<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:19371</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-27T11:05:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.42660</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19371">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19371</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-23T08:34:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:19371 Rechtbank Den Haag , 16-07-2025 / NL24.42660</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19371:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>PKV toegekend; in geschil is de geldigheid van de ingebrekestelling. De rechtbank merkt, in lijn met de uitspraak van de Afdeling, de klacht van verzoekers aan als ingebrekestelling, nu zij bij verweerder aandrongen om zo snel mogelijk een beslissing te nemen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19371:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zaaknummer: NL24.42660 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>V-nummers: [V-nummer 1], [V-nummer 2], [V-nummer 3] en [V-nummer 4]</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</title>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker 1], </emphasis>mede namens [verzoeker 2], [verzoeker 3] en [verzoeker 4], verzoekers,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. L.M. Weber),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder. </title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekers om een</para>
      <para>veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).<footnote-ref linkend="_f9b4ed04-39e9-4f56-bc59-7676cee60d02" /> Zij hebben het beroep ingetrokken, omdat verweerder op 9 januari 2025 alsnog een besluit heeft genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft hierop bij brief van 12 februari 2025 gereageerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden.<footnote-ref linkend="_8e019019-070a-43dc-8c92-6b594e06d302" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para>2. Verweerder heeft zich met zijn brief van 12 februari 2025 verzet tegen een veroordeling in de proceskosten. De klacht die verzoekers op 15 oktober 2024 hebben ingediend voldoet niet aan de eisen van een ingebrekestelling. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk, aldus verweerder. </para>
    <para />
    <para>3. Verzoekers vinden dat zij wel recht hebben op proceskosten. Volgens hen is wel degelijk sprake van een ingebrekestelling die door verweerder is ontvangen en bevestigd. </para>
    <para />
    <para>4. Voordat de rechtbank aan de beoordeling van het proceskostenverzoek komt, moet de rechtbank eerst beoordelen of het beroep ontvankelijk is. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Als een bestuursorgaan niet tijdig op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene aan het bestuursorgaan laten weken dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, kan de betrokkene beroep instellen.<footnote-ref linkend="_3028b869-3fe3-448d-9c58-8ee5b354dad3" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Van een ingebrekestelling, zoals bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen.<footnote-ref linkend="_2590d0b2-0929-4893-9794-0325c2897a80" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>In de klacht van 15 oktober 2024 worden alle verzoekers genoemd waar de aanvraag betrekking op heeft samen met de zaaknummers. Daarbij is in de klacht aangegeven dat de IND langer de tijd neemt om te beslissen op de aanvraag en is de omstandigheid van een zieke dochter aangegeven, waarmee verzoekers proberen aan te dringen op het zo snel mogelijk nemen van een beslissing. De rechtbank merkt de klacht van 15 oktober 2024 daarom aan als een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het beroep is ontvankelijk.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.	De rechtbank moet in dit beroep beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoekers is tegemoetgekomen.<footnote-ref linkend="_cfbc242a-a91b-471f-b481-c0d2a5829b62" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Verzoekers hebben de aanvraag voor een mvv ingediend bij verweerder. Verzoekers hebben verweerder in gebreke gesteld en vervolgens na ten minste twee weken beroep ingesteld. Verweerder heeft de aanvraag (alsnog) ingewilligd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het nemen van een besluit op de aanvraag is tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekers.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.	De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding toe. Verweerder moet deze vergoeding betalen aan verzoekers. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 453,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van S. Yagkoubi, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f9b4ed04-39e9-4f56-bc59-7676cee60d02" label="1">
    <para> Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e019019-070a-43dc-8c92-6b594e06d302" label="2">
    <para> De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3028b869-3fe3-448d-9c58-8ee5b354dad3" label="3">
    <para> Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2590d0b2-0929-4893-9794-0325c2897a80" label="4">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4682.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cfbc242a-a91b-471f-b481-c0d2a5829b62" label="5">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>