<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-02T10:33:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.46265 en NL24.46267</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JV 2026/46</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21535">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T09:03:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21535 Rechtbank Den Haag , 11-11-2025 / NL24.46265 en NL24.46267</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21535:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT asiel, samenhang. Met het BVM heeft de minister de beslistermijn tijdelijk kunnen uitstellen, er is geen verlenging mogelijk. Beslistermijn eisers al verstreken voor BVM dus gegronde opvolgende beroepen, 2 weken, verhoogde dwangsom.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21535:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummers: NL24.46265 en NL24.46267</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [V-Nummers]
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), hierna samen: eisers</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, de minister.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun asielaanvraag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft op 3, 19 en 26 september 2025 een verweerschrift ingediend. Eisers hebben op de verweerschriften van 3 en 19 september 2025 gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eisers is verschenen. De minister is met bericht van verhindering niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres is de dochter van eiser en zij hebben op 5 mei 2024 afzonderlijk van elkaar een asielaanvraag ingediend. Eisers hebben de minister op 7 november 2024 in gebreke gesteld, waarna zij op 22 november 2024 in beroep zijn gegaan wegens het niet tijdig beslissen op de aanvragen.</para>
    <para />
    <para>2. De minister voert in zijn verweerschriften van 3 en 19 september 2025 aan dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Volgens de minister is er sprake van samenhang tussen eisers en de moeder, dan wel echtgenote. De minister schrijft dat zij een gezin vormen, samen naar Nederland zijn gereisd, hun asielaanvragen gelijktijdig hebben ingediend en gelijkluidende asielmotieven hebben. Het beroep van de moeder, dan wel echtgenote, is op 10 juni 2025<footnote-ref linkend="_aec5352a-dc40-4b5a-b8f8-64f3c938ccd1" /> gegrond verklaard. In deze uitspraak is de minister opgedragen om binnen zestien weken alsnog een besluit bekend te maken, dus uiterlijk op 30 september 2025, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-. Volgens de minister is er daardoor in deze beroepen geen sprake meer van procesbelang, omdat de rechtbank zich al heeft uitgesproken over het geschil. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Op de zitting hebben eisers gesteld dat geen sprake is van samenhang met de zaak van de moeder, dan wel echtgenote, omdat zij een verschillend asielrelaas hebben. De rechtbank is van oordeel dat eisers dit onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Zo is er niet toegelicht in welke zin de asielrelazen van elkaar verschillen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij hetzelfde asielrelaas hebben. Eisers behoren tot hetzelfde gezin als de moeder, dan wel echtgenote, waardoor in beginsel sprake is van samenhang. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat er geen sprake zou zijn van procesbelang niet. Zo volgt uit rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_4e027b2c-1ad3-4892-90f3-02dbec643d48" /> dat procesbelang in beginsel blijft bestaan, zolang er niet op een aanvraag is beslist.<footnote-ref linkend="_6078922c-c898-43af-bfbc-d8a7fa1b15d0" /> Daarnaast is de opgelegde beslistermijn van zestien weken uit de uitspraak van 10 juni 2025 op 30 september 2025 verstreken. Niet is gebleken dat de minister op de aanvragen van eisers heeft beslist. De rechtbank oordeelt daarom dat nog steeds sprake is van procesbelang.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.	De minister heeft in zijn verweerschriften van 3 en 26 september 2025 subsidiair aangevoerd dat de beslistermijn voor de asielaanvragen van eisers is verlengd met het besluit- en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië.<footnote-ref linkend="_94520822-7042-48e8-95bd-d81a246d067e" /> De minister schrijft dat de beslistermijn hiermee is verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_05d3d8d2-3fdd-4caf-989d-51955475f7ca" />, waarin is bepaald dat het niet in strijd is met de Procedurerichtlijn<footnote-ref linkend="_26374062-1b4a-4a0e-b655-3b2d193d17f0" /> dat een besluit op een individuele aanvraag uitgesteld kan worden, waarbij het besluit- en vertrekmoratorium geldt voor alle vreemdelingen die onder het toepassingsbereik van dat besluit vallen en een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hebben lopen waarop nog niet is beslist. Verder schrijft de minister in zijn verweerschrift van 26 september 2025 dat in de Procedurerichtlijn niet staat opgenomen met welke termijn de beslistermijn verlengd mag worden, zolang zij met het besluit maar binnen de uiterste termijn van 21 maanden blijven. Volgens de minister mocht de beslistermijn dan ook worden verlengd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De rechtbank stelt als eerste vast dat de bevoegdheid tot het instellen van een besluit- en vertrekmoratorium zoals volgt uit artikel 43 van de Vreemdelingenwet een implementatie is van artikel 31, vierde lid van de Procedurerichtlijn. Eisers doen beroep op laatstgenoemde bepaling en stellen dat artikel 43 van de Vreemdelingenwet daarmee in strijd is. De vraag is in hoeverre eisers een rechtstreeks beroep op deze bepaling uit de Procedurerichtlijn toekomt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie<footnote-ref linkend="_8791e85c-3bdb-48fa-b95b-3266f071cf2e" /> moet de uitvoering van een richtlijn de volledige toepassing ervan verzekeren. Het Hof van Justitie heeft overwogen dat de vaststelling van nationale maatregelen die een richtlijn naar behoren uitvoeren, niet betekent dat de richtlijn geen gevolgen meer heeft, en dat een lidstaat ook na vaststelling van deze maatregelen gehouden blijft daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn te verzekeren. Daarom kunnen particulieren zich voor de nationale rechter tegenover de staat beroepen op bepalingen van een richtlijn die inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende precies zijn. Dit kan in alle gevallen waarin de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk verzekerd is, en dus ook in geval van onjuiste uitvoering van de richtlijn.<footnote-ref linkend="_bb349ec1-4055-442f-b730-892f0b42dbfa" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat artikel 31, vierde lid van de Procedurerichtlijn blijkens de tekst van de bepaling een bevoegdheid voor lidstaten in het leven roept. Deze bepaling is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk, zodat eisers zich daarop kunnen beroepen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De rechtbank is verder van oordeel dat de onder 3. gegeven uitleg van de minister niet gevolgd kan worden en overweegt daartoe als volgt. In artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn staat opgenomen dat de asielprocedure in beginsel zes maanden bedraagt. In ditzelfde lid staan drie situaties opgenomen wanneer de beslistermijn kan worden <emphasis role="italic">verlengd</emphasis>. Het besluit- en vertrekmoratorium zoals opgenomen in artikel 43 van de Vreemdelingenwet is zoals eerder overwogen echter gebaseerd op het vierde lid van dit artikel. Daarin wordt niet gesproken over een <emphasis role="italic">verlenging</emphasis>, maar over de mogelijkheid om het nemen van de beslissing <emphasis role="italic">uit te stellen</emphasis> in het geval van een onzekere situatie in een land van herkomst. In de Engelse taalversie wordt in het derde lid gesproken over <emphasis role="italic">extend</emphasis> en in het vierde lid over <emphasis role="italic">postpone</emphasis>. In de Franse taalversie wordt in het derde lid gesproken over <emphasis role="italic">prolonger</emphasis> en in het vierde lid over <emphasis role="italic">différer</emphasis>. In de Duitse taalversie wordt in het derde lid gesproken over <emphasis role="italic">verlängern</emphasis> en in het vierde lid over <emphasis role="italic">aufschieben</emphasis>. Uitstellen, postpone, différer en aufschieben is wat anders dan verlengen, extend, prolonger en verlängern. Uitgaande van deze grammaticale uitleg mocht de minister het nemen van de beslissing slechts uitstellen. Hoewel in artikel 43 van de Vreemdelingenwet wordt gesproken over het <emphasis role="italic">verlengen</emphasis> van de beslistermijn, brengt een richtlijnconforme uitleg met zich mee dat dit uitgelegd moet worden als <emphasis role="italic">uitstellen.</emphasis> Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de beslistermijn met het besluit- en vertrekmoratorium niet kan worden verlengd, maar hoogstens dat de beslissing kan worden uitgesteld zolang het besluit- en vertrekmoratorium geldt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Als de uitleg van de minister over de verlenging van de beslistermijn gevolgd zou worden, dan zou er een beslistermijn van achttien maanden gelden voor de asielaanvragen die onder het besluit- en vertrekmoratorium vallen. Voor de asielaanvragen die één dag na intrekking van het besluit- en vertrekmoratorium zijn ingediend, zou dan een beslistermijn van zes maanden gelden. Dit zou betekenen dat er op een latere asielaanvraag eerder zou moeten worden beslist. De rechtbank acht deze uitleg niet logisch, onwenselijk en in strijd met het uitgangspunt van artikel 31, tweede lid van de Procedurerichtlijn dat bepaalt dat lidstaten ervoor zorgen dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond. </para>
      <para />
      <para>4. De rechtbank concludeert dan ook dat de beslistermijn voor eisers zes maanden bedroeg. Het besluit- en vertrekmoratorium is op 11 december 2024 in werking getreden en op 10 juni 2025 ingetrokken. In het geval van eisers was de beslistermijn van zes maanden echter al verstreken op 5 november 2024, oftewel voordat het beslis- en vertrekmoratorium in werking trad. De ingebrekestelling van 7 november 2024 is dus geldig. Eisers hebben vervolgens minimaal twee weken gewacht voordat zij op 22 november 2024 afzonderlijk beroep hebben ingesteld. De beroepen zijn dus gegrond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.<footnote-ref linkend="_01c6c333-e513-4dd6-aa72-118736d60a52" /></para>
      <para />
      <para>6. De rechtbank overweegt dat het besluit- en vertrekmoratorium een dergelijke bijzonder geval betreft om in beginsel een andere termijn dan bovengenoemde twee weken op te leggen omdat tijdens de geldigheid daarvan het nemen van de beslissing op de aanvragen in die periode is uitgesteld. Het besluit- en vertrekmoratorium is echter op 10 juni 2025 ingetrokken en vanaf dat moment is de minister weer in staat om op de aanvragen te beslissen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de minister met de uitspraak van 10 juni 2025<footnote-ref linkend="_700f0ae1-794f-4427-989a-d761b2f292dc" /> in de zaak van de moeder, dan wel echtgenote uitdrukkelijk is opgedragen te beslissen op de aanvraag van eisers, maar dat nog steeds niet heeft gedaan. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die daaraan sindsdien in de weg hebben gestaan. Dat betekent dat de rechtbank nu de standaardtermijn van twee weken aan de minister oplegt om te beslissen op de aanvragen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de hoogte van de rechterlijke dwangsom?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. De rechtbank volgt de uitspraak van 30 november 2022<footnote-ref linkend="_674d792c-9100-42e2-9689-743b102690f9" /> waarin artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, voor zover daarin is bepaald dat artikel 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onverbindend is verklaard wegens strijd met artikel 47 van het Handvest.<footnote-ref linkend="_96059dbb-5649-4c2d-9c75-6ca87224156d" /> Net als in die uitspraak, betekent het voorgaande ook in deze zaak dat de rechtbank wél overeenkomstig artikel 8:72, zesde lid, van de Awb een (rechterlijke) dwangsom kan opleggen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat de minister een nadere dwangsom van € 250,- aan eisers gezamenlijk is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank kiest voor een hogere dwangsom dan gebruikelijk, omdat de minister zich niet heeft gehouden aan de opdracht van de rechtbank van 10 juni 2025 om uiterlijk op 30 september 2025 te beslissen op de aanvraag. Deze dwangsom gaat lopen nadat de dwangsom uit de uitspraak van 10 juni 2025 is volgelopen, dus vanaf 15 december 2025.</para>
      <para />
      <para>8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten die zij in verband met de behandeling van hun (als samenhangende zaak aan te merken) beroepen redelijkerwijs hebben gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- draagt de minister op <emphasis role="bold">binnen twee weken</emphasis> na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvragen te nemen;</para>
    <para>- bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-; en,</para>
    <para>- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 907,-. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van<?linebreak?>M.A. van Garder, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_aec5352a-dc40-4b5a-b8f8-64f3c938ccd1" label="1">
    <para> NL24.46268, niet gepubliceerd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e027b2c-1ad3-4892-90f3-02dbec643d48" label="2">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6078922c-c898-43af-bfbc-d8a7fa1b15d0" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:4865.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_94520822-7042-48e8-95bd-d81a246d067e" label="4">
    <para> Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_05d3d8d2-3fdd-4caf-989d-51955475f7ca" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2019:3600.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_26374062-1b4a-4a0e-b655-3b2d193d17f0" label="6">
    <para> Richtlijn 2013/32/EU.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8791e85c-3bdb-48fa-b95b-3266f071cf2e" label="7">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb349ec1-4055-442f-b730-892f0b42dbfa" label="8">
    <para> Zie bijvoorbeeld het arrest van 11 juli 2002, in de zaak Marks &amp; Spencer, C-62/00, overweging 26 en 27.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_01c6c333-e513-4dd6-aa72-118736d60a52" label="9">
    <para> Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_700f0ae1-794f-4427-989a-d761b2f292dc" label="10">
    <para> NL24.46268, niet gepubliceerd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_674d792c-9100-42e2-9689-743b102690f9" label="11">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3353.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_96059dbb-5649-4c2d-9c75-6ca87224156d" label="12">
    <para> Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>