<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:20100</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T10:00:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/6505</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20100">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20100</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-31T15:52:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:20100 Rechtbank Den Haag , 18-07-2025 / 22/6505</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:20100:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pw, intrekking en terugvordering bijstand. Sprake van gezamenlijke huishouding? Het totaal van de onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, biedt toereikende grondslag voor het standpunt dat eiseres in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had en dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:20100:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 22/6505 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: K. Henning).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de intrekking en terugvordering van de bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 27 mei 2020 tot en met 31 december 2021 ter hoogte van € 19.523,54.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 9 september 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het primaire besluit van 4 april 2022 gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het besluit</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering vanaf 27 mei 2020 op het uitkeringsadres [adres 1] in [plaats] (hierna: het uitkeringsadres). Eiseres heeft drie kinderen met haar ex-partner met wie zij gehuwd is geweest.  <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 10 januari 2022 heeft het Team bijzonder onderzoek een melding ontvangen van de verhuurder van het uitkeringsadres. Er zijn meldingen gedaan vanwege overlast door jonge mannen. De verhuurder heeft de meldingen laten onderzoeken door een particulier onderzoeksbureau. Uit dat onderzoek heeft de verhuurder geconcludeerd dat eiseres niet woont op het uitkeringsadres maar bij haar ex-partner op [adres 2] in [plaats] (hierna: [adres 2] ) en dat mogelijk sprake zou zijn van onderverhuur van het uitkeringsadres. Nadat de rapporteurs eiseres hiermee hebben geconfronteerd op 22 december 2021, heeft zij per direct de huur van de woning op het uitkeringsadres opgezegd. Met ingang van 7 januari 2022 staat eiseres met haar kinderen in het BRP ingeschreven op [adres 2] . <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 14 februari 2022 om haar recht op bijstand te onderzoeken omdat zij verhuisd is, en verzocht om bewijsstukken, waaronder bankafschriften in de periode vanaf mei 2020. Eiseres is op dat gesprek verschenen en heeft verklaard dat zij op het uitkeringsadres sliep. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres een creditcard- en Paypal-rekening heeft en dat zij niet alle gevraagde bankafschriften vanaf 20 mei 2020 had overlegd. Op 21 februari 2022 heeft verweerder het recht op bijstand opgeschort en eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 3 maart 2022 en haar de gelegenheid gegeven alsnog alle gevraagde informatie te overleggen (bankafschriften vanaf mei 2020 tot maart 2022). Eiseres is niet verschenen op dat gesprek en heeft evenmin de gevraagde stukken overlegd. Met het primaire besluit heeft verweerder besloten om de bijstand van eiseres in te trekken met ingang van 27 mei 2020 en terug te vorderen over de periode 27 mei 2020 tot en met 31 december 2021, omdat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiseres heeft niet alle gevraagde informatie gegeven over haar inkomens- woon- en leefsituatie, waardoor volgens verweerder het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld vanaf 27 mei 2020. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op verzoek van eiseres heeft verweerder haar alsnog de gelegenheid gegeven bewijsstukken te overleggen. Op 13 mei 2022 heeft eiseres de gevraagde bewijsstukken gegeven, behalve de energieafrekening en gegevens van het waterverbruik. Eiseres heeft verzocht de beoordeling van haar recht op bijstand te beperken tot 31 december 2021. Op 23 mei 2022 heeft eiseres de gegevens van de energieafrekening overlegd en verklaard dat de verhuurder weigert de gegevens van het waterverbruik te geven. Op 2 juni 2022 heeft zij een standaard overzicht ingeleverd wat zij van de verhuurder heeft gekregen over het waterverbruik.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit heeft verweerder het advies gevolgd van de Bezwaarschriftcommissie. De motivering heeft verweerder gewijzigd en gesteld dat verweerder aan de hand van concrete en objectieve bewijsmiddelen heeft kunnen vaststellen dat eiseres vanaf minstens 27 mei 2020 haar hoofdverblijf had op [adres 2] en niet op het uitkeringsadres. Vanwege een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding heeft eiseres geen recht op bijstand. Eiseres heeft de inlichtingenplicht geschonden omdat zij dit niet heeft gemeld bij verweerder. Verweerder heeft daarom de bijstand ingetrokken en teruggevorderd vanaf 27 mei 2020. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De rechtbank beoordeelt de intrekking en de terugvordering van de bijstand. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wat vindt eiseres?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Eiseres en haar ex-partner stonden op verschillende adressen ingeschreven in de te beoordelen periode. Eiseres is van mening dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij destijds haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Uit de observaties blijkt volgens haar slechts dat zij bezoekjes aflegt op [adres 2] , en dat diverse mannen haar hebben bezocht op het uitkeringsadres. Dit hoefde eiseres niet te melden bij verweerder. Daarnaast beslaan de bevindingen van de voormalig verhuurder slechts een beperkte periode en kunnen niet ten grondslag worden gelegd aan de gehele periode in het geding. Hooguit leveren deze omstandigheden een redelijk vermoeden op. Daarnaast zijn de getuigenverklaringen onvoldoende specifiek en gedetailleerd en kunnen niet fungeren als (steun)bewijs. Doordat de verklaringen deels anoniem zijn, zijn ze niet verifieerbaar. Tot slot heeft eiseres na de beëindiging van de relatie met haar ex-partner kort samengewoond met haar zus. Eiseres had toen geen vast adres, haar ex-partner wel. Er is sprake van wederzijdse zorg en daarom heeft zij ervoor gekozen om bij diverse instanties het adres van haar ex-partner op te geven. Deze omstandigheid maakt volgens eiseres niet dat zij haar hoofdverblijf heeft verloren op het voormalig uitkeringsadres. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wat oordeelt de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van 27 mei 2020 tot en met 31 december 2021.<?linebreak?><emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis></para>
    <para>6. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Pw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, is een onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd inhoudende dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.<?linebreak?></para>
    <para>7. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw – voor zover hier van belang – dient eiseres aan verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.<?linebreak?></para>
    <para>8. Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw trekt verweerder een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. <?linebreak?></para>
    <para>9. Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw vordert verweerder de kosten van de bijstand terug voor zover de aanvulling ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. <?linebreak?><emphasis role="italic">Gezamenlijke huishouding?</emphasis></para>
    <para>10. Intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit voor eiseres. Om die reden rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel bij verweerder. Dit betekent dat het in dit geval op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat zij in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, maar dat sprake is van een gezamenlijke huishouding op [adres 2] .<?linebreak?></para>
    <para>11. Aangezien vaststaat dat uit de relatie met haar ex-partner kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding bepalend of eiseres en haar ex-partner in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. In dit geval komt dit concreet neer op de vraag of eiseres haar hoofdverblijf had op [adres 2] .<?linebreak?></para>
    <para>12. De vraag waar iemand woont is daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient volgens vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.<footnote-ref linkend="_d99c678a-b594-421c-94b4-53001ddaa107" /></para>
    <para />
    <para>13. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen: <?linebreak?></para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de zakelijke en persoonlijke correspondentie van eiseres (zoals bankafschriften, post van de huisarts, fysiotherapeut en de advocaat) wordt verstuurd naar [adres 2] . Alleen de aan het uitkeringsadres gerelateerde post (zoals de eindafrekening van energieleveranciers) werd naar het uitkeringsadres gestuurd; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het onderzoeksrapport van de verhuurder van het uitkeringsadres waarin de verhuurder heeft geconcludeerd dat eiseres niet op het uitkeringsadres woont en dat er sprake is van onderhuur. Eiseres is geen enkele keer aangetroffen op het uitkeringsadres, wel onbekende mannen. Verder had eiseres geen sleutel van het uitkeringsadres, wel van [adres 2] . Nadat de verhuurder eiseres heeft geconfronteerd met de bevindingen, heeft zij de huur opgezegd; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de getuigenverklaringen van omwonende van [adres 2] , gedateerd op  3 maart 2022, 10 mei 2022 en 12 mei 2022, waaruit blijkt dat eiseres minimaal drie jaar op [adres 2] woont, samen met haar drie dochters en haar ex-partner. Eiseres werd herkend als de moeder van de kinderen. Twee van de vijf getuigen hebben direct zicht op [adres 2] . Ook wordt verklaard over de auto’s waarin het gezin rijdt, dat de moeder van eiseres vaak op bezoek komt, de namen van de dochters, dat de ex-partner een eigen bedrijf heeft, dat ze daar gelijktijdig zijn komen wonen en dat de dochters vaak aanbellen om te spelen met de kinderen van één van de getuigen.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>14. Anders dan eiseres betoogt, biedt naar het oordeel van de rechtbank het totaal van de onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag voor het standpunt van verweerder dat eiseres in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had op [adres 2] en dat daarmee sprake is van een gezamenlijke huishouding. <?linebreak?></para>
    <paragroup>
      <nr>14.1.</nr>
      <para>Ten aanzien van het gebruik van eiseres van het adres van haar ex-partner als correspondentieadres overweegt de rechtbank dat dit een sterke indicator is dat haar persoonlijk leven zich vanaf [adres 2] afspeelt. In het licht van het onderzoeksrapport van de verhuurder van het uitkeringsadres acht de rechtbank het aannemelijk dat eiseres in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf heeft op [adres 2] . Uit de observaties komt namelijk een beeld naar voren dat eiseres zelfstandig met een sleutel de woning aan [adres 2] opent en sluit, de auto gebruikt en de fietsen uit de garage gebruikt, spullen naar binnen of buiten brengt, schoonmaakt en planten water geeft en daar bezoekt ontvangt. Dit alles op verschillende tijdstippen gedurende de dag en meerdere dagen achter elkaar, zowel met als zonder de kinderen. Hieruit blijkt dat eiseres een actieve bijdrage levert aan het huishouden aldaar. Op het uitkeringsadres is eiseres, noch haar kinderen, aangetroffen. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar verklaring dat zij slechts op bezoek komt bij haar ex-partner.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>14.2.</nr>
      <para>Ten aanzien van de getuigenverklaringen volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat deze voldoende specifiek, gedetailleerd en overtuigend zijn. De verklaringen zijn afgelegd door de directe buren en komen in grote lijnen overeen. Daar komt bij dat de getuigenverklaringen niet op zichzelf staan, maar dienen als steunbewijs. <?linebreak?></para>
      <parablock>
        <para>15. Nu de rechtbank er met verweerder van uitgaat dat eiseres in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had op [adres 2] , was in die periode sprake van een gezamenlijke huishouding. Door verweerder hierover niet te informeren, heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden. Verweerder was op grond van de artikelen 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, van de Pw dan ook gehouden het recht op bijstand in te trekken en het bedrag van € 19.523,54 aan te veel betaalde uitkering van eiseres terug te vorderen. <?linebreak?></para>
        <para>15. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_d99c678a-b594-421c-94b4-53001ddaa107" label="1">
    <para> Zie de uitspraken van de CRvB van 23 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8344 en van 5 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3467.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>