<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21658</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-26T10:05:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">693513</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21658">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21658</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-20T14:37:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21658 Rechtbank Den Haag , 19-11-2025 / 693513</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21658:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De voorzieningenrechter oordeelt dat de Staat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van eiser niet hoeft op te schorten in afwachting van zijn gratieverzoek, omdat niet aannemelijk is dat dit verzoek hoogstwaarschijnlijk zal worden ingewilligd. Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn overige vorderingen tot schorsing of onderbreking van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, omdat hij de daarvoor aangewezen procedure moet volgen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21658:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Den Haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel - voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/09/693513 / KG ZA 25-1044</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 19 november 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis> te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat: mr. E.A. Blok,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid) </emphasis>te Den Haag,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat: mr. T.J. Crom.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:</para>
      <para>- de dagvaarding van 27 oktober 2025, met producties 1 tot en met 13;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 3;</para>
      <para>- de aanvullende producties 14 tot en met 25 van de zijde van [eiser] ;</para>
      <para>- de akte wijziging van eis van de zijde van [eiser] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 5 november 2025. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij de advocaten van beide partijen een pleitnota hebben overgelegd. Van hetgeen aan de orde is gekomen heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het gerechtshof Den Haag heeft [eiser] bij arrest van 22 november 2022 (rolnummer 22-001890-18) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden wegens handelen in strijd met artikel 2, onder A, en artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet. Bij arrest van 22 april 2025 (kenmerk 22/04361) heeft de Hoge Raad deze uitspraak vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en deze, wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, verminderd tot 43 maanden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft op 4 juni 2025 verzocht om gratie en om opschorting van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zolang op het gratieverzoek niet is beslist. Aan dit verzoek heeft [eiser] – samengevat – ten grondslag gelegd dat zich sinds het arrest nieuwe persoonlijke omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding zouden geven tot gratie. [eiser] heeft daartoe aangevoerd dat hij kampt met ernstige hartproblemen waarvoor voortdurende medische begeleiding, medicatie en een strikt bewegingsregime noodzakelijk zijn en dat detentie zijn gezondheid ernstig in gevaar zou brengen. Daarnaast heeft [eiser] aangevoerd dat zijn partner lijdt aan een postnatale depressie na een gecompliceerde bevalling van hun prematuur geboren kind en niet in staat is de zorg alleen te dragen, waardoor zijn aanwezigheid essentieel is voor de stabiliteit van het gezin. Ook heeft [eiser] gewezen op de zakelijke gevolgen van een langdurig verblijf in detentie. Daartoe heeft hij aangevoerd aan dat hij eigenaar is van een succesvol bedrijf met lopende contracten en personeel dat van hem afhankelijk is; zijn detentie zou leiden tot contractbreuk, financiële schade en mogelijk faillissement. [eiser] concludeert in zijn verzoek dat het maatschappelijk belang van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf geringer zou zijn dan zijn persoonlijke en sociale belangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf is aangevangen op 4 juli 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft op 15 juli 2025 verzocht om strafonderbreking. Dit verzoek heeft hij aanvankelijk gebaseerd op zijn gezondheidsproblemen, zijn gezinssituatie en op omstandigheden van zakelijke aard. Omdat het [eiser] niet lukte om tijdig de benodigde stukken te verzamelen, heeft hij het verzoek toegespitst op zijn gezinssituatie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij brief van 31 juli 2025, gericht aan de Penitentiaire Inrichting te [plaats] , heeft [naam 1] , arts en medisch adviseur bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, een advies uitgebracht met betrekking tot het verzoek om strafonderbreking. In dat advies is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“In antwoord op uw schrijven van 21 juli 2025 betreffende de aanvraag om</para>
        <para>strafonderbreking van de heer [eiser] , geboren [geboortedatum 1] 1973, in verband met de gezondheidstoestand van zijn partner, mevrouw [naam 2] , geboren [geboortedatum 2] 1988, kan ik u het volgende meedelen.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Advies</emphasis>
        </para>
        <para>Ik acht strafonderbreking op medische gronden geïndiceerd met een start op de</para>
        <para>kortst mogelijke termijn.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>Wegens de ernst van de huidige psychische problematiek, de zorgen die momenteel</para>
        <para>bestaan rond de veiligheid thuis, de beschreven behoefte aan een stabiel steunfiguur</para>
        <para>op dit moment, de tijdelijkheid van de huidige thuisbegeleiding, de overschrijding</para>
        <para>van de huidige grenzen van moeder in de zorg voor de baby en het beperkte</para>
        <para>steunsysteem, acht ik een strafonderbreking (SOB) van een aantal (twee-drie)</para>
        <para>maanden op medische gronden geïndiceerd. Ik acht de aanwezigheid van betrokkene nu van belang om zoveel mogelijk een verdere verslechtering van de situatie van moeder en kind te voorkomen en de situatie thuis te stabiliseren. (…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 27 augustus 2025 heeft de selectiefunctionaris [eiser] een</para>
        <para>strafonderbreking voor de duur van drie maanden verleend. Daartoe heeft de selectiefunctionaris, voor zover hier van belang, als volgt overwogen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De Vrijhedencommissie adviseert positief over een strafonderbreking in verband</para>
        <para>met de gezinssituatie en adviseert negatief over een strafonderbreking in verband</para>
        <para>met de eigen medische situatie en op zakelijke gronden.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>Uit het advies van de medisch adviseur (IMA) d.d. 31 juli 2025 blijkt dat strafonderbreking op medische gronden geïndiceerd is. (…) De IMA acht uw aanwezigheid nu van belang om zoveel mogelijk een verdere verslechtering van de situatie van moeder en kind te voorkomen en de situatie thuis te stabiliseren.</para>
        <para>(…) </para>
        <para>De medische dienst van de PI [plaats] heeft aangegeven dat u goed in beeld bent bij de medische dienst en dat aan u passende zorg wordt geleverd. </para>
        <para>(…)</para>
        <para>Besluit</para>
        <para>Gelet op de uitgebrachte adviezen heb ik besloten om aan u op grond van artikel 34 jo. artikel 36 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting strafonderbreking te verlenen voor de duur van drie maanden zodat u de zorgtaak voor uw gezin op zich kunt nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het verzoek om strafonderbreking ten aanzien van uw gezondheidsproblemen wijs ik af. De medische dienst heeft aangegeven dat u goed in beeld bent en passende zorg krijgt. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat uw gezondheidssituatie in de weg staat aan voortzetting van uw detentie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het verzoek om strafonderbreking ten aanzien van het afronden van het inrichten van de bedrijfsvoering van uw onderneming wijs ik ook af. Er is niet onderbouwd waarom het noodzakelijk is om daarvoor de inrichting te verlaten en waarom u dit niet vanuit de inrichting kan organiseren.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) heeft op 26 september 2025 aan [eiser] medegedeeld dat hij het verzoek om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op te schorten in afwachting van de beslissing op het gratieverzoek heeft afgewezen. Daartoe heeft de staatssecretaris toegelicht dat wat hem betreft geen sprake is van een situatie waarin het hoogstwaarschijnlijk is dat het gratieverzoek zal worden ingewilligd en dat daarom geen schorsende werking wordt verleend aan het gratieverzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft op 9 oktober 2025 verzocht zijn detentiegeschiktheid te onderzoeken en verdere strafonderbreking te verlenen zolang de uitkomst van dit onderzoek nog niet bekend is. Op dit verzoek is thans nog niet beslist. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] vordert – verkort weergegeven en na wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">primair</emphasis>
        </para>
        <para>I. de Staat zal gelasten de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te schorsen, althans op te schorten totdat op het ingediende gratieverzoek onherroepelijk is beslist, althans voor de duur van het nader in te winnen medisch advies van het Bureau Individuele Medische Advisering;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">subsidiair </emphasis>
        </para>
        <para>II. de Staat zal gelasten een nieuw en onafhankelijk medisch onderzoek te laten verrichten naar de detentiegeschiktheid van [eiser] , waarbij de informatie over zijn gezondheid alsmede die over zijn partner wordt betrokken, en de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te schorsen totdat dit onderzoek volledig is afgerond en het advies beschikbaar is;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">meer subsidiair</emphasis>
        </para>
        <para>III. bepaalt dat de Staat binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn een herbeoordeling van de detentiegeschiktheid van [eiser] dient te initiëren en het daartoe benodigde medische advies van het Bureau Individuele Medische Advisering aanvullend dient te motiveren en te concretiseren, en de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te schorsen totdat dit onderzoek volledig is afgerond;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">meest subsidiair</emphasis>
        </para>
        <para>IV. de Staat zal gelasten [eiser] een strafonderbreking van drie maanden te verlenen of de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te schorsen gedurende de eerste drie maanden van het  hartrevalidatietraject van [eiser] , dan wel zolang noodzakelijk is om zowel de medische behandeling van [eiser] als de zorg en begeleiding van zijn partner en hun kind te waarborgen, totdat meer informatie bekend is over wat nodig is voor [eiser] ;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">in alle gevallen</emphasis>
        </para>
        <para>V. de Staat veroordeelt in de proceskosten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat voortzetting van zijn detentie, gelet op zijn verslechterde medische toestand en zijn gezinssituatie, onverenigbaar is met de op de Staat rustende zorgplicht en daarom onrechtmatig is. Sinds de eerdere beoordeling van zijn detentiegeschiktheid is sprake van een aanzienlijke verslechtering van zijn fysieke en psychische gezondheid, terwijl tevens de psychische toestand van zijn partner ernstig is verslechterd na een gecompliceerde vroeggeboorte. Hierdoor is de situatie ontstaan dat verdere tenuitvoerlegging van de straf een reëel risico oplevert voor het leven, de gezondheid en het welzijn van [eiser] en zijn gezin. [eiser] meent dat de detentieomstandigheden niet voldoen aan de eisen van adequate medische en sociale zorg zoals neergelegd in de Penitentiaire Beginselenwet (de Pbw) en artikel 3 EVRM, en dat de Staat gehouden is nader onderzoek te laten verrichten naar zijn detentiegeschiktheid en – zolang dat niet heeft plaatsgevonden – de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te schorsen dan wel te onderbreken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De Staat voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden besproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [eiser] baseert zijn vorderingen op onrechtmatig handelen van de Staat, door hem – ondanks zijn gezondheidsproblemen en gezinssituatie – de gevangenisstraf te willen laten ondergaan. Gelet hierop is de civiele rechter – in dit geval de voorzieningenrechter – ter zake bevoegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Vooropgesteld wordt dat in het wettelijk stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen – zoals in het onderhavige geval – geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag, maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Dit is slechts anders als de executiebevoegdheid is vervallen op de voet van een wettelijk voorschrift, zoals in geval van een op de wet gegrond gratiebesluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] vordert primair dat de voorzieningenrechter de Staat zal gelasten de verdere tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf te schorsen, althans op te schorten, totdat</para>
        <para>op het ingediende gratieverzoek onherroepelijk is beslist. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af en overweegt daartoe als volgt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De minister heeft nog niet op het gratieverzoek van [eiser] beslist en tussen partijen is niet in geschil dat aan het gratieverzoek geen opschortende werking van rechtswege toekomt. Op grond van artikel 6:7:4, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de minister evenwel bevoegd te bepalen dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf alsnog wordt opgeschort zolang op het gratieverzoek nog niet is beslist. In artikel 5:2 van de toepasselijke Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021 (de Beleidsregels) – die blijkens vaste jurisprudentie als rechtmatig kunnen worden aangemerkt – is bepaald dat de minister ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde de tenuitvoerlegging van de straf waarvan gratie wordt verzocht kan opschorten, indien het naar zijn oordeel hoogstwaarschijnlijk is dat het verzoek om gratie wordt ingewilligd. Voor zover hier van belang wordt in dat kader in het bijzonder genoemd de omstandigheid dat de indiener van het gratieverzoek een levensbedreigende ziekte of aandoening heeft. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid komt de minister een ruime mate van beleidsvrijheid toe, zodat de beslissing om al dan niet opschortende of schorsende werking aan een gratieverzoek toe te kennen in kort geding slechts marginaal kan worden getoetst. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Bij brief van 26 september 2025 heeft de minister het opschortingsverzoek van [eiser] afgewezen. Aan deze beslissing heeft de minister ten grondslag gelegd dat naar zijn oordeel geen sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 5:2 van de Beleidsregels en dat de door [eiser] aangevoerde omstandigheden daar ook niet mee gelijk te stellen zijn. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet ter beoordeling van de primaire vordering van [eiser] de vraag worden beantwoord of de minister in redelijkheid tot deze afwijzende beslissing heeft kunnen komen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het tijdelijk opschorten van de tenuitvoerlegging in afwachting van een beslissing op een gratieverzoek is slechts aan de orde in zeer uitzonderlijke gevallen. Alleen wanneer het hoogst waarschijnlijk is dat het gratieverzoek zal worden toegewezen, is het gerechtvaardigd daarop vooruit te lopen door de tenuitvoerlegging op te schorten. Uit het gratieverzoek van [eiser] blijkt niet dat van een dergelijke situatie sprake is. [eiser] beschrijft zijn medische toestand als kwetsbaar en van dien aard dat voortdurende medische begeleiding en discipline vereist zijn, maar niet dat sprake is van een levensbedreigende situatie. De door [eiser] aangevoerde gezinsomstandigheden zijn zonder meer schrijnend, maar rechtvaardigen evenmin de conclusie dat de mate van waarschijnlijkheid  dat de minister op die grond gratie zal verlenen, zo groot is dat opschorting van de tenuitvoerlegging reeds nu geboden zou zijn. Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de minister in redelijkheid heeft kunnen beslissen het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging af te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Voor zover de subsidiaire, meer subsidiaire en meest subsidiaire vorderingen ertoe strekken dat de Staat wordt gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te schorsen, dan wel [eiser] strafonderbreking te verlenen, zal [eiser] daarin – om de hierna te noemen redenen – niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Op grond van artikel 6:2:4, eerste lid, Sv heeft de minister de bevoegdheid om, in uitzonderlijke situaties en op verzoek van een gedetineerde, de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tijdelijk te onderbreken. Deze onderbreking mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk is. Het tweede lid bepaalt dat op de beslissing over een dergelijk verzoek de Pbw van toepassing is. Krachtens artikel 26, derde lid, Pbw stelt de minister nadere regels omtrent het verlaten van de inrichting in het kader van verlof, waaronder de voorwaarden waaraan een gedetineerde moet voldoen om hiervoor in aanmerking te komen. Deze regels zijn neergelegd in de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (de Regeling). Hoofdstuk 5 van de Regeling bevat de bepalingen betreffende strafonderbreking. In artikel 34 van de Regeling is bepaald dat strafonderbreking kan worden toegestaan wanneer zich in de persoonlijke levenssfeer van de gedetineerde zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat een andere vorm van verlof geen toereikende oplossing biedt. De duur van de strafonderbreking bedraagt maximaal drie maanden, maar kan in beginsel opnieuw worden verleend. Voor zover hier relevant, kan strafonderbreking worden toegekend voor de verzorging van een ernstig zieke levenspartner of kind van de gedetineerde, alsmede wegens dringende lichamelijke of psychische redenen die in de persoon van de gedetineerde zelf zijn gelegen, mits de inrichtingsarts heeft bevestigd dat deze omstandigheden voortzetting van de detentie in de weg staan (artikel 37 van de Regeling).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft op 15 juli 2025 een verzoek tot strafonderbreking ingediend en heeft dat verzoek, zoals zijn advocaat tijdens de zitting heeft toegelicht, uiteindelijk gebaseerd op zijn gezinssituatie. De minister (lees: de selectiefunctionaris) heeft bij brief van 27 augustus 2025 positief op dit verzoek beslist. Op 9 oktober 2025 heeft [eiser] opnieuw een verzoek om strafonderbreking ingediend. Geen van partijen heeft dit verzoek als productie in het geding gebracht, maar de Staat heeft onweersproken gesteld dat [eiser] dit verzoek uitsluitend heeft gebaseerd op zijn eigen gezondheidsproblemen. In het kader van dit verzoek wordt de detentiegeschiktheid van [eiser] op dit moment onderzocht. De Staat heeft ter zitting aangevoerd dat de medisch adviseur, zodra de door deze opgevraagde aanvullende informatie van de behandelaren van [eiser] beschikbaar is, nog op dezelfde dag een advies kan uitbrengen. Dat heeft de ter zitting aanwezige medisch adviseur ook bevestigd. Daarna kan snel en, ervan uitgaande dat de aanvullende informatie tijdig beschikbaar komt, ruimschoots vóór het einde van de reeds verleende strafonderbreking (die loopt tot 28 november 2025) op het nieuwe verzoek tot strafonderbreking van [eiser]  worden beslist. Voor zover de vordering van [eiser] ertoe strekt dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt geschorst dan wel dat hem strafonderbreking wordt verleend in verband met zijn eigen gezondheidsproblemen, geldt dan ook dat die vordering prematuur is ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Ook voor zover [eiser] schorsing van de tenuitvoerlegging dan wel strafonderbreking wenst in verband met zijn gezinssituatie, moet hij voornoemde procedure volgen. Dat wil zeggen dat [eiser] een nieuw verzoek tot strafonderbreking zal moeten indienen en dat verzoek op zijn gezinssituatie moet baseren. Naar aanleiding van een dergelijk verzoek zal zijn gezinssituatie opnieuw worden onderzocht. Gelet op het feit dat eerder positief is beslist op een verzoek om strafonderbreking, gebaseerd op de gezinssituatie van [eiser] , is niet uitgesloten dat ook op een nieuw verzoek positief zal worden beslist. [eiser] zal evenwel eerst een dergelijk verzoek moeten indienen en de uitkomst daarvan moeten afwachten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Indien op het reeds ingediende dan wel nog in te dienen verzoek negatief wordt beslist, staat voor [eiser] op grond van artikel 72 Pbw tegen die beslissing(en) beroep open bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). De beroepsprocedure bij de RSJ wordt volgens vaste jurisprudentie aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Dit brengt mee dat de weg naar de civiele rechter ook in die gevallen in beginsel is afgesloten. Dit zou evenwel anders kunnen zijn indien [eiser] niet binnen een redelijke termijn een uitspraak van de RSJ kan verkrijgen. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat die situatie hier niet te verwachten is. De Staat heeft toegelicht dat beroepen tegen beslissingen inzake strafonderbreking versneld worden behandeld en dat [eiser] de RSJ ook kan verzoeken een eventueel beroep met extra spoed te behandelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Voor een zelfstandige veroordeling van de Staat tot het doen van onderzoek naar de detentiegeschiktheid van [eiser] in verband met zijn gezondheidsproblemen dan wel zijn gezinssituatie, bestaat geen aanleiding. Als overwogen wordt in het kader van het door [eiser] ingediende verzoek tot strafonderbreking al onderzoek gedaan naar zijn gezondheidsproblemen, zodat hij bij toewijzing van dat deel van zijn vorderingen geen belang heeft. Aangezien [eiser] nog geen verzoek tot strafonderbreking op grond van zijn gezinssituatie heeft ingediend, ontbreekt op dit moment ook een belang bij zijn vordering om de Staat te gelasten daar onderzoek naar te doen. Zodra [eiser] een dergelijk verzoek indient, zal – zoals ook is gebeurd naar aanleiding van zijn verzoek van 15 juli 2025 – het vereiste onderzoek alsnog worden verricht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>
        [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>714,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.107,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.999,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen om de Staat te gelasten de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf te schorsen, dan wel hem strafonderbreking te verlenen; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>NHS</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>