<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:21198</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-11T15:31:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.42409 en NL25.42411</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21198">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21198</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-11T15:28:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:21198 Rechtbank Den Haag , 11-11-2025 / NL25.42409 en NL25.42411</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21198:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet tijdig</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:21198:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.42409 en NL25.42411</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam],<?linebreak?>V-nummer: [nummer],</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [naam],<?linebreak?>V-nummer: [nummer]</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gezamenlijk: eisers,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.S. Sewman)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister. </title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para>1. In een eerdere procedure (NL25.15107 en NL25.15108) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van acht weken alsnog een besluit nemen op de aanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moest betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. <?linebreak?></para>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Deze uitspraak gaat over de tweede beroepen die eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 5 maart 2023.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>         De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.<footnote-ref linkend="_108de673-3d74-48a7-8207-b5c470b5d5a2" /></para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moeten eisers de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen.<footnote-ref linkend="_5e9cbb57-4736-470c-9c80-7869f8157ff5" /> Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig.<footnote-ref linkend="_0bce936b-9376-41ab-979f-69389951b869" /><?linebreak?></para>
    <para>3. In de uitspraak van 18 april 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van 8 weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen. <?linebreak?></para>
    <para>4. De beroepen zijn ontvankelijk en kennelijk gegrond. <?linebreak?></para>
    <bridgehead role="underline">Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? </bridgehead>
    <para />
    <para>5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen.<footnote-ref linkend="_37271d78-53e8-445d-ace9-bba7b573cb66" /> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.<footnote-ref linkend="_4c701a39-ff76-47ea-b495-7bd5488a85c5" /></para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden<footnote-ref linkend="_9871864d-c5d3-4742-9937-7def345cc330" /> is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister in principe binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Welke dwangsom legt de rechtbank op?</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>7.  De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.<footnote-ref linkend="_b75ba53d-0fa3-445b-a599-e52827d9dfd7" /></para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank bepaalt in deze zaken dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvragen neemt, de minister aan eisers gezamenlijk<footnote-ref linkend="_0aa6a02f-3fd9-42c5-9054-bcea37ebd34c" /> een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.<footnote-ref linkend="_7983d984-ae7f-4eac-97db-3ecb3f39e319" /><?linebreak?></para>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <para>9. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers een dwangsom verschuldigd.  </para>
    <para />
    <para>10. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.<footnote-ref linkend="_9c76c1eb-588d-4aa0-bb12-d20b39b20e72" /> De rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.<footnote-ref linkend="_e3f3009c-8f08-43c1-8228-bfabd11f7b99" /></para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart de beroepen gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers gezamenlijk tot een bedrag van € 453,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para>11. </para>
    <parablock>
      <para>12. </para>
      <para>13. <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis></para>
      <para>14. Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
      <para>15. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_108de673-3d74-48a7-8207-b5c470b5d5a2" label="1">
    <para>Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e9cbb57-4736-470c-9c80-7869f8157ff5" label="2">
    <para> Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0bce936b-9376-41ab-979f-69389951b869" label="3">
    <para> Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_37271d78-53e8-445d-ace9-bba7b573cb66" label="4">
    <para> Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c701a39-ff76-47ea-b495-7bd5488a85c5" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2020:1560. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9871864d-c5d3-4742-9937-7def345cc330" label="6">
    <para> Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b75ba53d-0fa3-445b-a599-e52827d9dfd7" label="7">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0aa6a02f-3fd9-42c5-9054-bcea37ebd34c" label="8">
    <para> Zie ECLI:NL:RVS:2020:1624.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7983d984-ae7f-4eac-97db-3ecb3f39e319" label="9">
    <para> Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c76c1eb-588d-4aa0-bb12-d20b39b20e72" label="10">
    <para> Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3f3009c-8f08-43c1-8228-bfabd11f7b99" label="11">
    <para> Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>