<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:20666</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-06T08:42:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.27562</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20666">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20666</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-06T08:42:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:20666 Rechtbank Den Haag , 05-11-2025 / NL25.27562</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:20666:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT, asiel, eerder beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege premature ingebrekestelling, oordeel staat in rechte vast, nieuw beroep met verwijzing naar Zimir-arrest, geen nieuwe ingebrekestelling, beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:20666:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.27562 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Khalaf),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 14 januari 2024. Eiser heeft met zijn brief van 16 juli 2024 verweerder schriftelijke in gebreke gesteld. Vervolgens heeft hij op 16 september 2024 beroep ingesteld<footnote-ref linkend="_1e228da9-bbaf-44ed-90d5-5589e889b46c" />. Dat beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, met de uitspraak van 27 februari 2025<footnote-ref linkend="_a401c984-3781-4a22-8571-0d344625426b" /> niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de ingebrekestelling van 16 juli 2024 prematuur is ingediend, omdat de beslistermijn op dat moment nog niet verstreken was. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden met de inwerkingtreding van WBV 2023/26<footnote-ref linkend="_b9b523f1-081e-4ef8-bfcd-9765ebf4cfc6" /> rechtsgeldig is verlengd met negen maanden.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft op 22 juni 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 14 januari 2024. In de beroepsgronden wijst eiser op het Zimir-arrest<footnote-ref linkend="_a3d6fe7d-cdaf-4fd6-b6f8-c623051b5309" />, waaruit volgt dat de verlenging van de beslistermijn op grond van WBV 2023/26 niet rechtsgeldig was. Volgens eiser is de uitspraak van 27 februari 2025 daarmee in strijd. Eiser stelt dat dit tot de conclusie moet leiden dat WBV 2023/26 alsnog buiten toepassing moet blijven en dat de beslistermijn van verweerder is verstreken. </para>
    <para />
    <para>4. Uit het dossier blijkt niet dat eiser verzet heeft ingesteld tegen de uitspraak van 27 februari 2025 of dat hij om herziening van die uitspraak heeft verzocht. De uitspraak staat daarmee in rechte vast, en daarmee ook het rechterlijk oordeel dat de ingebrekestelling van 16 juli 2024 prematuur was.  </para>
    <para />
    <para>5. Eiser heeft ervoor gekozen om op 22 juni 2025 een nieuw beroepschrift in te dienen. Hij heeft verweerder na de uitspraak van 27 februari 2025 echter niet opnieuw schriftelijk in gebreke gesteld. Eiser voldoet dus niet aan het wettelijk vereiste dat hij beroep kan instellen nadat hij het bestuursorgaan rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Het had op de weg van eiser gelegen om óf (tijdig) rechtsmiddelen aan te wenden tegen de rechtbankuitspraak van 27 februari 2025 óf om verweerder opnieuw schriftelijk in gebreke te stellen, waarna hij opnieuw beroep kan instellen. </para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over verzet</emphasis>
      </para>
      <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_1e228da9-bbaf-44ed-90d5-5589e889b46c" label="1">
    <para> zaaknummer NL24.36085</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a401c984-3781-4a22-8571-0d344625426b" label="2">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:2977</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b9b523f1-081e-4ef8-bfcd-9765ebf4cfc6" label="3">
    <para> Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire van 27 december 2023</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a3d6fe7d-cdaf-4fd6-b6f8-c623051b5309" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) 12 december 2024, C‑662/23, ECLI:EU:C:2024:1028</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>