<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:20527</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-07T17:00:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.30764</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20527">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20527</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-05T11:45:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:20527 Rechtbank Den Haag , 05-11-2025 / NL25.30764</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:20527:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT, ingetrokken, pkv-verzoek wordt toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:20527:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.30764 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser 1], v-nummer: [nummer 1], </title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres 1]
        </emphasis>, v-nummer [nummer 2],</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 2]
        </emphasis>, v-nummer [nummer 3],</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres 2]
        </emphasis>, v-nummer [nummer 4],</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 3]
        </emphasis>, v-nummer [nummer 5], </para>
      <para>samen verzoekers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. N. Imminga),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie. </title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekers om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun beroep. Zij hebben het beroep ingetrokken omdat de minister op 10 juli 2025 de verzochte machtigingen voor voorlopig verblijf (mvv’s) aan verzoekers  heeft verstrekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft hier op 26 augustus 2025 op gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.<footnote-ref linkend="_2b383a29-316d-4b23-bcae-57ab64ccf038" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_5e5cec0d-f7b6-45ab-a53d-71a2e7e4e7f6" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hebben verzoekers recht op vergoeding van hun proceskosten?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Met het alsnog nemen van een besluit is de minister aan verzoekers tegemoetgekomen. Dat is echter niet voldoende voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarvoor moet ook zijn voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.<footnote-ref linkend="_78b9fc7a-e4bf-4005-a898-9fb2b6daa987" /> De rechtbank moet beoordelen of de eerder door de rechtbank opgelegde beslistermijn ten tijde van het instellen van beroep was verstreken.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De minister stelt zich in zijn reactie van 26 augustus 2025 op het standpunt dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling. Verzoekers hebben eerder beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. In de uitspraak van 5 maart 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats<footnote-ref linkend="_2dfcc74f-b683-4d38-bf07-56b0963487d8" /> dit beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen vier weken na verzending van de uitspraak te beslissen, herstel verzuim te bieden of een nader onderzoek te starten. Aan het overschrijden van de beslistermijn heeft de rechtbank een dwangsom verbonden. Deze termijn verliep op 2 april 2025. De dwangsom is op 3 april 2025 gaan lopen, wat maakt dat de volledige rechterlijke dwangsom op 31 augustus 2025 verschuldigd zou zijn. Verzoekers hebben echter al op 10 juli 2025 onderhavig beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingediend. Toen was nog niet de volledige rechterlijke dwangsom verschuldigd. Verzoekers konden niet in een gunstigere positie komen door indienen van het beroep op 10 juli 2025. De minister stelt zich, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 6 juli 2020<footnote-ref linkend="_17614b89-6727-4095-a963-2ace75458aa8" />, op het standpunt dat het procesbelang kan ontbreken en het beroep niet-ontvankelijk is. Daarom hoeft de minister dus geen proceskosten te vergoeden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Verzoekers hebben op 20 oktober 2025 schriftelijk gereageerd op het standpunt van de minister. Samengevat betogen zij dat de minister miskent dat de dwangsomregeling beoogt om burgeres een effectiever rechtsmiddel te geven tegen trage besluitvorming door bestuursorganen. De rechtbank volgt dit betoog en oordeelt dat het beroep van verzoekers ontvankelijk en gegrond zou zijn geweest. Verzoekers betogen namelijk terecht dat de dwangsom niet is bedoeld als een verlenging van de wettelijke of de door de rechter vastgestelde beslistermijn. In haar uitspraak van 5 maart 2025 heeft de rechtbank een termijn opgelegd waarbinnen de minister moest beslissen op de aanvraag en de minister heeft vervolgens geen besluit genomen binnen deze termijn. Dat is ook niet tussen partijen in geschil. Verzoekers hadden vervolgens belang bij het indienen van het beroep. Dat belang was namelijk gelegen in het verkrijgen van een besluit en niet (alleen) in het ontvangen van een dwangsom. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 november 2024 volgt dat ook wanneer de aan een eerdere uitspraak verbonden dwangsom nog niet volledig is verbeurd, een opvolgend beroep ontvankelijk kan zijn.<footnote-ref linkend="_b1ef08f9-c6a0-4d54-843c-9af71edb3014" /> Bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is. Het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten wordt daarom toegewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Welk bedrag aan proceskosten moet de minister aan verzoekers vergoeden?</emphasis>
        </para>
        <para>5. De hoogte van de proceskostenvergoeding stelt de rechtbank vast op € 453,50. Dit omdat de gemachtigde van verzoekers een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen ging over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan verzoekers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over verzet</emphasis>
      </para>
      <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2b383a29-316d-4b23-bcae-57ab64ccf038" label="1">
    <para> Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e5cec0d-f7b6-45ab-a53d-71a2e7e4e7f6" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_78b9fc7a-e4bf-4005-a898-9fb2b6daa987" label="3">
    <para> ABRvS 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2023:273, onder 3.2 en 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753, onder 3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2dfcc74f-b683-4d38-bf07-56b0963487d8" label="4">
    <para> Rb. Den Haag, zp. Arnhem van 5 maart 2025, zaaknummer NL25.1530 (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_17614b89-6727-4095-a963-2ace75458aa8" label="5">
    <para> Rb. Den Haag, zp. Haarlem 6 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6552, r.o. 3.2. en 3.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1ef08f9-c6a0-4d54-843c-9af71edb3014" label="6">
    <para> ABRvS 24 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4865, r.o. 6.1. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>