€ 854 / € 1.585 * € 1.410 = € 760,- </para>
      <para>voor [de minderjarige 3] :		€ 731 / € 1.585 * € 1.410 = € 650,-</para>
      <para>Dat leidt ertoe dat ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een tekort bestaat van € 94,- per maand (€ 1.493 – (€ 760 + € 639)). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande moet de man voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 760,- per maand bijdragen en voor [de minderjarige 3] € 639,- per maand. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bijdrage op de kindrekening</emphasis>
      </para>
      <para>Vervolgens moet nog worden beoordeeld welk bedrag de man en de vrouw – mede gelet op de zorgkorting van 35%, omdat sprake is van een co-ouderschap – maandelijks op de kindrekening moeten storten. De rechtbank zal daarbij uitgaan van de rekenmethode die partijen ook bij hun eerdere afspraken hebben gehanteerd. De totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bedraagt € 1.428,- per maand (€ 714,- per kind per maand). Van deze behoefte wordt 70% aan verblijfskosten (€ 1.000,-) en 30% aan verblijfsoverstijgende kosten (€ 428,-) toegerekend. Bij deze verblijfsoverstijgende kosten moeten de kosten van de buitenschoolse opvang van [de minderjarige 2] van € 65,- per maand worden opgeteld, aldus totaal: € 471,- per maand. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de op de kindrekening te storten bijdrage van iedere ouder worden de helft van de zorgkosten (35% van het behoeftebedrag) afgetrokken, omdat de ouders deze kosten beiden al in natura voor de kinderen dragen tijdens de dagen dat de kinderen bij hem of haar verblijven. Dit is een bedrag van € 500,- per maand. Omdat de totale (gecorrigeerde) draagkracht van de ouders (€ 760 + € 1056 = € 1766) voldoende is om te voorzien in de behoefte van de kinderen, kan de zorgkorting in beginsel volledig worden verzilverd. Volledige verzilvering van de zorgkorting zou er evenwel toe leiden dat de man (€ 760 -/- <?linebreak?>€ 500 =) € 260,- en de vrouw (€ 639 -/- € 500) = € 139,- op de kindrekening dienen te storten. Aldus zou een tekort op de kindrekening ontstaan van € 72,- (€ 471 -/- € 260 -/- € 139), waardoor de verblijfsoverstijgende kosten niet volledig kunnen worden voldaan. Dit tekort zal de rechtbank aan de beide ouders toerekenen, ieder voor de helft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het voorgaande komt de rechtbank uit op de volgende bijdragen van de man en de vrouw op de kindrekening op basis van de gegevens over 2024:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bijdrage van de man: 	€ 760 – € 500 + 36	= € 296,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bijdrage van de vrouw:	€ 639 – € 500 + 36	= € 175,-. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze berekende bedragen moeten met 6,5% worden geïndexeerd naar 2025, omdat de ingangsdatum van de gewijzigde bijdrage in 2025 is gelegen. Dat betekent dat de man <?linebreak?>€ 315,- per maand en de vrouw € 186,- per maand op de kindrekening moet storten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
      <para>Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de overeenkomst van de man en de vrouw uit 2022 niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal daarom de hiervoor berekende bedragen vaststellen en de verzoeken van partijen ten aanzien van de kinderalimentatie voor het overige afwijzen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
      <para>Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing  </title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat ten behoeve van de minderjarigen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] ; </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>met ingang van heden de man een bijdrage op de kindrekening zal voldoen van € 315,- per maand en de vrouw een bijdrage van € 186,- per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen en verklaart de bepaling van deze bijdragen uitvoerbaar bij voorraad; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 juli 2025.</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="cd5c5cda-e449-4a91-931c-83fa55731a48" depth="771" width="545" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="da79d8ae-e9f5-4311-9844-4057504ae2e6" depth="771" width="545" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>