<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T10:58:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.15046</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21395">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T10:58:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21395 Rechtbank Den Haag , 07-05-2025 / NL25.15046</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21395:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Kroatië, beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21395:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>uitspraak</para>
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="fc1012d7-1278-469e-82c2-a3483aecac99" depth="2" width="523" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="93395cb1-361b-4941-9308-9adebba5e275" depth="2" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
  </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht </para>
    <para />
    <para>Bestuursrecht </para>
    <para />
    <para>zaaknummer: NL25.15046</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [eiser]
      </emphasis>, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm),</para>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de Minister van Asiel en Migratie</emphasis>, (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).</para>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.1. De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser.</para>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
    </para>
    <para />
  </parablock>
  <para>2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.</para>
  <para />
  <para>3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
    </para>
    <para />
  </parablock>
  <para>4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.</para>
  <para />
  <mediaobject>
    <imageobject>
      <imagedata align="center" scale="100" fileref="b5b3232b-7663-450a-be28-c9305063fa07" depth="2" width="193" format="image/png" />
    </imageobject>
  </mediaobject>
  <para>1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Standaard voornemen</emphasis>
    </para>
    <para />
  </parablock>
  <para>5. Eiser voert aan dat de minister niet heeft kunnen volstaan met een standaard voornemen waarbij op geen enkele wijze de situatie van eiser kenbaar gemotiveerd is betrokken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 november 20232 blijkt dat een standaard voornemen wel aan de eisen kan voldoen. Echter, de minister heeft in dit geval op geen enkele wijze gemotiveerd waarom hij meent dat het standaardvoornemen in onderhavige zaak voldoet en schendt daarmee zijn motiveringsplicht. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van 7 december 2023 van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond3, en de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juni 20244. Uit deze uitspraken volgt dat wanneer alle dragende overwegingen in het voornemen zijn opgenomen, dat afdoende is. Aan die maatstaf is volgens eiser in dit geval niet voldaan, omdat er door de minister slechts algemene bewoordingen in het voornemen zijn opgenomen en niet is ingegaan op hetgeen eiser tijdens het gehoor heeft verklaard.</para>
  <para />
  <para>6. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een onzorgvuldig tot stand gekomen besluit, vanwege een onzorgvuldig tot stand gekomen voornemen, en overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 april 20255 volgt dat een standaard voornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen standaard overwegingen bevat, betekent niet dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. Het enkele feit dat niet alle verklaringen van de vreemdeling tijdens het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij het voornemen kan op zichzelf dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De vreemdeling heeft door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen, indien de specifieke verklaringen van de vreemdeling niet allen kenbaar zijn betrokken in het voornemen.</para>
  <para />
  <para>7. Naar het oordeel van de rechtbank is in het voornemen voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond waarvan, Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van eiser zijn asielaanvraag. Daarbij komt dat in het voornemen is verwezen naar de verklaringen van eiser en erop is gewezen dat die verklaringen niet leiden tot de conclusie dat sprake is van structurele tekortkomingen en niet leiden tot toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. In het bestreden besluit is vervolgens ingegaan op alle door eiser in de gehoren en in de zienswijze gestelde individuele omstandigheden. In beroep kon eiser daarom zijn standpunten hierover naar behoren en effectief naar voren brengen. Hiermee is sprake van een zorgvuldige besluitvorming waarin de minister de nodige kennis kan vergaren en partijen hun standpunten kunnen uitwisselen, voordat de rechter zich in beroep hierover buigt. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
    </para>
    <para />
  </parablock>
  <para>9. Eiser meent dat de minister ten aanzien van Kroatië ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en de artikelen 3 en 16 van het Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CAT) wanneer hij wordt overgedragen aan Kroatië. De asielprocedure en de opvang van asielzoekers voldoen aldaar namelijk niet aan de daartoe te stellen eisen. Verder wijst eiser op verschillende rapporten en documenten, waaruit blijkt dat vreemdelingen worden gepushbackt. Eiser wijst op een e- mail van CPS aan VluchtelingenWerk, het Blackbook of Pushbacks, gepubliceerd door The Border Violence Monitoring Network, en informatie van Human Rights Watch. Volgens eiser volgt daaruit dat vreemdelingen in het bezit van een Kroatisch asielzoekersdocument worden gepushbackt naar Bosnië en dat pushbacks in Kroatië niet alleen in het grensgebied plaatsvinden, maar op het hele Kroatische grondgebied. Er zijn geen aanwijzingen dat voor Dublinterugkeerders een uitzondering wordt gemaakt.</para>
  <para />
  <mediaobject>
    <imageobject>
      <imagedata align="center" scale="100" fileref="dcc7582a-06a5-4d03-848c-34dc7e967489" depth="2" width="193" format="image/png" />
    </imageobject>
  </mediaobject>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>ECLI:NL:RVS:2023:4348.</title>
    <para>3 ECLI:NL:RBDHA:2023:19122.</para>
    <para>4 ECLI:NL:RBDHA:2024:8597.</para>
    <para>5 ECLI:NL:RVS:2025:1642.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <para>10. Verder stelt eiser dat de minister heeft miskend dat uit het AIDA rapport volgt dat dat ngo’s stellen dat zij geen mogelijkheid hebben om specifieke informatie over Dublinoverdrachten te vergaren. Zo mogen ngo’s niet aanwezig zijn op de luchthaven van Zagreb waar overgedragen Dublinclaimanten aankomen en hebben ngo’s geen toegang tot het grensgebied. Volgens eiser gaat de minister nu uit van Kroatische overheidsinformatie, omdat andere organisaties de mogelijkheid wordt ontzegd onderzoek te verrichten, terwijl deze overheid eerder nog als onbetrouwbaar werd bestempeld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Kroatië - voor Dublinclaimanten - van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Het vorenstaande betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van zijn asielaanvraag in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).</para>
      <para />
      <para>13. Naar het oordeel van rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat van dergelijke tekortkomingen sprake is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. In r.o. 5.3 tot en met 5.6 van deze uitspraak heeft de Afdeling uitdrukkelijk geoordeeld dat uit de beschikbare informatie niet blijkt dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks op het grondgebied van Kroatië. Daarvoor bevat de informatie geen aanknopingspunten. Er zijn ook geen gedocumenteerde gevallen bekend van Dublinclaimanten die daadwerkelijk bij pushbacks op Kroatisch grondgebied betrokken zijn geweest. Naar het oordeel van de Afdeling kan de theoretische mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van een pushback, omdat zij niet van andere asielzoekers kunnen worden onderscheiden, niet worden gelijkgesteld met de ook uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende eis dat sprake moet zijn van een reëel risico. De door eiser aangehaalde bronnen zijn in de beoordeling van de Afdeling betrokken of dateren van ervoor en geven verder geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Kroatië.</para>
    <para />
    <para>15. Met betrekking tot eisers stelling over ngo’s in Kroatië overweegt de rechtbank als volgt. Uit het AIDA rapport, update 2024, volgt weliswaar dat ngo’s met moeite toegang krijgen tot de grensgebieden, maar niet dat hen de toegang volledig wordt ontzegd. Verder blijkt uit het AIDA rapport dat er geen ngo’s aanwezig zijn op het vliegveld van Zagreb, maar blijkt niet dat dit niet toegestaan is. Uit de door eiser naar voren gebrachte informatie kan de rechtbank dan ook niet opmaken dat het voor ngo’s in het geheel niet mogelijk is om de voor de situatie van Dublin-claimanten relevante informatie te vergaren. Ook blijkt niet uit de informatie dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <bridgehead role="underline">Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Eiser meent dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. De minister had moeten motiveren waarom de ervaringen van eiser in Kroatië voor de minister geen aanleiding vormen om toepassing te geven aan de bevoegdheid om de asielaanvraag in behandeling te nemen. Dat deze omstandigheden geen reden vormen om niet uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is onvoldoende. Vanwege het imperatieve karakter van artikel 17 kan de minister niet volstaan met verwijzing naar de beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel als een vreemdeling verzoekt om toepassing van de discretionaire bevoegdheid. Bij eerdere schendingen van het Unierecht in de verantwoordelijke lidstaat moet verweerder goed motiveren waarom hij de asielaanvraag niet onverplicht aan zich trekt. Er zijn namelijk meerdere gevallen geweest van mensen met een Kroatische asielzoekersdocument die in Bosnië en Herzegovina zijn terechtgekomen na pushbacks. Dus zelfs als de Dublinterugkeerders worden toegelaten tot de asielprocedure garandeert dit geen bescherming tegen pushbacks. Dit risico is nog groter omdat pushbacks in Kroatië niet alleen in het grensgebied plaatsvinden, maar op het hele Kroatische grondgebied. Eiser ziet zich gesteund in dit standpunt door de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam6, en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond7.</para>
      <para />
      <para>17. De minister trekt een asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening alleen onverplicht aan zich indien sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan de andere lidstaat van onevenredige hardheid getuigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>18. De rechtbank constateert dat eiser heeft opgemerkt dat hij in Kroatië slecht is behandeld, ze geen Engels met hem wilden spreken en hij een tolk kreeg toegewezen die hij niet verstond. Eiser heeft deze omstandigheden verder niet onderbouwd en evenmin nader uiteengezet waarom deze omstandigheden zodanig zijn dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Bovendien zijn de gestelde algemene omstandigheden met betrekking tot het risico op pushbacks in Kroatië al voldoende door de minister betrokken bij de beoordeling of nog mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister hoeft dezelfde algemene omstandigheden, in dat geval, niet nogmaals te toetsen in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening.8</para>
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="c968ea8d-62ba-40ff-9513-6427281db876" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>ECLI:NL:RBDHA:2025:76.</title>
    <para>7 ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Conclusie en gevolgen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding van zijn proceskosten krijgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="253406ce-7fa5-4057-b350-0361f6a0d24b" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>ECLI:NL:RVS:2024:1778.</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>07 mei 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="0edee861-346e-4c4b-a16b-3071d25b2303" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Documentcode: [Documentcode]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>