<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:19472</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-28T10:41:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.36382 en NL25.36318</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2025:5261" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:5261</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19472">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19472</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-05T17:10:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:19472 Rechtbank Den Haag , 14-08-2025 / NL25.36382 en NL25.36318</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19472:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Nieuw terugkeerbesluit, wijziging vertrektermijn, onvoldoende gemotiveerd. Terugkeerbesluit en inreisverbod worden vernietigd. Maatregel wordt opgeheven. Beroep gegrond, schadevergoeding en proceskostenveroordeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19472:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak</para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="56ad62de-2098-4a06-b1d2-bccd74b2dcb1" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="3c589d48-476a-4dfa-91c1-ac229d497a18" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht</para>
      <para>Zaaknummers: NL25.36382 en NL25.36318 V-nummer: [V nummer]</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. M.A. Krikke),</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, de minister (gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 augustus 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd (het bestreden besluit 1). De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd (het bestreden besluit 2).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 12 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Cheiboukh. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt dat hij de Tunesische nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum] 1992. Op 12 juli 2025 heeft eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd gekregen. Daarin heeft de minister bepaald en aan eiser uitgelegd dat hij de Europese lidstaten binnen</para>
    <para>28 dagen moest verlaten. Op 24 juli 2025 is eiser strafrechtelijk aangehouden en vastgehouden tot hij op 5 augustus 2025 is overgedragen aan de vreemdelingenpolitie. Eiser heeft toen een nieuw terugkeerbesluit en inreisverbod gekregen waarin is bepaald dat hij de Europese lidstaten onmiddellijk moest verlaten. Ook is eiser op die dag op grond van dat terugkeerbesluit en inreisverbod in bewaring gesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Over bestreden besluit 1</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser wijst op het eerdere terugkeerbesluit en inreisverbod van 12 juli 2025 waarin de minister hem een termijn van 28 dagen voor vrijwillig vertrek heeft gegeven. Die termijn verstreek pas op 10 augustus 2025. Volgens eiser heeft de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom daarmee de termijn voor vrijwillig vertrek werd ingekort. Eiser stelt dat er uit het bestreden besluit geen extra gronden volgen die hem eerder niet werden tegengeworpen. De vertrektermijn van 28 dagen die hem op</para>
    <para>12 juli 2025 is gegeven, had hij daarom ook moeten krijgen.</para>
    <para />
    <para>3. De minister stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit rechtmatig is. Hij heeft ter zitting aangevoerd dat hij ook op 12 juli 2025 al had kunnen bepalen dat eiser onmiddellijk moest vertrekken en dat het aan eiser zelf te wijten is dat hij binnen vier weken via een strafrechtelijke aanhouding weer in handen van de vreemdelingenpolitie kwam. Eiser had volgens de minister in de twee weken voor zijn strafrechtelijke aanhouding zijn vertrek kunnen regelen. Dat eiser in het bestreden besluit geen extra gronden zijn tegengeworpen, maakt volgens de minister niet dat de vertrektermijn niet kon worden ingekort. Het gaat er volgens de minister om of er een risico op onttrekking bestaat en daar is sprake van.</para>
    <para>4. De rechtbank stelt voorop dat de minister kan bepalen dat een vreemdeling onmiddellijk moet vertrekken als er een risico bestaat op onttrekking aan het toezicht.1 Ook onderschrijft de rechtbank dat een eerder gegeven vertrektermijn door de minister kan worden verkort door een nieuw terugkeerbesluit te nemen.2 Wel moet de minister in dat besluit motiveren welke omstandigheden hem daartoe aanleiding hebben gegeven3, zodat eiser voldoende kan afwegen of hij een rechtsmiddel tegen het besluit zal instellen en zo ja, ook gerichte argumenten daartegen kan inbrengen.4 Dat heeft de minister in dit geval onvoldoende gedaan.</para>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In het bestreden besluit wordt helemaal niets gezegd over het terugkeerbesluit van 12 juli 2025 en wordt in het geheel niet ingegaan op de omstandigheid dat de vertrektermijn wijzigt. Ook liggen aan het bestreden besluit juist minder gronden ten grondslag dan aan het besluit van 12 juli 2025. Anders dan op 12 juli 2025 wordt eiser in het betreden besluit niet tegengeworpen dat hij wordt verdacht van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld en een gevaar oplevert voor de openbare orde. Het is voor eiser dus geheel onduidelijk waarom hij er vanaf 5 augustus 2025 niet langer van uit mocht gaan dat hij nog tijd had om zelf naar Tunesië te vertrekken. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd.5</para>
      <mediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="35459be7-3db8-42d1-bf17-929dd08cea3c" depth="2" width="193" format="image/png" />
        </imageobject>
      </mediaobject>
      <para>1. Artikel 62, tweede lid, van de Vw.</para>
      <para>2 Vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0601, onder 2.4.2.</para>
      <para>3 Vgl. de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Oost-Brabant, van 21 april 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1809, onder 4.</para>
      <para>4 Omdat de vertrektermijn uit het terugkeerbesluit van 12 juli 2025 nog niet was verstreken op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, is het bestreden besluit gericht op een rechtsgevolg en staan daartegen rechtsmiddelen open. Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4661, onder 5 en 5.1.</para>
      <para>5 Dat is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zorgvuldigheidsgebrek in de zin van artikel 3:2 van de Awb.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt.</para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit. Omdat het inreisverbod is gebaseerd op dit terugkeerbesluit en de omstandigheid dat daarin een vertrektermijn is onthouden, kan ook het inreisverbod geen stand houden. De rechtbank vernietigt het inreisverbod.</para>
      <para />
      <para>6. Omdat het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden die tegen dat besluit zijn gericht geen bespreking meer.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Over bestreden besluit 2</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. De bevoegdheid van de minister om eiser in bewaring te stellen is in dit geval gebaseerd op de bevoegdheid om eiser uit te zetten. Omdat de rechtbank bestreden besluit 1 vernietigt, biedt dat besluit geen grondslag meer voor de inbewaringstelling. Dat de minister het terugkeerbesluit van 12 juli 2025 niet heeft herroepen, maakt niet dat dat besluit op</para>
      <para>5 augustus 2025 als grondslag heeft kunnen dienen voor de inbewaringstelling. De vrijwillige vertrektermijn die bij dat besluit aan eiser is gegeven was namelijk nog niet verstreken. Eiser was daarom nog niet uitzetbaar op het moment dat hij in bewaring werd gesteld.6 De maatregel van bewaring is daarom onrechtmatig opgelegd.</para>
      <para>8. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden die tegen dat besluit zijn gericht geen bespreking meer.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Over de beroepen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is gegrond en de rechtbank vernietigt dat besluit. Daarmee is ook de grondslag aan bestreden besluit 2 komen te ontvallen, zodat ook het beroep daartegen gegrond is en de maatregel van bewaring vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig is.</para>
      <para />
      <para>10. De rechtbank kan aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt.7 De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming van 10 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.000,00.</para>
      <para />
      <para>11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,00 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.</para>
      <para />
      <mediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="6dacb1ff-3c79-4794-9019-397d5021a31c" depth="2" width="193" format="image/png" />
        </imageobject>
      </mediaobject>
      <para>6 Artikel 62, eerste lid, in samenhang met artikel 63, eerste lid, van de Vw.</para>
      <para>7 Artikel 106 Vw.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart de beroepen gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt bestreden besluit 1;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 14 augustus 2025 en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000,00 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Klinkhamer, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>B.S. Beens, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14 augustus 2025</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: DSR52322633</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
      <para>Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>