<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21393</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T10:45:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.15049</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21393">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21393</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T10:45:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21393 Rechtbank Den Haag , 09-05-2025 / NL25.15049</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21393:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Kroatië, het geen toepassing geven aan artikel 17 Dvo door de minister, na usp zittingsplaats Haarlem, weer onvoldoende gemotiveerd, beroep gegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21393:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>uitspraak</para>
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="7ddf3d76-6627-42ec-9957-a96a3a0d5c0e" depth="2" width="523" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="ee4040bd-dd76-4eee-8768-7c4c3220083e" depth="2" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
  </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.15049</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [eiseres]
      </emphasis>, V-nummer: [V-nummer], eiseres (gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de Minister van Asiel en Migratie</emphasis>, (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
  <parablock>
    <para>1.1. De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Koyuncu als tolk en de gemachtigde van de minister.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.</para>
  <para>3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag niet in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.</para>
  <mediaobject>
    <imageobject>
      <imagedata align="center" scale="100" fileref="45d6bd57-1604-462b-a2ff-8465e8edc826" depth="2" width="193" format="image/png" />
    </imageobject>
  </mediaobject>
  <para>1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>5. Eiseres stelt dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij heeft namelijk een onmenselijke en vernederende behandeling, in de zin van artikel 4 Handvest en 3 EVRM, ondergaan die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het Jawo arrest behaald. Eiseres haar moeder en haar broertje en zusje zijn vastgehouden in een garage. Zij heeft geen opvang, documentatie, eten, water of sanitaire voorzieningen gehad. Ze heeft moeten aanschouwen hoe andere werden geslagen en is zelf onzedelijk betast. Eiseres verwacht dat haar (vrouwen)rechten na overdracht niet worden gewaarborgd door de Kroatisch autoriteiten en dat klagen dan ook niet van haar kan worden veracht.</para>
  <para>6. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 9 oktober 20242 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Kroatië voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Het vorenstaande betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van haar asielaanvraag in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over haar eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval eiseres aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo). Naar het oordeel van rechtbank is eiseres hier niet in geslaagd.</para>
  <para>7. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraak dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiseres heeft geen objectieve bronnen overlegd om haar standpunt te onderbouwen.</para>
  <para>8. Eiseres haar verklaringen over haar persoonlijke ervaringen in Kroatië maken evenmin dat de rechtbank aanleiding ziet om af te wijken van het oordeel van de Afdeling. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij na overdracht in een met artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest-strijdige situatie terecht zal komen. De verklaringen van eiseres over de door haar ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan bovendien over de wijze waarop zij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiseres als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>9. Eiseres stelt dat de minister in haar persoonlijke ervaringen en omstandigheden aanknopingspunten had moeten zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid,</para>
  <mediaobject>
    <imageobject>
      <imagedata align="center" scale="100" fileref="c8e03972-b72c-45ff-a48b-e91e7137e9d4" depth="2" width="193" format="image/png" />
    </imageobject>
  </mediaobject>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>ECLI:NL:RVS:2024:4037.</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>van de Dublinverordening aan zich te trekken. Van eiseres kan namelijk redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij terugkeert naar Kroatië. Eiseres wijst erop dat zij in Kroatië in een garage is vastgehouden zonder eten, water of sanitaire voorzieningen. Zij heeft moeten aanschouwen hoe anderen werden geslagen en zij en haar moeder zijn onzedelijk betast door de politie. Op de zitting heeft zij erop gewezen dat – mede gelet op de wijze waarop in Kroatië met rechten van vrouwen wordt omgegaan – zij er geen vertrouwen in heeft dat zij bij de Kroatische autoriteiten kan klagen, indien haar na terugkeer hetzelfde zal overkomen. Naar aanleiding van haar ervaringen heeft eiseres een trauma opgelopen, waardoor zich psychische klachten hebben ontwikkeld. Eiseres staat nog niet onder specialistische behandeling, maar daar heeft zij wel regelmatig om gevraagd. Uit haar patiëntendossier blijkt in elk geval dat haar psychische klachten verband houden met haar ervaringen in Kroatië. Verder wijst eiseres erop dat zij naast haar persoonlijke ervaringen ook vreest dat haar vader – waar het gezin juist voor is gevlucht – haar en haar gezin zal opzoeken in Kroatië.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. De rechtbank stelt vast dat een eerder besluit van de minister om de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen, is vernietigd door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem.3 De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister in dat besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd wanneer en waarom zij geen aanleiding ziet de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, het verweerschrift en desgevraagd ter zitting dat niet heeft gedaan. In het verweerschrift is wel een motivering opgenomen maar die is niet deugdelijk. Het standpunt in het verweerschrift luidde dat niet is gebleken dat de psychische problemen van de moeder van eiseres mede veroorzaakt zijn door de ervaringen in Kroatië. Ter zitting is voorgehouden dat in het medische dossier van de moeder een passage is opgenomen waaruit het tegendeel kan worden afgeleid, maar verweerder heeft zijn standpunt vervolgens niet aanvullend gemotiveerd. In het verweerschrift is ook gesteld dat het beroep van de moeder van eiseres tegen een gelijkluidend besluit als dat van eiseres, ongegrond is verklaard. Aan die uitspraak is de rechtbank echter niet gebonden. Ook is hoger beroep tegen die uitspraak ingesteld. In het medisch dossier van eiseres zelf zijn ten slotte ook aanwijzingen dat hetgeen eiseres heeft meegemaakt in Kroatië negatieve psychische gevolgen heeft voor haar. Verweerder heeft hierop niet inhoudelijk gereageerd. Daarom bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt, verweerder dient het bestreden besluit beter te motiveren.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Ten aanzien van het nu voorliggende besluit constateert de rechtbank dat de minister wederom heeft verwezen naar de uitspraak in het beroep van de moeder van eiseres. Verder heeft de minister in het bestreden besluit overwogen dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij heeft te kampen met ernstige psychische problemen en dat uit de overgelegde medische stukken geenszins volgt dat zij als gevolg van de gestelde behandeling in Kroatië een trauma heeft opgelopen. Ook wordt opgemerkt dat eiseres niet heeft aangetoond dat de Kroatische autoriteiten zich jegens eiseres niet aan hun verdragsverplichtingen hebben gehouden en dat daarvoor de stelling dat eiseres de behandeling als vernederend en onmenselijk heeft ervaren onvoldoende is. Ook wordt er daarbij op gewezen dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel</para>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="b2476af3-6279-48e2-8e77-41aca478ac95" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>ECLI:NL:RBNHO:2025:2846</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>kan worden uitgegaan en dat het op de weg van eiseres ligt om zich bij misstanden tot de Kroatische instanties te wenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Naar het oordeel van de rechtbank doet de minister met deze motivering geen recht aan het oordeel en de opdracht van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem. Weliswaar is de uitspraak over de moeder van eiseres door de Afdeling in hoger beroep bevestigd, maar eiseres heeft er op gewezen dat ten tijde van die uitspraak er minder medische informatie voor handen was. Bovendien gaat de minister er in het besluit aan voorbij dat – zoals ook door zittingsplaats Haarlem is opgemerkt – in het patiëntendossier wel degelijk een relatie wordt gelegd tussen haar klachten en haar ervaringen in Kroatië. Zo wordt daarin naar voren gebracht dat zij niet goed kan slapen en veel nachtmerries heeft over de behandeling door de politie in Kroatië en de seksuele aanranding. De minister motiveert niet in het bestreden besluit waarom die informatie onvoldoende wordt geacht. Ook vindt de rechtbank van belang dat uit het patiëntendossier kan worden opgemaakt dat eiseres vooral zogenoemde “ventilerende gesprekken” heeft gehad en dat zij, ondanks de door haar geuite wens om behandeld te worden door de GGZ, pas op 2 april 2025 een eerste intake heeft gehad met de GGZ. Als gevolg daarvan is het medische patiëntendossier de enige medische documentatie waar zij over beschikt. Op de inhoud van dit medische patiëntendossier gaat de minister in het bestreden besluit niet in.</para>
    <para />
    <para>13. Verder overweegt de rechtbank dat, ten aanzien van de ervaringen van eiseres in Kroatië, de minister vooral wijst op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dit kader wijst de rechtbank erop dat – zoals ook door de zittingsplaats Haarlem is overwogen – de toets van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening een andere toets is en een ander beoordelingskader kent dan de toets van artikel 3 van de Dublinverordening (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Bij de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan wordt de algemene situatie in de betreffende lidstaat op en na overdracht beoordeeld en niet de individuele situatie waarin de vreemdeling zich bevond toen hij de verantwoordelijke lidstaat in eerste instantie betrad en de (mogelijke) gebeurtenissen daarna. Het bestreden besluit geeft in zoverre geen blijk van die andere toets. Daarbij vindt de rechtbank ook van belang dat eiseres heeft gewezen op haar vrees voor haar vader. Die omstandigheid heeft de minister niet bij de toets van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening betrokken.</para>
    <para />
    <para>14. Op de zitting is verder besproken dat eiseres in Kroatië onzedelijk is betast door de politie en dat betwijfeld kan worden of – onder die omstandigheden – van haar kan worden verwacht dat zij bij diezelfde politie haar beklag daarover doet. Daarbij heeft eiseres op de zitting gewezen op een aantal rapporten waaruit kan worden opgemaakt dat de rechten van vrouwen in Kroatië onder druk staan. Op de zitting is onvoldoende duidelijk geworden waarom het volgens de minister desondanks op haar weg ligt om zich bij vergelijkbare misstanden na overdracht te wenden tot de betreffende Kroatische instanties.</para>
    <para />
    <para>15. Mede gelet op het oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, over het eerdere besluit en al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister in het nu voorliggende bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de minister in de ervaringen en persoonlijke omstandigheden van eiseres geen aanleiding ziet om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening haar asielaanvraag in behandeling te nemen. Deze beroepsgrond slaagt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Conclusie en gevolgen</emphasis>
      </para>
      <para>Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf te voorzien in de zaak. De minister dient een nieuw besluit te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing om de aanvraag van de moeder (en haar minderjarige kinderen) niet in behandeling te nemen is in hoger beroep bevestigd. Deze uitspraak ziet alleen op het buiten behandeling stellen van de aanvraag van eiseres. Op de zitting is ook besproken dat de uiterlijke overdrachtstermijn ten aanzien van eiseres gelijk is aan die van de moeder van eiseres en haar minderjarige broer en zus en dat met de overdracht van moeder en de andere kinderen gewacht wordt op uitsluitsel over de zaak van eiseres. Voor zover deze uitspraak van invloed is op het al dan niet halen van de overdrachtstermijn, geeft de rechtbank in overweging te bezien in hoeverre dit mede van invloed is op de overdracht van moeder en de andere kinderen en de geuite en begrijpelijke wens van eiseres om als gezin bij elkaar te blijven.</para>
      <para>Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit van 31 maart 2025;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag binnen vier weken na deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister tot betaling van €1.814,- aan proceskosten aan eiser.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>09 mei 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="d871eb68-c9fe-457c-b988-251d6166c1d4" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Documentcode: [Documentcode]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>