<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21766</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-21T11:15:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.36739</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21766">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21766</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-21T11:14:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21766 Rechtbank Den Haag , 16-05-2025 / NL24.36739</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21766:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vreemdelingenrecht regulier. Aanvraag verblijfsdocument EU/EER. Hoewel eiser verweten kan worden dat hij de in beroep overgelegde documenten eerder in had kunnen brengen, kan aan deze documenten niet alle bewijswaarde worden ontzegd. De reactie van verweerder na heropening van het onderzoek volstaat daarom niet. Verweerder heeft eiser en referente ten onrechte niet in bezwaar gehoord en het onderzoek is onvolledig geweest. Aan de verdere inhoudelijke gronden komt de rechtbank niet toe. Het beroep is gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21766:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL24.36739</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. I. Petkovski),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Minister van Asiel en Migratie, </emphasis>voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M. van Boheemen)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van een verblijfsdocument EU/EER van eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft niet op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarbij heeft verweerder daags voor de zitting aangegeven niet te verschijnen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mevrouw H.F. Shukri (referente). De heer F. Kaplan, de neef van eiser, heeft opgetreden als tolk. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Omdat het onderzoek niet volledig was heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Hierbij heeft de rechtbank verweerder verzocht een standpunt in te nemen over de door eiser in beroep ingebrachte stukken. Verweerder heeft hier schriftelijk op gereageerd. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op het stuk van verweerder maar heeft enkel verzocht om meer tijd om nieuwe stukken te verzamelen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen en het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1973 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 28 april 2023 gevraagd om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER (de aanvraag). Hierbij heeft eiser aangegeven dat hij de partner is van een Unieburger (referente).</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 5 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiser en referente hun gestelde duurzame relatie niet hebben kunnen onderbouwen. Om die reden neemt verweerder ook geen familie- of gezinsleven aan in de zin van artikel 8 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_2f57c6d3-33f3-4e56-948d-08b59334ec9c" /> In dit kader heeft verweerder meegewogen dat deze aanvraag een eerste toelating betreft, dat hij pas sinds kort in Nederland werkt en verweerder verwacht dat eiser grotendeels een beroep zal doen op algemene middelen. Daarnaast heeft eiser onvoldoende kennis van de Nederlandse taal en samenleving, zijn er geen objectieve belemmeringen om de relatie in Turkije voort te zetten en heeft eiser een zeer sterke band met Turkije. De belangenafweging die verweerder moet maken valt daarmee in het nadeel van eiser uit. Bij het bestreden besluit van 23 augustus 2024 is het bezwaar van eiser hiertegen kennelijk ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat het onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd met het evenredigheidsbeginsel is genomen. Hierbij stelt eiser voorop dat het besluit niet rechtsgeldig bekend is gemaakt omdat het niet is genomen door de Minister van Asiel en Migratie. Verder betoogt eiser dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord nu er geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Daarnaast is eiser van mening dat de duurzame relatie tussen hem en referente voldoende is aangetoond. De registratie in het BRP moet gezien worden als een begin van bewijs en eiser heeft 200 bewijsstukken overgelegd die verweerder ten onrechte niet heeft meegewogen. In tegenstelling tot wat verweerder stelt heeft eiser voldoende objectieve bewijsstukken overgelegd die de relatie aantonen. Daarbij is de reactie van verweerder dat eiser ‘totaal niet wordt geloofd’ onprofessioneel. Tot slot heeft eiser enkele aanvullende verklaringen ingebracht omtrent de relatie en het samenwonen van referente, degene die eerder voor referente garant heeft gestaan op haar huurovereenkomst, een omwonende en twee lokale winkeleigenaren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bevoegdheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. Eiser heeft er terecht op gewezen dat het bestreden besluit ten onrechte is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Met ingang van 2 juli 2024 zit asiel in de portefeuille van de minister van Asiel en Migratie. Het bestreden besluit is genomen op 23 augustus 2024 en had daarom uit naam van de minister van Asiel en Migratie genomen moeten worden. Dit is een gebrek in het besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat niet is gesteld of gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. Het besluit is namelijk ondertekend door een ambtenaar van de IND die daartoe bevoegd was op grond van artikel 6.4 en artikel 6.5 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.<footnote-ref linkend="_57e4eefd-b4ab-4484-8ae5-4beef25ebc65" /></para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hoorplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende gang van zaken vast. In bezwaar heeft eiser samen met zijn bezwaarschrift foto’s overgelegd ter verdere onderbouwing van zijn relatie en daarbij verzocht gehoord te worden. Verweerder heeft besloten niet te horen omdat eiser in bezwaar geen (nieuwe) bewijsstukken of informatie heeft ingebracht die een ander licht op de zaak werpen.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>In beroep heeft eiser naast de al ingebrachte stukken verklaringen overgelegd van omwonenden, een verklaring van referente, een verklaring van de heer [naam] over waarom zijn naam op de huurovereenkomst van referente stond, en aanvullende foto’s waarvan een gedeelte voorzien zijn van een datum. In zijn schriftelijke reactie hierop heeft verweerder aangegeven dat de foto’s onvoldoende zijn om de relatie te onderbouwen. Hierbij heeft verweerder erop gewezen dat meerdere foto’s eerder al zijn ingediend en dat de data bij enkele foto’s niet overeenkomen met eerder in bezwaar vermelde data. Dit maakt de onderbouwing diffuus en tegenstrijdig. Ook de overgelegde verklaringen van omwonenden leiden niet tot een ander oordeel omdat de inhoud hiervan niet objectief verifieerbaar is en de verklaring van referente summier en oppervlakkig is. Ten aanzien van de verklaring van de heer [naam] in de huurovereenkomst merkt verweerder op dat hij niet wordt genoemd als garantsteller zoals hij verklaart, maar als huurder. Verweerder blijft verder bij zijn standpunt dat hij geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser en referente in bezwaar te horen. De nadere stukken in beroep halen volgens verweerder ook de drempel niet om alsnog tot horen over te gaan nu deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft in zijn schriftelijke reactie terecht geconstateerd dat enkele foto’s eerder in de procedure al waren overgelegd en dat de data van enkele foto’s niet overeen komen met wat eerder is gesteld. Wel merkt de rechtbank op dat de foto’s eiser en referente tonen op verschillende momenten, verschillende seizoenen, en samen met de kinderen van referente en (gezamenlijke) vrienden. De datering van de foto’s roept vragen op maar de rechtbank acht het aan verweerder om die vragen in een dergelijk geval aan eiser en referente te stellen. Er kan niet zonder meer iedere bewijswaarde aan worden ontzegd. De verklaringen van omwonenden zijn daarbij weliswaar niet objectief, maar dat is nu juist vaak inherent aan mensen die iets over de relatie zouden kunnen verklaren. Ook de al dan niet kritische vragen die hierop gesteld kunnen worden, moeten door verweerder worden gesteld. De verdere omstandigheden rondom de huurovereenkomst roepen eveneens de nodige vragen op, zoals waarom de heer [naam] een maand voordat eiser en referente samen gaan wonen nog al dan niet als garantsteller op de huurovereenkomst staat. Ook dit had verweerder in een gehoor kunnen uitvragen. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Eiser kan worden verweten dat hij deze stukken niet eerder heeft overgelegd. Nu de stukken zien op de periode in kwestie moeten de stukken echter bij de beoordeling worden betrokken. De rechtbank overweegt dat als deze aanvullende stukken in de bezwaarfase waren overgelegd, verweerder hierin voldoende aanleiding zou hebben gezien om eiser en referente te horen. De waardering van verweerder zoals beschreven onder rechtsoverweging 5.1 overtuigt niet voldoende, mede gelet op de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser reden ziet om op de waardering van verweerder te reageren, waaronder met een aangekondigde aanvullende verklaring van de verhuurder. Dit onderzoek dient echter niet door de rechtbank in de beroepsfase plaats te vinden, maar door verweerder in de bezwaarfase. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het uitgangspunt is dat verweerder in bezwaar hoort. Hierbij hoort verweerder terughoudend om te gaan met uitzonderingen daarop.<footnote-ref linkend="_0a6d1384-6f0b-41ca-a064-c1549bb63e0e" /> Verweerder stelt zich daarnaast, door niet te horen in bezwaar, bloot aan de mogelijkheid dat er in een latere procedure alsnog nieuwe stukken in worden gebracht die door verweerder in de beoordeling meegewogen moeten worden. De rechtbank komt mede hierdoor tot de conclusie dat het onderzoek van verweerder niet volledig is geweest. Naar oordeel van de rechtbank had verweerder dan ook in bezwaar moeten horen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Voor wat betreft de verdere inhoudelijke gronden over de gestelde duurzame relatie ziet de rechtbank geen aanleiding om deze te behandelen. Nu de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd omdat verweerder ten onrechte in bezwaar niet heeft gehoord en de schriftelijke reactie van verweerder op de stukken in beroep niet volstaat, verwacht de rechtbank dat eiser en referente alsnog gehoord zullen worden en dat verweerder een nieuwe beoordeling zal maken op de overgelegde stukken en wat eventueel uit het gehoor volgt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is gelet op rechtsoverwegingen 5.3 en 5.4 in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van de gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden. </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank: </para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
        </para>
        <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_2f57c6d3-33f3-4e56-948d-08b59334ec9c" label="1">
    <para>Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_57e4eefd-b4ab-4484-8ae5-4beef25ebc65" label="2">
    <para> Zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0a6d1384-6f0b-41ca-a064-c1549bb63e0e" label="3">
    <para>Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>