<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:19431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-27T12:34:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.17470</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19431">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-23T13:19:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:19431 Rechtbank Den Haag , 25-07-2025 / NL24.17470</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19431:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EU-verblijfsecht van eiser ontzegd en eiser is ongewenst verklaard. Beroepsgronden letterlijke herhaling van de bezwaargronden. Geen gemotiveerde betwisting. Beroep op schending hoorplicht slaagt niet. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19431:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
      <para>
        <?linebreak?>zaaknummer: NL24.17470 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft met het primaire besluit van 1 mei 2023 het EU-verblijfsecht van eiser ontzegd en eiser ongewenst verklaard. Met het bestreden besluit van 11 april 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. N. den Ouden als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Feiten en omstandigheden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser is geboren op [geboortedatum] 1976 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft duurzaam EU-verblijfsrecht in België. Eiser is op onbekende datum naar Nederland gekomen. Eiser is getrouwd met een Nederlandse vrouw en heeft een Nederlands kind.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij vonnis van 5 december 2022 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag eiser veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf. Eiser is schuldig bevonden aan – kort gezegd – het bezit van 100 kilo harddrugs en voorbereidingshandelingen voor drugshandel, gepleegd in december 2021. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bestreden besluit</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.	Verweerder heeft het bezwaar van eiser met het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder overweegt dat van eiser een ‘actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’ uitgaat. Eiser heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige drugscriminaliteit. Eiser heeft geen persoonlijke belangen naar voren gebracht die prevaleren boven het algemeen belang. Eiser heeft in België een duurzaam EU-verblijfsrecht. Dat blijkt uit zijn Belgische ‘Kaart duurzaam verblijf’ waarop een verwijzing naar artikel 20 van Richtlijn 2004/38/EG staat. Omdat eiser hiermee onder het gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt, is richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn) op hem niet van toepassing. Dit volgt uit artikel 2, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Eiser komt daarmee in aanmerking voor ongewenstverklaring op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dat eiser maar een keer is veroordeeld, maakt niet dat hij geen gevaar voor de openbare orde is. Ook maakt dat het besluit niet onevenredig. Dat eisers vrouw en kind de Nederlandse nationaliteit hebben, maakt het besluit evenmin onevenredig. Eiser kan in België blijven samenwonen. De ongewenstverklaring maakt alleen verblijf in Nederland onmogelijk en strafbaar, niet in België. Uit de beoordeling blijkt meteen dat het bezwaar ongegrond is. Over deze conclusie bestaat geen twijfel en dat betekent dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Daarom is eiser niet gehoord.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Terugkeerrichtlijn en artikel 67 van de Vw</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank constateert dat eisers beroepsgrond, dat eiser wel onder de terugkeerrichtlijn valt en dat gelet op artikel 67 van de Vw geen ongewenstverklaring aan eiser kan worden opgelegd, een exacte herhaling is van het bezwaarschrift. Verweerder is hier in het bestreden besluit gemotiveerd op ingegaan. Eiser heeft niet aangevoerd wat er niet klopt aan de motivering in het bestreden besluit. Het aangevoerde kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De waarnemer van de gemachtigde van eiser heeft op zitting ter aanvulling van deze beroepsgrond, een beroep gedaan op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van <?linebreak?>14 december 2022.<footnote-ref linkend="_c8695c28-b00c-421d-a8ad-8f2ab08a9536" /> De rechtbank is – net als verweerder – van oordeel dat die uitspraak ziet op een inreisverbod en een terugkeerbesluit en daarvan is in dit geval geen sprake. Om die reden slaagt het beroep op de uitspraak niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gevaar voor de openbare orde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser voert aan dat hij ten onrechte wordt gezien als een gevaar voor de openbare orde en dat het bestreden besluit onevenredig is. Ook deze beroepsgrond van eiser is een letterlijke herhaling van zijn bezwaargrond. Verweerder heeft in het primaire besluit zeer uitvoerig toegelicht waarom van eiser een ‘actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’ uitgaat. In het bestreden besluit is verweerder ingegaan op hetgeen in het bezwaar is aangevoerd. Verweerder heeft daarbij ook overwogen dat eiser niet uitlegt wat er niet klopt aan de overwegingen van verweerder. Van eiser mag worden verwacht dat hij aangeeft waarom hij het niet eens is met de motivering in het primaire besluit en de weerlegging in het bestreden besluit van wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd. Dit heeft hij niet gedaan. Het aangevoerde kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond slaagt dus evenmin.</para>
    <bridgehead role="italic">Schending hoorplicht</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Eiser voert aan dat ten onrechte geen hoorzitting is gehouden. Hij moet worden gehoord. Het gezin van eiser woont in Nederland. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat dit laatste niet klopt. Eiser woont in België en dat geldt ook voor zijn zoontje en de moeder van zijn zoontje. Eiser woont niet meer samen met de moeder van zijn zoontje. Eiser is werkzaam in België.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling in bezwaar hoort en dat verweerder terughoudend moet omgaan met de uitzonderingen op deze hoorplicht. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb<footnote-ref linkend="_eef9228b-413d-455c-bfc4-1934824cc8fb" /> slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om op grond van deze bepaling af te zien van het horen, moet worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, bezien in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan verweerder een vreemdeling (onder meer) ongewenst verklaren indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Uit jurisprudentie<footnote-ref linkend="_c6ecebb1-1af2-46dc-80ab-103c6dab9b6d" /> van de Afdeling alsook paragraaf A4/3.10 van de Vc<footnote-ref linkend="_71a320b8-2ef8-42c6-8809-e5bc370b9cf9" /> volgt dat verweerder een Unieburger ongewenst kan verklaren, indien het persoonlijk gedrag van de Unieburger een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt zoals bedoeld in artikel 8.22, eerste lid, van het Vb.<footnote-ref linkend="_146c2970-8e50-46e1-a689-07aec22ef88e" /> Daarbij moet verweerder in het bijzonder rekening houden met de duur van het verblijf van de betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en met de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen afzien van het horen. Daarvoor is het volgende relevant. In het primaire besluit, het bestreden besluit en op zitting heeft verweerder verwezen naar de verklaringen in het proces-verbaal van 26 januari 2023. Eiser heeft geen werk in Nederland en heeft zelf verklaard, naast zijn Nederlandse vrouw, geen andere familiare of relationele betrekkingen in Nederland te hebben. Verweerder heeft terecht verwezen naar de eerder afgelegde verklaring van eiser dat hij geen moeite heeft om Nederland te verlaten. Eiser heeft in beroep en op zitting de mogelijkheid gehad om zijn familieleven en persoonlijke omstandigheden van zichzelf en zijn gezin gedetailleerder naar voren te brengen. Dat heeft hij niet gedaan. Voor de rechtbank is daarom ook niet duidelijk waarom de door eiser aanvoerde omstandigheden zouden moeten leiden tot een andersluidend besluit. Er is geen sprake van strijd met artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_d6bdd008-2546-48a6-ba20-a2cf4e6eec8d" />, omdat eiser in België woont en zijn familieleven daar voortgezet kan worden. Eiser heeft verder niks, behalve de via zijn gemachtigde geuite wens om de familie van zijn zoon in Nederland te bezoeken, naar voren gebracht wat hij in een hoorzitting naar voren had willen brengen. Voorgaande heeft eiser ook niet nader onderbouwd. Verweerder heeft daarom in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om af te zien van de beëindiging van het verblijfsrecht van eiser op grond van het Unierecht en de ongewenstverklaring. Omdat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het aangevoerde niet zou kunnen leiden tot een andersluidend oordeel, heeft verweerder af kunnen zien van horen. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.C. Simonis, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c8695c28-b00c-421d-a8ad-8f2ab08a9536" label="1">
    <para>ECLI:NL:RVS:2022:3581.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eef9228b-413d-455c-bfc4-1934824cc8fb" label="2">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6ecebb1-1af2-46dc-80ab-103c6dab9b6d" label="3">
    <para> Uitspraken van 19 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:186) en 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:797).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_71a320b8-2ef8-42c6-8809-e5bc370b9cf9" label="4">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_146c2970-8e50-46e1-a689-07aec22ef88e" label="5">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d6bdd008-2546-48a6-ba20-a2cf4e6eec8d" label="6">
    <para> Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>