<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21462</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-18T14:01:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.9832</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21462">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21462</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-18T14:01:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21462 Rechtbank Den Haag , 24-10-2025 / NL24.9832</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21462:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Derdelanders richtlijn tijdelijke bescherming (RTB) - verweerder mocht tijdelijke bescherming beeindigen - geen ruimte voor toets evenredigheid bij van rechtswege einde verblijfsrecht - persoonlijke omstandigheden en terugkeerbesluit - Rechtmatig verblijf in Spanje niet aangetoond met in- en uitschrijving BRP.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21462:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL24.9832</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , v-nummer: [v-nummer] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Heida),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie, </emphasis>voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft met het besluit van 28 juli 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na de uitspraak op dit beroep Nederland dient te verlaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.	</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 2 augustus 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.<footnote-ref linkend="_5abc8e35-9961-4545-aa12-b8c5211222e1" /></para>
    <para />
    <para>3. Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met dezelfde brief heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024. Verweerder heeft dat besluit ingetrokken<footnote-ref linkend="_2011f913-91cf-4599-883f-6667af39f521" /> en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervangen met het besluit van 28 juli 2025. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ook betrekking op het nieuw genomen besluit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Met het nieuwe besluit van 28 juli 2025 heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en niet heeft aangetoond dat hij rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat er geen sprake is van risico’s bij terugkeer naar Marokko, dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat van het terugkeerbesluit moet worden afgezien en dat er geen aanleiding bestaat om eiser te horen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Eiser voert aan dat de hem verleende tijdelijke bescherming ten onrechte is beëindigd per 4 maart 2024. Uit het arrest Kaduna en Abkez<footnote-ref linkend="_dd99696f-0ec1-4b73-9d94-9fc962235a8b" /> volgt dat het eerder beëindigen van facultatieve tijdelijke bescherming alleen is toegestaan indien er door de lidstaat geen toezegging is gedaan dat de facultatieve bescherming niet eerder zal worden beëindigd dan de verplichte tijdelijke bescherming. Verweerder heeft in de brief aan de Tweede Kamer van 30 maart 2022 geen onderscheid gemaakt tussen personen die facultatieve tijdelijke bescherming is verleend en zij die verplichte tijdelijke bescherming is verleend en daarmee een dergelijke toezegging gedaan. De beëindiging van de tijdelijke bescherming is in strijd met het vertrouwensbeginsel.<footnote-ref linkend="_2e6e2981-3b6d-4679-b967-f9574194d1a8" /> Verder voert eiser aan dat hem geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd omdat hij rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van de door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 20 maart 2024 toegewezen voorlopige voorziening.<footnote-ref linkend="_459e25fa-75ca-4524-95a5-597dbcdbc54f" /> Ook eisers verblijfsrecht in Spanje maakt dat verweerder geen terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen. Verweerder heeft daarbij ten onrechte afgeweken van de gedragslijn die hij toepast bij vreemdelingen wiens tijdelijke bescherming is geëindigd, waarbij een opgelegd terugkeerbesluit wordt opgeheven wanneer een uitschrijving uit de Nederlandse BRP<footnote-ref linkend="_9f774ba6-ef24-4a95-b215-1ec075d362d5" /> en een inschrijving in een EU-lidstaat wordt overgelegd. Eiser heeft beide stukken overgelegd, waarmee verweerder uit had moeten gaan van eisers verblijfsrecht in Spanje en af had moeten zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Daarnaast is de signalering van eiser in het Schengen Informatie Systeem (SIS), als gevolg van het opleggen van het terugkeerbesluit, onevenredig hard omdat dat eiser belet om tijdelijke bescherming of verblijfsrecht in een ander EU-land te kunnen krijgen. Verweerder had eiser moeten horen alvorens het terugkeerbesluit op te leggen.<footnote-ref linkend="_c5a2411e-fb13-4572-9ee7-539c0e790f2a" /> Ten slotte heeft verweerder onvoldoende onderzocht en beoordeeld of het terugkeerbesluit een schending van het verbod op refoulement oplevert.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Tijdelijke bescherming en rechtmatig verblijf</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. Uit de uitspraken van de Afdeling<footnote-ref linkend="_c09116fc-e074-40a8-92d3-d9673ca69e20" /> en het arrest Kaduna en Abkez<footnote-ref linkend="_e36ba181-6d14-48a2-8007-b0d37187af48" /> volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 28 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiser namelijk niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet mocht beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025,<footnote-ref linkend="_49fc2975-b86f-4a6e-95fd-2ce77124c997" /> onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024,<footnote-ref linkend="_ecc37a2a-247f-4c0e-bc07-33b3c5fefaa6" /> geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft ook geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt verder vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 20 maart 2024 de rechtsgevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit heeft opgeschort en heeft bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op zijn beroep. Deze uitspraak betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure (procedureel) rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar doet daarmee niet af aan de vaststelling dat eiser, met de beëindiging van de tijdelijke bescherming, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland. Verweerder is daarom bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Rechtmatig verblijf in Spanje</emphasis>
        </para>
        <para>6. Uit artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn<footnote-ref linkend="_7258169a-975d-4cfb-89ed-a3454e624187" /> volgt dat een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in een andere lidstaat, eerst een bevel moet worden gegeven zich naar die lidstaat te begeven.<footnote-ref linkend="_a8a69b24-fa24-4b13-849f-7283b8a38f89" /> Pas indien dat bevel niet wordt nageleefd, of wanneer redenen van openbare orde of nationale veiligheid het vertrek van de vreemdeling vereisen, kan een terugkeerbesluit worden opgelegd. De vaststelling van onrechtmatig verblijf wordt achterwege gelaten, tenzij het bevel niet wordt opgevolgd.<footnote-ref linkend="_dbff0cdb-54fa-4f83-b2b8-4312a771fda7" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Eiser heeft met een uitschrijving uit de BRP, een inschrijving in een Spaanse gemeente en een bewijs van het volgen van een studie onderbouwd dat hij al langere tijd in Spanje verblijft. Hoewel eiser heeft onderbouwd dat hij in Spanje verblijft, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat hij rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Uit de overgelegde stukken blijkt immers niet dat er sprake is van rechtmatig verblijf. De rechtbank merkt daarbij op dat niet is aangevoerd of onderbouwd dat eiser geen bewijs kan overleggen van zijn gestelde verblijfsrecht in Spanje, zoals een (kopie van) een verblijfsvergunning of aanvraag van een verblijfsdocument. Eiser heeft de gestelde gedragslijn van verweerder, waarbij het overleggen van in- en uitschrijven van de BRP aanleiding geeft tot opheffen van een terugkeerbesluit, onderbouwd met e-mail correspondentie. Hoewel de overgelegde correspondentie de suggestie wekt dat opheffing van het terugkeerbesluit mogelijk is bij het overleggen van deze documenten, maken deze e-mails onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een bestendige gedragslijn en dat daar van af zou zijn geweken in het geval van eiser. Daarbij is verder van belang dat – zoals deze rechtbank in een eerdere uitspraak heeft overwogen<footnote-ref linkend="_8f82b32b-516e-4e55-b943-7cf1ca3ea572" /> – het enkele feit dat eiser zich niet in Nederland, maar in een andere lidstaat van de EU bevindt, niet maakt dat verweerder geen terugkeerbesluit aan eiser kan opleggen. Nu niet is aangetoond dat eiser verblijfsrecht heeft in Spanje, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Persoonlijke omstandigheden </emphasis>
        </para>
        <para>7. Verder is de rechtbank van oordeel dat de beëindiging van het verblijfsrecht en het opleggen van het terugkeerbesluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of met artikel 8 van het EVRM. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024<footnote-ref linkend="_6548ea7c-9a37-49a9-b120-9aa1960c84ab" /> geoordeeld dat bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming geen ruimte is voor een individuele toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat het verblijfsrecht van rechtswege is geëindigd. Verweerder heeft dus terecht niet beoordeeld of het beëindigen van de tijdelijke bescherming, en daarmee het verblijfsrecht van eiser, in het individuele geval van eiser evenredig is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Ten aanzien van de signalering van eiser in SIS, overweegt de rechtbank dat in artikel 3, eerste lid van de Verordening 2018/1860, dwingend is voorgeschreven dat de lidstaten verplicht zijn een vreemdeling tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in het SIS. Verweerder is dus ook in het geval van eiser verplicht om het terugkeerbesluit te registreren en heeft daarbij geen ruimte om te beoordelen of de signalering evenredig is. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Ten aanzien van eisers betoog dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit uitgebreider had moeten onderzoeken en beoordelen of eiser bij terugkeer naar Marokko te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met het verbod op refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft niet gesteld en onderbouwd dat hij vreest voor vervolging of schending van zijn mensenrechten bij terugkeer naar Marokko. De asielaanvraag van eiser is bovendien buiten behandeling gesteld, waarbij eiser niet heeft gereageerd op de vraag of hij wilde worden gehoord en niet heeft gereageerd op het voornemen tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag. Verweerder heeft bij het opleggen van het terugkeerbesluit bovendien in overeenstemming met het arrest Ararat<footnote-ref linkend="_381d0d6d-9537-4e98-aaf7-92188b5f59e9" /> een geactualiseerde beoordeling verricht van de risico’s die eiser bij terugkeer naar Marokko zou kunnen lopen. Indien eiser meent dat hij op andere gronden te vrezen heeft voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, staat het hem vrij om wederom een asielaanvraag in te dienen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>8. De rechtbank overweegt ten slotte dat verweerder af heeft kunnen zien van het horen van eiser. Uit arresten van het Hof van Justitie volgt dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunten over het terugkeerbesluit kenbaar te maken alvorens dat wordt opgelegd.<footnote-ref linkend="_9dad1a86-25ac-44c3-88c7-13ff5acec19e" /> De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser daartoe voldoende in staat heeft gesteld, nu hij met een zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen van verweerder om een terugkeerbesluit op te leggen. Het is de rechtbank daarbij niet duidelijk welke informatie verweerder volgens eiser niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming door eiser niet te horen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.</para>
    <para />
    <para>10. Nu verweerder het besluit waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op €1.814,-.<footnote-ref linkend="_36f41c0d-a892-4df4-841d-e8c4f8e8dcb1" /></para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond; </para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_5abc8e35-9961-4545-aa12-b8c5211222e1" label="1">
    <para>Richtlĳn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen  van tĳdelĳke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2011f913-91cf-4599-883f-6667af39f521" label="2">
    <para> Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd99696f-0ec1-4b73-9d94-9fc962235a8b" label="3">
    <para> Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e6e2981-3b6d-4679-b967-f9574194d1a8" label="4">
    <para> Eiser verwijst daarbij naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 mei 2016, ECLI:EU:C:2016:360 (arrest Neamt en Bacau) en van 3 september 2015, ECLI:EU:C:2015:537 (arrest A2A SpA).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_459e25fa-75ca-4524-95a5-597dbcdbc54f" label="5">
    <para> De zaak bekend onder nummer NL24.9833 (niet gepubliceerd)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9f774ba6-ef24-4a95-b215-1ec075d362d5" label="6">
    <para> Basisregistratie personen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5a2411e-fb13-4572-9ee7-539c0e790f2a" label="7">
    <para> Eiser verwijst daarbij naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 september 2013, ECLI:EU:C:2013:533 (arrest M.G. en N.R.) en van 11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431 (arrest Boudjlida).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c09116fc-e074-40a8-92d3-d9673ca69e20" label="8">
    <para> Zie ECLI:NL:RVS:2025:1829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e36ba181-6d14-48a2-8007-b0d37187af48" label="9">
    <para> Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_49fc2975-b86f-4a6e-95fd-2ce77124c997" label="10">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ecc37a2a-247f-4c0e-bc07-33b3c5fefaa6" label="11">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7258169a-975d-4cfb-89ed-a3454e624187" label="12">
    <para> Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8a69b24-fa24-4b13-849f-7283b8a38f89" label="13">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4300.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dbff0cdb-54fa-4f83-b2b8-4312a771fda7" label="14">
    <para> Zie artikel 62a, eerste lid, onder b, en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8f82b32b-516e-4e55-b943-7cf1ca3ea572" label="15">
    <para> Zie de uitspraak van 23 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8312.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6548ea7c-9a37-49a9-b120-9aa1960c84ab" label="16">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_381d0d6d-9537-4e98-aaf7-92188b5f59e9" label="17">
    <para> Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (arrest K, L, M, N).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9dad1a86-25ac-44c3-88c7-13ff5acec19e" label="18">
    <para> Zie het arrest K.A. van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308 en het arrest X. van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_36f41c0d-a892-4df4-841d-e8c4f8e8dcb1" label="19">
    <para> 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>