<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21397</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T11:06:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.14521</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21397">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21397</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T11:06:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21397 Rechtbank Den Haag , 15-08-2025 / NL25.14521</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21397:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Oostenrijk, isv, artikel 17 Dvo, DNA-onderzoek om vaderschap vast te stellen, beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21397:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>uitspraak</para>
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="f72ec040-804f-4c9a-9853-aea9da7b89d3" depth="2" width="523" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="66fc9a79-36c4-417f-a41a-a6bfa657fd34" depth="2" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
  </para>
  <section>
    <title>RECHTBANK DEN HAAG</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht </para>
      <para />
      <para>Bestuursrecht </para>
      <para />
      <para>zaaknummer: NL25.14521</para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker ).</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025 op zitting behandeld en het onderzoek gesloten. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, T. Sliamane als tolk en de gemachtigde van de minister.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek op 23 april 2025 heropend, om eiser de gelegenheid te geven een DNA-onderzoek te doen en daarbij te motiveren wat de uitkomst van dit onderzoek voor eisers beroep betekent. Verweerder heeft op de uitkomst van het onderzoek gereageerd. Op 12 augustus 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
      </para>
      <para>4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is er sprake van een standaard voornemen?</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para>5. Eiser stelt dat de minister tekort is geschoten in zijn besluitvorming door te volstaan met een standaard voornemen waarin de motivering niet op de zaak van eiser is toegespitst.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een onzorgvuldig tot stand gekomen besluit en overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling, van 11 april 20252, volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen standaard overwegingen bevat, betekent niet dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. Het enkele feit dat niet alle verklaringen van de vreemdeling tijdens het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij het voornemen en daarin expliciet zijn vermeld, kan op zichzelf dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De vreemdeling heeft door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen, indien de specifieke verklaringen van de vreemdeling niet allen kenbaar zijn betrokken in het voornemen. Verder overweegt de Afdeling in voornoemde uitspraak dat de achterliggende gedachte van de invoering van de voornemenprocedure in Dublinzaken is beschreven in de toelichting van het besluit inhoudende de wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 van 10 juli 2015, Stb 2000, 294. De wetgever benadrukt in die toelichting dat artikel 3.109c een zelfstandige Dublinprocedure bevat. Voor Dublinclaimanten geldt dat zij gelijk met of kort na het rapport van het gehoor een voornemen ontvangen tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag. Over het algemeen wordt over deze procedure opgemerkt dat er steeds naar wordt gestreefd om zo snel mogelijk helderheid te verkrijgen over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is. De wetsgeschiedenis bij artikel 3.109c van het Vb 2000 geeft geen aanknopingspunten om het zonder meer onzorgvuldig te achten als de minister in het voornemen niet op alle door een vreemdeling naar voren gebrachte individuele omstandigheden ingaat.</para>
    <para />
    <para>7. In het voornemen is voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond waarvan, Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eiser zijn asielaanvraag. Daarbij komt dat in het voornemen is verwezen naar de verklaringen van eiser en erop is gewezen dat die verklaringen niet leiden tot de conclusie dat sprake is van structurele tekortkomingen en niet leiden tot toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. In het bestreden besluit is vervolgens ingegaan op alle door eiser tijdens het gehoor en in de zienswijze gestelde individuele omstandigheden. In beroep kon eiser daarom zijn standpunten hierover naar behoren en effectief naar voren brengen. Eiser heeft in beroep ook niet concreet gemaakt welke omstandigheden in zijn geval in het voornemen concreet geadresseerd hadden moeten worden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="f352d357-9f91-4819-a302-facc503e3014" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
    <para>2 ECLI:NL:RVS:2025:1642.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Kan ten aanzien van Oostenrijk worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para>8. Eiser stelt dat ten aanzien van Oostenrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat er tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen zijn. De asielprocedure en opvangvoorzieningen voldoen niet aan de daartoe te stellen eisen. Dit zou leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 16 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CAT). Eiser verwijst in dit verband naar p. 103 van het AIDA-rapport 2023, update 2024. Hij vreest namelijk dat hij geen opvang krijgt, omdat hij een herhaalde asielaanvraag moet doen bij terugkeer. De minister heeft in de beschikking onvoldoende gemotiveerd waarom er geen reële en voorzienbare mogelijkheid bestaat dat eiser na overdracht aan Oostenrijk een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM te wachten staat.</para>
    <para />
    <para>9. Als uitgangspunt geldt dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Dit is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ook bevestigd.3 Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hier is eiser niet in geslaagd. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat Oostenrijk zich ten opzichte van hem niet aan zijn internationale verplichtingen houdt of dat er in Oostenrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen met betrekking tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Verder is het claimverzoek door Oostenrijk geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, wat inhoudt dat eisers asielaanvraag nog in behandeling is. Van een herhaalde aanvraag zal dus geen sprake zijn. Indien eiser na zijn overdracht van mening is dat Oostenrijk zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Oostenrijk te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe behorende instanties. Gesteld noch gebleken is dat dit niet mogelijk is of geen zin heeft. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <bridgehead role="underline">Had de minister de asielaanvraag onverplicht aan zich moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening?</bridgehead>
    <para />
    <para>10. Eiser stelt dat de minister de asielaanvraag aan zich had moeten trekken, omdat hij anders van zijn vrouw en dochter wordt gescheiden. Eiser heeft zijn vrouw in Oostenrijk ontmoet en zij zijn samen naar Nederland gekomen. Eisers vrouw is in Nederland bevallen van een dochter en mag haar asielprocedure in Nederland doorlopen. In dit verband heeft eiser een geboorteakte overlegd waarop te zien is dat eiser de aangever van de pasgeboren baby is. Daarnaast blijkt uit een DNA-onderzoek dat eiser met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader van zijn dochter is.</para>
    <para />
    <para>11. De minister kan een verzoek om internationale bescherming onverplicht inhoudelijk in behandeling nemen op grond van artikel 17, eerste lid, Dublinverordening. Deze bevoegdheid wordt in ieder geval gebruikt als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Bij beroepsgronden gericht tegen het bijeenhouden en het bijeenbrengen van het gezin wordt beperkt gebruik gemaakt van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, omdat dit al geschiedt op grond van artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening.</para>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="44980d0e-b1ff-4978-a9c1-cf4853d015ef" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>3 ECLI:NL:RVS:2023:1997.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers situatie niet onder de reikwijdte van de hiervoor genoemde artikelen uit de Dublinverordening valt. Er is geen sprake van ‘gezinsleden’ als bedoeld in artikel 2 onder g van de Dublinverordening, vanwege de buiten het land van herkomst ontstane gezinsband.4 Daarnaast heeft de moeder van het kind nimmer verklaard dat zij wenst dat eisers asielverzoek in Nederland in behandeling wordt genomen.5 Dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie vanwege een pasgeboren kind is ook niet gebleken.6</para>
      <para />
      <para>13. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen aanleiding had hoeven zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, aan zich te trekken. Uit de DNA resultaten blijkt weliswaar dat eiser de vader is van zijn dochter, maar de minister had dit niet aan hoeven te merken als bijzondere individuele omstandigheid. Uit informatie - afkomstig van de woonbegeleider van de moeder van het kind - blijkt namelijk dat eiser en de moeder, welke de zorg draagt voor het kind, gescheiden van elkaar leven en dat moeder dit ook wenst. Eiser heeft dit niet weerlegd en heeft verder ook niet onderbouwd of hij contact heeft met zijn dochter of de moeder van zijn dochter. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="a6c4cc78-a317-42fe-a33e-ad33cae2d064" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>4 Artikel 8, 10 en 11 van de Dublinverordening.</para>
    <para>5 Artikel 9 van de Dublinverordening.</para>
    <para>6 Artikel 16 van de Dublinverordening.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>15 augustus 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="9beeb024-aea0-4730-941d-16910b10e479" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [Documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>