<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21736</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-19T11:50:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.53488</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21736">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21736</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-19T11:50:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21736 Rechtbank Den Haag , 19-11-2025 / NL25.53488</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21736:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bewaring, eerste beroep, Roemenië, 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw, bewaring opgeheven en door voor schade, eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, alleen zware grond 3c bestreden, geen lichter middel, voldoende voorvarend, zicht op uitzetting, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21736:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.53488</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser, </bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] , </para>
      <para>van Roemeense nationaliteit,  </para>
      <para>V-nummer: [nummer] , </para>
      <para>(gemachtigde: mr. N. van Bremen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, de minister, </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K.J. Diender).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De minister heeft op 27 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_b1e7ef10-7037-4a60-b98b-467f76a26ed9" />opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De minister heeft op 6 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank kan als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.</para>
    <para />
    <para>3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(<emphasis role="italic">zware gronden</emphasis>)<?linebreak?>3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;<?linebreak?>3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;<?linebreak?>3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; <?linebreak?></para>
      <para>(<emphasis role="italic">lichte gronden</emphasis>)</para>
      <para>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;<?linebreak?>4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voortraject</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Grondslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft. Bij besluit van 10 juni 2025 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Daarom viel eiser ten tijde van de inbewaringstelling onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Nederland daadwerkelijk en effectief verlaten?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Eiser betoogt dat, hoewel zijn verblijfsrecht is ingetrokken, er geen inreisverbod is opgelegd en dat terugkeer naar Nederland daarmee juridisch niet is uitgesloten. Eiser is op 24 juli 2025 naar Roemenië teruggekeerd. Daarmee heeft hij voldaan aan de verplichting tot vertrek. Er is geen objectief bewijs dat hij zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De enkele constatering dat hij op een later moment opnieuw naar Nederland is teruggekeerd, maakt dat niet anders. Zijn terugkeer naar Nederland was gebaseerd op medische gronden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat de minister bij besluit van 10 juni 2025 heeft vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie<footnote-ref linkend="_f0ee0467-b0ca-41ee-b0ca-1c511378f4c4" /> volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.<footnote-ref linkend="_f63d6204-0bea-4a3d-9dc9-a4981a0f5c1f" /> De duur die de Unieburger buiten het grondgebied van het gastland verbleef, is voor de vaststelling van de daadwerkelijke en effectieve beëindiging van belang, maar niet beslissend. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en niet op de weg van de minister om daar onderzoek naar te doen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Zo heeft eiser verklaard dat hij op 24 juli 2025 is vertrokken naar Roemenië, maar op 4 september 2025 weer is teruggekeerd naar Nederland. Eiser is vervolgens op 27 oktober 2025 door handhavers bedelend aangetroffen en is op grond daarvan aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat dit er geen blijk van geeft dat eiser daadwerkelijk en effectief zijn verblijf in Nederland heeft beëindigd. Eiser heeft daarnaast geen werk, geen vast inkomen, geen vaste woon- of verblijfplaats en geen verzekering die hem dekt tegen zorgkosten. Het enkel verlaten van Nederland kan niet gelijk worden gesteld met daadwerkelijke en effectieve verblijfsbeëindiging. Het vorenstaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dan ook dat eiser in Nederland niet opnieuw verblijfsrecht heeft verkregen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gronden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond 3c feitelijk juist is en terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Aan eiser is een besluit uitgereikt waarin is vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en hem is opgedragen om Nederland binnen een maand te verlaten. Eiser is binnen de gestelde termijn vertrokken naar Roemenië, maar is kort daarna weer teruggekeerd naar Nederland. Hiermee heeft eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief beëindigd. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de niet betwiste gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zware en lichte gronden in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende waren om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er ten tijde van de inbewaringstelling een risico op onttrekking bestond. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat daarmee het risico op onttrekking is gegeven. Een lichter middel volstond niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De rechtbank stelt vast dat eiser er door de minister ook op is gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht van uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zou geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voortvarendheid en zicht op uitzetting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. De rechtbank is van oordeel dat de minister, tot aan de opheffing van de maatregel, voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat op 30 oktober 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Zicht op uitzetting ontbrak ook niet, nu eiser op 6 november 2025 is uitgezet. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie </title>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. </para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af. <?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
      <para>De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_b1e7ef10-7037-4a60-b98b-467f76a26ed9" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0ee0467-b0ca-41ee-b0ca-1c511378f4c4" label="2">
    <para> Het Hof van Justitie van de Europese Unie. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f63d6204-0bea-4a3d-9dc9-a4981a0f5c1f" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>