<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:20886</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-07T10:08:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25-26588</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20886">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20886</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-07T10:08:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:20886 Rechtbank Den Haag , 07-11-2025 / 25-26588</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:20886:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opvolgend beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf met als doel ‘familie en gezin’ in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden, beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:20886:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak</para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="bb56ca2f-4c60-4236-b07f-e4f1ccc88ba8" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ab16d30e-ac16-401f-84b6-2f08aa4e3d7a" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.26588</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>, eiseres, V-nummer: [V-nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. G. van Reemst), en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, de minister.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Procesverloop</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 april 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen twee weken na verzending van die uitspraak alsnog moet beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf met als doel ‘familie en gezin’ in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (de aanvraag). De minister heeft zich aan deze termijn niet gehouden. Eiseres stelt daarom nu beroep in.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Overwegingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2</para>
    <para />
    <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3</para>
    <bridgehead role="italic">Is het beroep van eiseres ontvankelijk?</bridgehead>
    <para />
    <para>3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 7 april 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw</para>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="c259884a-5941-4022-822d-4103f718fb09" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>ECLI:NL:RBDHA:2025:9655.</title>
    <para>2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    <para>3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>besluit.4 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiseres dus ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is het beroep van eiseres gegrond?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn een nieuw besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank de minister op?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5</para>
    <para />
    <para>6. De minister heeft niet verzocht om een langere nadere beslistermijn. Uit het dossier blijkt ook niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de rechtbank een langere nadere beslistermijn moet opleggen. De rechtbank legt de minister daarom een nadere beslistermijn op van twee weken. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.</para>
    <bridgehead role="italic">Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?</bridgehead>
    <para />
    <para>7. De rechtbank stelt vast dat eiser onderhavig beroep heeft ingesteld op 16 juni 2025, terwijl de rechterlijke dwangsom op dat moment nog niet was volgelopen. Bij een beroep tegen het niet tijdig-nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd.6 De rechtbank stelt overigens vast dat de rechterlijke dwangsom inmiddels wel volledig is verbeurd en de minister nog altijd geen besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser.</para>
    <para>8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.7 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 37.500,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. Eiser heeft in zijn eerste beroep ook om een bestuurlijke dwangsom verzocht. In de hiervoor genoemde uitspraak van 7 april 2025 is door de bestuursrechter de verbeurde dwangsom vastgesteld op</para>
    <para>€1.442,-. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de (bestuurlijke) dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee</para>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="a9f5878c-8c5f-448b-b33c-32bd1967f42f" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>ECLI:NL:RVS:2021:774.</title>
    <para>5 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.</para>
    <para>6 ECLI:NL:RVS:2024:4865.</para>
    <para>7 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.</para>
    <para>Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra- dwangsom.aspx.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. In het geval dat aan – zoals in deze zaak – een eerdere, door de rechtbank bepaalde, beslistermijn geen gevolg wordt gegeven is de betreffende partij van rechtswege in verzuim. De wetgever heeft er niet in voorzien dat in dat geval opnieuw een (resterende) bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd. De rechtbank zal de bestuurlijke dwangsom in deze zaak dan ook niet vaststellen.</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie en gevolgen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.</para>
    <para />
    <para>11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.8</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Simorangkir, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="149d4237-baa4-46a6-8878-ef0310e6e651" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>8 Artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>08 oktober 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="e6c5e643-c868-45e1-8719-a30c62b212b8" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>