<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21928</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-20T16:11:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.43796</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21928">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21928</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-20T16:09:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21928 Rechtbank Den Haag , 20-11-2025 / NL25.43796</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21928:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin gegrond. De rechtbank is van oordeel dat de minister de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 augustus 2025 onvoldoende bij het nieuwe besluit heeft betrokken. De minister heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar twee recentere uitspraken van de Afdeling. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een verwijzing naar uitspraken van de Afdeling in zijn algemeenheid het standpunt van de minister kunnen onderbouwen dat niet wordt voldaan aan de maatstaf zoals neergelegd in Jawo, is de rechtbank van oordeel dat, gezien de specifieke overwegingen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, het op de weg van de minister had gelegen om, nu geen hoger beroep is ingesteld, ook nadrukkelijk in te gaan op de in de uitspraak van 11 augustus 2025 benoemde punten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21928:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.43796 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H.J. Janse),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, de minister,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. Ö. Sari).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 september 2025 niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft op 27 september 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 februari 2025 niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 13 mei 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, een voorlopige voorziening getroffen waarin is bepaald dat eiser niet mocht worden overgedragen aan Bulgarije totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.<footnote-ref linkend="_2ac8e9d4-af4d-4042-a1ff-777b9eba30aa" /> Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft het beroep op 11 augustus 2025 gegrond verklaard en het besluit van 6 februari 2025 vernietigd.<footnote-ref linkend="_3f95f5fd-d0cb-450f-a52b-ad5dd2cc0d5c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt in rechtsoverweging 6.3. van die uitspraak dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het Matteo-rapport niet als serieuze informatiebron kan worden aangemerkt. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het Duitse rapport inhoudelijk aansluit op het AIDA-rapport (update 2024). De rechtbank stelt daarbij vast dat de Afdeling<footnote-ref linkend="_6f06ba7e-04f1-4350-ad38-60710987abd3" /> zich nog niet over dit AIDA-rapport heeft uitgelaten in tegenstelling tot hetgeen de minister stelt. In rechtsoverweging 6.4 overweegt de rechtbank verder dat de door eiser aangehaalde pagina’s uit het AIDA-rapport (update 2024) niet identiek zijn aan de pagina’s uit het voorgaande AIDA-rapport (update 2023). De rechtbank stelt vast dat de tekst op pagina 86 en verder van update 2024 een veel uitgebreidere tekst staat dan op de pagina’s 83 en 84 van het AIDA-rapport update 2023 en dat de Afdeling zich over dit verschil nog niet heeft uitgelaten. De rechtbank wijst er verder op dat eisers verklaringen overeenkomen met de kritiek uit het AIDA-rapport (update 2024). Uit pagina 86 van het AIDA-rapport blijkt dat de toestand van de opvangfaciliteiten sinds 2015 ieder jaar slechter wordt, dat ieder jaar weer delen van de opvang als onbruikbaar worden aangemerkt, dat de opvangcapaciteit afneemt en dat er niet voldoende financiële middelen zijn voor verbetering hiervan. De rechtbank constateert dat sprake is van een voortschrijdende verslechtering van de opvangfaciliteiten voor asielzoekers in Bulgarije en benadrukt dat de Afdeling zich nog niet heeft uitgelaten over het meest recente stadium. De rechtbank concludeert dat de minister, gelet op de door eiser overgelegde informatie, niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de asielopvang in Bulgarije geen structurele systeemfouten vertoont en waarom er ten opzichte van Bulgarije nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister moet in het nieuw te nemen besluit het door eiser ingebrachte Duitse rapport en het meest recente AIDA-rapport betrekken en ook ingaan op wat eiser heeft aangevoerd in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De minister is tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gegaan, maar heeft op </para>
        <para>10 september 2025 een nieuw besluit genomen en wederom geconcludeerd tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag, omdat Bulgarije hiervoor verantwoordelijk is. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Deze voorlopige voorziening staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.43797 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag niet in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_bf775e28-f9b8-4d50-8481-78a1aff54587" /> In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft de minister de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2025 voldoende bij het nieuwe besluit betrokken?</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_2498c4ad-c6a0-46b6-b128-3dbec32d791f" />
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de motivering van het besluit onvoldoende is nu de minister geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 augustus 2025. De nieuwe motivering van het besluit gaat niet specifiek in op de door zittingsplaats Haarlem genoemde punten, is daarmee slechts een herhaling van zetten en feitelijk een bestrijding van het oordeel van zittingsplaats Haarlem. Als de minister het oordeel van de rechtbank had willen bestrijden, had de minister daartegen hoger beroep moeten instellen. Nu dit niet is gedaan, kunnen de overwegingen in het nieuwe besluit al hierom geen stand houden. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De minister stelt zich op het standpunt dat hij in het nieuwe besluit de onderdelen waarvan zittingsplaats Haarlem heeft aangegeven dat deze onvoldoende waren gemotiveerd, alsnog heeft gemotiveerd. Uiteengezet is dat de Afdeling heeft geoordeeld dat de grenzen van zwaarwegendheid, zoals bedoeld in het arrest Jawo,<footnote-ref linkend="_54f85d98-906c-4aad-86f1-608e6d9c9123" /> niet worden bereikt en daarbij zijn zowel het AIDA-rapport van maart 2025 als het Matteo-rapport betrokken. Hoewel het Matteo-rapport niet specifiek in die motivering wordt genoemd, ligt de datum van dit rapport voor de aangehaalde Afdelingsuitspraken en mag de minister er daarom vanuit gaan dat de Afdeling dit rapport bij haar oordeel heeft betrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, op </para>
        <para>11 augustus 2025 heeft geoordeeld dat niet deugdelijk gemotiveerd waarom de asielopvang in Bulgarije geen structurele systeemfouten vertoont en dat de minister daarom een nieuw besluit moet nemen waarbij hij, als het gaat om het interstatelijke vertrouwensbeginsel, het door eiser ingebrachte Duitse rapport en het meest recente AIDA-rapport moet betrekken. Nu de minister geen hoger beroep heeft ingesteld tegen deze uitspraak, was hij gehouden een nieuw besluit te nemen in overeenstemming met de rechtbankuitspraak van 11 augustus 2025. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 augustus 2025 onvoldoende bij het nieuwe besluit heeft betrokken. De minister heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar twee recentere uitspraken van de Afdeling. Hoewel de rechtbank begrijpt dat een verwijzing naar uitspraken van de Afdeling in zijn algemeenheid het standpunt van de minister kunnen onderbouwen dat niet wordt voldaan aan de maatstaf zoals neergelegd in Jawo, is de rechtbank van oordeel dat, gezien de specifieke overwegingen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, het op de weg van de minister had gelegen om, nu geen hoger beroep is ingesteld, ook nadrukkelijk in te gaan op de in de uitspraak van 11 augustus 2025 benoemde punten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Desgevraagd heeft de minister op de zitting erkent dat niet nadrukkelijk is ingegaan op het door de rechtbank in de uitspraak van 11 augustus 2025 geconstateerde verschil ten aanzien van de pagina’s 86 en volgende van het AIDA-rapport (update 2024) en de pagina’s 83 en 84 van de eerdere update. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>Verder stelt de rechtbank vast dat de minister ook niet nadrukkelijk is ingegaan op het Matteo-rapport. Hoewel in de uitspraak van de rechtbank Utrecht, welke door de Afdeling is bevestigd en welke Afdelingsuitspraak weer door de minister ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, het Matteo-rapport wordt genoemd, heeft eiser, in tegenstelling tot de vreemdeling in de uitspraak van de rechtbank Utrecht, nadrukkelijk aangegeven op welke punten wat hem betreft sprake is van een verslechtering en daarmee van punten op grond waarvan de drempel van Jawo mogelijk wel wordt gehaald. De rechtbank wijst hierbij naar de samenvatting van het standpunt van eiser, zoals door de rechtbank Haarlem betrokken in de uitspraak van 11 augustus 2025 en weergegeven in de heropeningsbrief van 12 mei 2025. Eiser heeft nadrukkelijk aangevoerd dat sprake is van slecht en te weinig voedsel, van water dat niet kan worden gedronken en van opvang onder zeer slechte omstandigheden. Eiser heeft gesteld dat zijn eigen ervaringen overeenkomen met de op de foto’s getoonde beelden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister, gezien het voorgaande, niet kon voldoen aan de opdracht van de rechtbank Haarlem door de enkele verwijzing naar twee recentere uitspraken van de Afdeling. De rechtbank concludeert dat het gebrek in de motivering, zoals geconstateerd in de uitspraak van 11 augustus 2025, nog niet is hersteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7.</nr>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep hierom gegrond. De minister moet een nieuw besluit nemen, waarbij hij, als het gaat om het interstatelijk vertrouwensbeginsel, alsnog inhoudelijk zal moeten ingaan op de hierboven beschreven punten. Nu de inhoudelijke reactie van de minister ook relevant is voor de beoordeling van wat eiser heeft aangevoerd in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening zal de minister zich ook hier opnieuw over moeten uitlaten.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De minister moet een nieuw besluit nemen op de aanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,00 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenveroordeling betalen aan de rechtsbijstandsverlener. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt de minister tot betaling van €1.814,- aan proceskosten aan eiseres.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2ac8e9d4-af4d-4042-a1ff-777b9eba30aa" label="1">
    <para>NL25.5962.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f95f5fd-d0cb-450f-a52b-ad5dd2cc0d5c" label="2">
    <para> Rechtbank Den Haag, 11 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15059.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6f06ba7e-04f1-4350-ad38-60710987abd3" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf775e28-f9b8-4d50-8481-78a1aff54587" label="4">
    <para> Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2498c4ad-c6a0-46b6-b128-3dbec32d791f" label="5">
    <para> Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 11 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15059.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_54f85d98-906c-4aad-86f1-608e6d9c9123" label="6">
    <para>Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>