<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:19840</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-16T15:01:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 24 _ 9384</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19840">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19840</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-16T15:01:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:19840 Rechtbank Den Haag , 22-10-2025 / AWB - 24 _ 9384</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19840:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naheffingsaanslag parkeerbelasting; kostenraming; artikel 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen; bekendmaking van de bijlage bij de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022; artikel 6 van de Bekendmakingswet; beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19840:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 24/9384</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema, LLB),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van gemeente Den Haag, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft in 2023 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 oktober 2024 de naheffingsaanslag gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gemachtigde heeft daartegen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gemachtigde heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2025. De onderhavige zaak is gelijktijdig met 109 andere zaken van gemachtigde behandeld. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde en diens kantoorgenoot, [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. Veenstra, mr. F.M.A. van der Zwaag en [naam 2] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gemachtigde heeft voorafgaand aan de zitting de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaken aan te houden. Als reden hiervoor heeft gemachtigde, kort gezegd, aangevoerd dat binnen afzienbare tijd een arrest van de Hoge Raad wordt verwacht over de kosten per naheffingsaanslag van gemeente Den Haag van een eerder jaar. Volgens de door de rechtbank ingewonnen informatie bij de Hoge Raad wordt dit arrest op zijn vroegst in februari 2026 gewezen. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen, omdat zij een langere behandeltijd van de beroepen bij de rechtbank, gelet ook op het belang dat de wederpartij heeft bij een voortgang van de procedure, in strijd met een goede procesorde en derhalve niet wenselijk acht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na sluiting van het onderzoek heeft gemachtigde in de zaken met nummers SGR 24/6455 en SGR 24/9323 nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Bij de beoordeling van het geschil zijn deze stukken dan ook buiten beschouwing gelaten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Bij de naheffingsaanslag parkeerbelasting is € 72,90 aan kosten in rekening gebracht ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslag.</para>
    <para />
    <para>2. De kostenraming van gemeente Den Haag voor het jaar 2023<footnote-ref linkend="_2581eac6-0897-448a-8f71-b5b2511fc74d" /> ter zake van de bij de naheffingsaanslagen in rekening te brengen kosten is onderverdeeld conform de componenten genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit), namelijk als volgt:</para>
    <parablock>
      <para>a. vaste informatieverwerkingskosten (€ 3.191.218);</para>
      <para>b. variabele informatieverwerkingskosten (€ 1.816.174);</para>
      <para>c/d. kosten van afschrijving en interest (€ 526.468);</para>
      <para>e. personeelskosten (€ 9.383.821);</para>
      <para>f. overheadkosten, ten hoogste 50% van de personeelskosten (€ 4.691.910).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de kostenraming is per component een omschrijving opgenomen. De geraamde kosten bedragen in totaal € 19.609.591 en het aantal naheffingsaanslagen is geraamd op 258.300, wat neerkomt op € 75,92 kosten per naheffingsaanslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. In artikel 5:10 van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (geldend in 2023) zijn de kosten per naheffingsaanslag vastgesteld op € 72,90. Dit is overeenkomstig het in artikel 3, eerste lid, van het Besluit gestelde maximum voor 2023.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Geschil <?linebreak?>4. In geschil is of:</title>
    <para>- de bij de onderhavige naheffingsaanslag in rekening gebrachte kosten (€ 72,90) te hoog zijn;</para>
    <para>- de bijlage bij de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (de Regeling) op de juiste wijze is bekendgemaakt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zijn de kosten van € 72,90 per naheffingsaanslag te hoog?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend. Eiser stelt dat bij het vaststellen van de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag de kosten van parkeerautomaten integraal zijn meegerekend, terwijl daar op grond van artikel 2 van het Besluit geen grondslag voor bestaat. Verder stelt eiser dat in de kostenraming ten onrechte uitsluitend met het aantal inbare naheffingsaanslagen is gerekend. Tot slot stelt eiser dat ten onrechte is uitgegaan van een overheadpercentage van 50%, aangezien in de Programmabegroting 2021-2024 van de gemeente Den Haag staat dat het gemeentebrede overheadpercentage 33% bedraagt.</para>
    <para />
    <para>6. De hiervoor genoemde beroepsgrond slaagt niet. De door eiser genoemde argumenten zijn reeds expliciet aan de orde gekomen in gerechtelijke procedures inzake de kostenramingen 2021 en 2022 van gemeente Den Haag. Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat deze kostenramingen voldoen aan de gestelde eisen en dat de argumenten van eiser niet slagen.<footnote-ref linkend="_42000422-97d6-4d86-83f3-8bd9d3f18db1" /> De rechtbank heeft, mede in het licht van wat is aangevoerd, geen aanleiding om ter zake van de kostenraming voor 2023 anders te oordelen. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat, anders dan eiser stelt, de kosten van parkeerautomaten voor 50% zijn toegerekend in de kostenraming.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is de bijlage bij de Regeling op de juiste wijze bekendgemaakt?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Voor het eerst ter zitting heeft gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat de bijlage bij de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (de Regeling) niet op de juiste wijze is bekendgemaakt.</para>
    <para />
    <para>8. Hieronder is een schermafbeelding opgenomen van de website officielebekendmakingen.nl. De schermafbeelding toont de publicatie van de Regeling in het gemeenteblad van gemeente Den Haag van 23 december 2021.<footnote-ref linkend="_01beb0aa-4719-43d5-8702-82e42edee598" /> De volledige pastekst van de Regeling staat onder de tekst van de schermafbeelding.</para>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="f53e4ca7-5689-411d-8bce-cf8935e8656c" depth="337" width="529" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para>9. Artikel 2.1.1, aanhef en onderdeel a, van de Regeling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
    <parablock>
      <para>“De bij dit besluit behorende bijlage 1 ‘Plaatsen en tijden betaald parkeren en de toepassing van de wielklem’ vermeldt:</para>
      <para>	a. de plaatsen waar en de tijden waarop tegen betaling van de parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 5:1 van de verordening mag worden geparkeerd;”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. De in artikel 2.1.1 van de Regeling genoemde bijlage 1 ‘Plaatsen en tijden betaald parkeren en de toepassing van de wielklem’ (de bijlage) bestaat uit 67 pagina’s en bevat een tabel waarin per straat of straatdeel staat aangegeven wat de tijden van het betaald parkeren zijn, wat de maximale parkeertijd bedraagt en wat de gebiedscode van de parkeervergunning is.<footnote-ref linkend="_99d9b6d9-51d3-4738-98b2-40772bc9642c" /></para>
    <para />
    <para>11. De bijlage kan worden geopend door onder het kopje ‘Externe bijlagen’ te klikken op de hyperlink genaamd ‘exb-2021-75079’ (de link staat links onder op de schermafbeelding). De bijlage is dus beschikbaar als pdf-bestand. Bij latere wijzigingen van de Regeling heeft de gemeente bijgewerkte versies van de bijlage op dezelfde wijze gepubliceerd.<footnote-ref linkend="_2428308f-0cb0-419a-a451-c0a26d3a1f40" /> Waar partijen over verdeeld zijn, is de vraag of de bijlage op deze wijze is bekendgemaakt conform de Bekendmakingswet.</para>
    <para />
    <para>12. Gemachtigde stelt dat de bijlage niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt en daardoor niet in werking is getreden. Volgens gemachtigde is de bijlage niet in het gemeenteblad gepubliceerd (artikel 6 van de Bekendmakingswet) en niet gebleken is dat aan de uitzondering van artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet is voldaan. Gemachtigde concludeert dat de bijlage niet in werking is getreden en dat de naheffingsaanslagen daarom ten onrechte zijn opgelegd.</para>
    <para />
    <para>13. Verweerder stelt dat de bijlage, inclusief latere wijzigingen van de Regeling en de bijlage, conform artikel 6 van de Bekendmakingswet zijn bekendgemaakt. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet.</para>
    <para />
    <para>14. Uit artikel 2, tweede lid, van de Bekendmakingswet in samenhang met artikel 6 van de Bekendmakingswet volgt dat het college van burgemeester en wethouders algemeen verbindende voorschriften bekendmaakt door deze te plaatsen in het gemeenteblad. Op grond van artikel 8 van de Bekendmakingswet treedt een algemeen verbindend voorschrift niet in werking voordat het op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.</para>
    <para />
    <para>15. Artikel 2, achtste lid, van de Bekendmakingswet schrijft voor dat de uitgifte van het gemeenteblad elektronisch geschiedt op een algemeen toegankelijke wijze door middel van een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in stand gehouden digitale infrastructuur. Hiermee wordt de digitale infrastructuur bedoeld die ervoor zorgt dat de informatie daadwerkelijk via internet beschikbaar komt en blijft, waaronder een website waarmee de informatie wordt ontsloten.<footnote-ref linkend="_295b1987-b086-42a4-84c8-01ac4868d8c9" /> Door deze standaardisatie is het voor burgers mogelijk om op één website (officielebekendmakingen.nl) alle algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen van de overheid te raadplegen, hetgeen de toegankelijkheid en kenbaarheid ervan ten goede komt.<footnote-ref linkend="_a5cd15be-004a-421c-a2c3-7b8569a21cda" /></para>
    <para />
    <para>16. In uitzondering op artikel 6 van de Bekendmakingswet kunnen bijlagen bij algemeen verbindende voorschriften onder bepaalde voorwaarden via een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium worden bekendgemaakt. Dit is bepaald in artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet, luidende:</para>
    <para>“In afwijking van artikel 4, artikel 5 of artikel 6, kan een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander in die artikelen genoemd besluit na voorafgaande instemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepalen dat een bij die wet, die algemene maatregel van bestuur of dat besluit behorende bijlage wegens aard of omvang wordt bekendgemaakt door middel van een in die wet, die algemene maatregel van bestuur of dat besluit aangewezen ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het in die artikelen bedoelde publicatieblad.”</para>
    <para />
    <para>17. De rechtbank stelt vast dat de bijlage via de website officielebekendmakingen.nl via een link raadpleegbaar is en opgenomen is in de bekendmaking van de Regeling in het gemeenteblad van gemeente Den Haag. Hetzelfde geldt voor latere versies van de Regeling en de bijlage. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereisten voor rechtsgeldige publicatie zoals bepaald in artikel 6 van de Bekendmakingswet. De toegankelijkheid en kenbaarheid van de Regeling en de bijlage zijn op deze wijze ook optimaal gewaarborgd. Deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.	</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>22 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd</para>
      <para>te ondertekenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).</para>
      <para>Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
    <para>2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. </para>
    <para>Verder vermeldt u ten minste het volgende:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. de datum van verzending;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
    <para>d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2581eac6-0897-448a-8f71-b5b2511fc74d" label="1">
    <para> Raadpleegbaar via https://woo.denhaag.nl/wp-content/uploads/2023/03/2023-213345-Bijlage-3-van-3.pdf.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_42000422-97d6-4d86-83f3-8bd9d3f18db1" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Den Haag 20 september 2023,ECLI:NL:GHDHA:2023:2043, r.o. 5.10 tot en met 5.12, en Gerechtshof Den Haag 9 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:218, r.o. 5.5.1 t/m 5.6.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_01beb0aa-4719-43d5-8702-82e42edee598" label="3">
    <para> Gemeenteblad 2021, nr. 471695 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2021-471695.html).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_99d9b6d9-51d3-4738-98b2-40772bc9642c" label="4">
    <para> De bijlage is direct raadpleegbaar via https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2021-75079/1/bijlage/exb-2021-75079.pdf.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2428308f-0cb0-419a-a451-c0a26d3a1f40" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld Gemeenteblad 2024, nr. 101816 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-101816.html): bijlage 1 is in te zien via de hyperlink ‘exb-2024-9459’ onder ‘Externe bijlagen’.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_295b1987-b086-42a4-84c8-01ac4868d8c9" label="6">
    <para> Kamerstukken I 2019/2020, 35218, nr. C, blz. 4 en 5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5cd15be-004a-421c-a2c3-7b8569a21cda" label="7">
    <para> Kamerstukken II 2018/2019, 35218, nr. 3, blz. 2. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>