<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21406</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-14T10:53:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBNHO:2025:12959</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.13482</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21406">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21406</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T13:24:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21406 Rechtbank Den Haag , 15-08-2025 / NL22.13482</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21406:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening hangende bezwaar toegewezen. Verzoeker heeft verzocht om het toewijzen van de voorlopige voorziening. Met het toewijzen van de voorlopige voorziening verkrijgt verzoeker rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000. Hiermee kan verzoeker een zorgverzekering afsluiten, die hij nodig heeft voor het krijgen en financieren van medische behandelingen. Verzoeker mocht het besluit op bezwaar al in Nederland afwachten omdat hij binnen 24 uur na het bekendmaken van het besluit om een voorlopige voorziening heeft verzocht, waardoor de feitelijke situatie niet veranderd. Inmiddels doet verweerder al ruim drie jaar over het nemen van een besluit op bezwaar. De vrees van verweerder dat verzoeker mogelijk een beroep doet op het driejarenbeleid, is niet te verwijten aan verzoeker maar aan verweerder zelf.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21406:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.13482 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster] , verzoeker,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. B. Aydin),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen eerst of sprake is van een spoedeisend belang daarbij. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit waarom hij het verzoek toewijst en welke gevolgen dat heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Verzoeker heeft op 19 mei 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juli 2022 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen op dezelfde dag bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die er op ziet dat hij het besluit op bezwaar in Nederland mag afwachten. Omdat verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening binnen 24 uur na de bekendmaking van het besluit van 13 juli 2022 heeft ingediend mag hij van verweerder de behandeling daarvan door de voorzieningenrechter in Nederland afwachten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Spoedeisend belang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid van de Awb<footnote-ref linkend="_3c3add72-48e3-4d6d-82fe-acd8310a33d3" /> kan de voorzieningenrechter gedurende de behandeling van een bezwaar door de tegen een besluit van een bestuursorgaan op verzoek van de bezwaarmaker een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.<?linebreak?>3.	Verzoeker voert aan dat, hoewel hij gedurende de behandeling van het verzoek niet met uitzetting wordt bedreigd, nu toch spoedeisend belang heeft bij een beslissing op het verzoek. Dit omdat een toewijzing van het verzoek met zich brengt dat hij, zolang verweerder niet op zijn bezwaar heeft beslist, rechtmatig verblijf verkrijgt. Al sinds de afwijzing van zijn aanvraag heeft verzoeker dat niet. Al die tijd heeft hij zich niet kunnen verzekeren voor de kosten die hij moet maken voor de behandeling van zijn ernstige gezondheidsklachten. Ter onderbouwing heeft verzoeker een brief overgelegd van het Zilveren Kruis van 27 maart 2025 waarin de aanvraag voor een zorgverzekering van verzoeker wordt afgewezen, omdat verzoeker geen verblijfstitel heeft. Ook heeft verzoeker medische stukken overgelegd waaruit zijn klachten blijken. </para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij thans spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Hierbij overweegt hij als volgt.<?linebreak?>Bij het toewijzen van de voorlopige voorziening, verkrijgt verzoeker rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder h, van de Vw<footnote-ref linkend="_b89058ec-65a0-4105-b253-1d2074b3e660" />. Uit de stukken die verzoeker heeft overgelegd en zijn toelichting op zitting, blijkt voldoende dat hij al enige tijd veel kosten maakt voor de behandeling van zijn ernstige astma- en bronchitisklachten. Dit terwijl hij voor het dekken van die kosten zonder verblijfstitel geen zorgverzekering kan afsluiten. Daarnaast heeft verzoeker met het overleggen van de stukken en zijn toelichting ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat hij door zijn gezondheidsklachten minder dan voorheen in staat is om zijn werk als zelfstandige te verrichten om met het inkomen daaruit zijn medische kosten te dekken. Voormelde omstandigheden leiden de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verzoeker inmiddels in een zodanige situatie is geraakt dat hij een spoedeisende belang heeft bij de gevraagde voorziening. Hieraan doet niet af dat verzoeker, zoals verweerder ter zitting heeft benadrukt, ook niet nu al met uitzetting wordt bedreigd. De huidige situatie, die door het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening al meer dan drie jaar voortduurt, brengt voor verzoeker immers niet met zich dat hij rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 van de Vw, wat wel nodig is om een zorgverzekering te kunnen afsluiten. Ook de verwijzing ter zitting van verweerder naar artikel 10, tweede lid, van de Vw brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel, omdat dit artikellid het enkel mogelijk maakt dat onverzekerde personen zonder verblijfsrecht in aanmerking worden gebracht voor medische noodzakelijke zorg. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het verzoek</emphasis>
        <?linebreak?>5.	Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen op grond van het zogenoemde documentatievereiste. Dat houdt in dat de door de vreemdeling bij zijn aanvraag overgelegde stukken onvoldoende zijn voor verweerder om die voor te leggen aan de Minister van Economische Zaken ter beoordeling van de vraag of met de activiteiten van de zelfstandige onderneming een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Daardoor heeft verzoeker niet aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandig ondernemer en wordt hij ook niet vrijgesteld van het vereiste van het hebben van een machtiging voor voorlopig verblijf.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>6. Verzoeker heeft in bezwaar de volgende stukken overgelegd: een ondernemingsplan; tussentijdse balansen; arbeidsovereenkomsten; een SKG; jaarberekeningen van afgesloten boekjaren; aangiftes en aanslagen inkomsten- en omzetbelasting; verkoopfacturen; bankafschriften van de zakelijke rekening; zorgtoeslagen en een locatiescan ondernemingsplan. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij deze stukken heeft overgelegd om aan te tonen dat hij nu wel voldoet aan het documentatievereiste en zijn bezwaar daarom een redelijke kans van slagen heeft.</para>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft, zo is ter zitting duidelijk geworden, het bezwaar nog steeds niet in behandeling genomen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit te maken heeft met de scherpe keuzes die verweerder door de huidige personele situatie bij de IND moet maken bij de volgorde van behandeling van aanvragen en bezwaren. Omdat het bezwaar van verzoeker nog niet in behandeling is genomen heeft verweerder de al enige tijd geleden in bezwaar overgelegde stukken nog niet bestudeerd. Verweerder heeft alleen ter zitting en slechts in algemene bewoordingen op een paar van die stukken gereageerd. Zo heeft verweerder over het door verzoeker in bezwaar overgelegde ondernemingsplan opgemerkt dat de daarin vermelde markt- en concurrentieanalyse onvoldoende is toegespitst op de onderneming van verzoeker. Ook heeft verweerder opgemerkt dat de verkoopfacturen onvoldoende gedetailleerd zijn. </para>
    <para />
    <para>8. Hoewel verweerder kan worden gevolgd in de stelling dat de door verzoeker overgelegde verkoopfacturen weinig gedetailleerd zijn en de markt- en concurrentieanalyse wat algemeen lijkt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gezien de inhoud en veelheid van alle door verzoeker in bezwaar overgelegde stukken, verweerders mondelinge reactie ter zitting hierop onvoldoende is om aan te nemen dat het bezwaar al op voorhand geen redelijke kans van slagen heeft. Dit terwijl verzoeker inmiddels al meer dan drie jaar wacht op de behandeling van zijn bezwaar. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het eerder in deze uitspraak besproken belang dat verzoeker heeft bij een toewijzing van zijn verzoek om een voorlopige voorziening zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij een afwijzing van het verzoek. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het enige belang dat verweerder tegenover het belang van verzoeker heeft gesteld is dat verzoeker indien de voorlopige voorziening wordt toegewezen mogelijk een beroep zal doen op verweerders zogenoemde driejarenbeleid voor vreemdelingen van Turkse afkomst. Dat belang acht de voorzieningenrechter in dit geval onvoldoende zwaarwegend, omdat, zoals verzoeker ter zitting niet ten onrechte naar voren heeft gebracht, dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is en een eventueel toekomstig verblijfsrecht van verzoeker op grond van het driejarenbeleid dan vooral het gevolg is van het nalaten van verweerder zelf om tijdig op het bezwaar te beslissen. </para>
    <para>De stelling van verweerder dat verzoeker geen ingebrekestelling heeft ingediend terwijl dit de gangbare weg zou zijn om verweerder een beslissing te laten nemen, verandert de voorzieningenrechter niet van oordeel. Het is immers in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan tijdig op een bezwaar te beslissen. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker het besluit op bezwaar in Nederland mag afwachten. </para>
    <para />
    <para>10. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht van € 184,- moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding van proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para>- wijst de voorlopige voorziening toe;<?linebreak?>- verbiedt verweerder verzoeker uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan verzoeker moet vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3c3add72-48e3-4d6d-82fe-acd8310a33d3" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b89058ec-65a0-4105-b253-1d2074b3e660" label="2">
    <para> Vreemdelingenwet 2000</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>