<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:19599</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-31T10:00:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 25/1504</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19599">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19599</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-28T13:27:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:19599 Rechtbank Den Haag , 17-10-2025 / SGR 25/1504</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19599:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:54; onredelijk late indiening beroep; kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19599:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 25/1504 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">Stichting Jeugdgezondheidszorg, uit Zoetermeer, eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: C.I. Nouse),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder (het Uwv) </para>
      <para>(gemachtigde: J. Voorn).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiseres tegen het niet op tijd beslissen van het Uwv op haar verzoek van 11 oktober 2022 om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van mevrouw [naam] , een (ex-)werknemer van eiseres.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <para>2. Op 11 oktober 2022 heeft eiseres een verzoek om een herbeoordeling voor haar (ex-)werknemer bij het Uwv ingediend. Op 12 oktober 2022 heeft het Uwv het verzoek ontvangen. Omdat er binnen de wettelijke termijn geen beslissing op het verzoek werd genomen, heeft eiseres op 27 maart 2023 een ingebrekestelling gestuurd aan het Uwv. Het Uwv heeft de ontvangst van die ingebrekestelling op 28 maart 2023 bevestigd. Op 1 juni 2023 heeft het Uwv een dwangsombeschikking afgegeven. </para>
    <para />
    <para>3. Eiseres heeft beroep ingesteld op 19 februari 2025.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>4. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals in deze zaak, is het indienen van beroep niet aan een termijn gebonden. Wel is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.<footnote-ref linkend="_ea9e1279-d081-4a18-aaa0-529250982175" /><?linebreak?>Tussen de ingebrekestelling van 27 maart 2023 en het beroep niet tijdig beslissen van 19 februari 2025 zit een periode van ruim 1 jaar en tien maanden.</para>
    <para />
    <para>5. Eiseres geeft aan dat zij niet eerder beroep heeft ingesteld omdat zij hoopte dat het Uwv alsnog zonder juridische stappen tot een beslissing zou komen. Eiseres wilde uit coulance het Uwv voldoende tijd geven om tot een beslissing te komen. Zij stelt zich op het standpunt dat het beroep niet onredelijk laat is en verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 maart 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:3921).</para>
    <para />
    <para>6.  De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres onredelijk laat is ingediend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser eerst na ruim 22 maanden na het verzoek in rechte is opgekomen tegen het uitblijven van een besluit. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat in die periode 2 contactmomenten zijn geweest, namelijk op 3 oktober 2023 (<emphasis role="italic">een jaar na het verzoek</emphasis>) en op 17 februari 2025 (<emphasis role="italic">kort voor indienen beroep</emphasis>). Onder deze omstandigheden kan ook een beroep op de door eiseres aangehaalde uitspraak niet slagen. In die zaak had de eisende partij niet stilgezeten en regelmatig contact onderhouden met het Uwv. </para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Cakir, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_ea9e1279-d081-4a18-aaa0-529250982175" label="1">
    <para>De rechtbank verwijst naar artikel 6:12, eerste lid, van de Awb, in samenhang met het vierde lid van dat artikel.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>