<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:19370</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-25T11:17:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.9468 en NL24.9469</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19370">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19370</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-25T11:16:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:19370 Rechtbank Den Haag , 21-07-2025 / NL24.9468 en NL24.9469</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19370:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De minister heeft de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overig humanitaire redenen buiten behandeling gesteld, omdat eiser de leges niet heeft betaald. De rechtbank overweegt dat de minister geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling. Door in het bestreden besluit vast te houden aan wat er in het vernietigde besluit is geoordeeld en geen gehoor te geven aan de uitspraak van de Afdeling, ziet de rechtbank niet de welwillendheid van de minister om tot een afgewogen beslissing te komen. De rechtbank maakt dan ook zelf een beoordeling in het kader van schrijnende omstandigheden en overweegt dat de minister in redelijkheid niet tot een andere uitkomst had kunnen komen dan dat er in het geval van eiser sprake is van schrijnende omstandigheden. Om die reden had eiser vrijgesteld moeten worden van het legesvereiste. Het beroep is gegrond en de minister moet een nieuw besluit nemen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19370:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    <para>
      <?linebreak?>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zaaknummers: 	NL24.9468 (beroep)</para>
    <para>NL24.9469 (voorlopige voorziening) </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [eiser] , </title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1984, van Marokkaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser),</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.C.M. Nederveen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_98675346-1647-4841-86d9-e0a55212a4da" />, de minister, </para>
      <para>(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	In deze uitspraak beoordelen de rechtbank en de voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overig humanitaire redenen’ en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 september 2019 buiten behandeling gesteld. Met het besluit van 30 januari 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. De minister heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 16 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook aanwezig waren [betrokkene] van de Groene Kans en [betrokkene] van Eigenwijks . </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank </title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van eiser en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    <para />
    <para>3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Procesverloop</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser is op [geboortedatum] 1984 in Nederland geboren en had een verblijfsvergunning op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw oud<footnote-ref linkend="_74c071a3-1c2c-4b70-8db8-ff318440abf0" /> van 1984 tot en met 1994. In 1994 is eiser op tienjarige leeftijd in navolging van het gezin naar Marokko vertrokken. Op zeventienjarige leeftijd heeft eiser in een brief aan de minister van justitie gevraagd hoe hij zich kan naturaliseren tot Nederlander. Bij brief van 4 oktober 2001 heeft de toenmalige staatssecretaris van justitie op de brief afwijzend geantwoord.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Met een Schengenvisum is eiser in 2009 via Italië naar Nederland gegaan. Eiser heeft vervolgens op 13 november 2009 een aanvraag ingediend voor remigratie, welke werd afgewezen en in 2011 in rechte vast is komen te staan. Eiser is in Nederland gebleven waar hij vrijwilligerswerk doet en zorgt voor zijn vader (die legaal verblijf heeft), bij wie eiser ook woont.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Op 24 april 2019 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overige humanitaire redenen’ ingediend. De minister heeft op 4 september 2019 deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser de leges niet heeft betaald en hij niet in aanmerking komt om van die verplichting te worden vrijgesteld. Ook heeft de minister geoordeeld dat de aangevoerde omstandigheden van eiser niet dermate uitzonderlijk zijn dat hij daarom een verblijfsvergunning op schrijnende gronden moet verlenen. Op 12 maart 2020 heeft de minister het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Eiser is tegen de ongegrondverklaring in beroep gegaan. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep op 13 januari 2021 ongegrond verklaard.<footnote-ref linkend="_6b6c816d-7ce7-4408-b0a6-00dc3e174a78" /> Tegen deze uitspraak is eiser in hoger beroep gegaan. De Afdeling<footnote-ref linkend="_990bb180-3a2c-4e3d-83d1-0908c71c37e6" /> heeft op 28 november 2022 het hoger beroep gegrond verklaard en geoordeeld dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.<footnote-ref linkend="_fed8fd99-50bb-4eea-9e8c-32ff1f93372f" /> Ook heeft de Afdeling geoordeeld dat als de minister naar aanleiding van de hoorzitting over de al dan niet schrijnende omstandigheden alsnog een inhoudelijk besluit op de aanvraag neemt, ook een beroep op artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_16c4ee2c-a40e-4876-aea0-079bf6d89d82" /> in beeld komt en de minister daarop inhoudelijk moet ingaan. Eiser is vervolgens op 9 mei 2023 gehoord. Omdat de Afdeling de voornoemde uitspraak van de rechtbank en het besluit van 12 maart 2020 heeft vernietigd, heeft de minister opnieuw op het bezwaar van eiser beslist. Met het bestreden besluit van 30 januari 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Goede procesorde en termijn verweerschrift</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.	De rechtbank overweegt allereerst dat zij het verweerschrift van de minister niet bij haar oordeel zal betrekken. Artikel 8:58 van de Awb<footnote-ref linkend="_3b8174f1-c0af-4576-bda5-80a0f37de29f" /> bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. De rechtbank heeft op 26 maart 2024 via het digitale dossier een bericht naar de minister gestuurd waarin staat dat de rechtbank een aanvullend beroepschrift van eiser heeft ontvangen. De rechtbank heeft de minister een termijn van vier weken gegeven, tot en met 23 april 2024, om een verweerschrift in te dienen. Vervolgens heeft de rechtbank op 21 mei 2025 opnieuw verzocht om een verweerschrift en een termijn gegeven tot uiterlijk 4 juni 2025. Op 2 juni 2025 heeft de minister verzocht om uitstel voor het indienen van het verweerschrift. De rechtbank heeft de minister een termijn gegeven tot en met 6 juni 2025.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat zij het verweerschrift van de minister op 12 juni 2025 heeft ontvangen. Dat is twee werkdagen vóór de zitting van 16 juni 2025 en daarmee buiten de termijn van artikel 8:58 van de Awb. De rechtbank acht dat onzorgvuldig en in strijd met de goede procesorde. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat deze zaak al een tijd loopt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het in dit geval in strijd met de goede procesorde is om het verweerschrift bij de zaak te betrekken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Leges en schrijnende omstandigheden </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7.	De aanvraag van eiser is buiten behandeling gesteld, omdat hij de leges voor de afdoening van een aanvraag op grond van ‘tijdelijke niet-humanitaire gronden’ van € 1.033,-niet heeft betaald.<footnote-ref linkend="_578ed7a4-96e7-4ff2-a5a8-71fae27d2a69" /> Tussen partijen is in geschil of eiser een geslaagd beroep kan doen op een vrijstellingsgrond. Daarvoor heeft eiser een schriftelijke verklaring van de minister nodig dat eiser in aanmerking komt voor een vergunning.<footnote-ref linkend="_beb779ab-e806-41cf-82a1-a7fa43c947aa" /> De minister maakt gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die in onderlinge samenhang bezien tot een schrijnende situatie leiden. De minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid.<footnote-ref linkend="_f7fde094-ca6b-4168-89ab-85258e82b5fc" /> Bij de invulling van deze bevoegdheid maakt de minister gebruik van een praktijkdocument<footnote-ref linkend="_935787fd-dc85-4c4f-9d50-020494976a6f" /> waarin staat dat sprake dient te zijn van een onderscheidend samenstel van (schrijnende) factoren. Daarbij worden onder meer, naast aspecten als zeer langdurig verblijf en worteling, de volgende klemmende redenen van humanitaire aard meegewogen: ernstige medische problemen, perioden van rechtmatig of quasi-rechtmatig verblijf (uitstel van vertrek, verblijf op grond van een verblijfsvergunning), overlijden in Nederland van een gezinslid van de betrokken vreemdeling, de situatie waarin een belangrijk deel van het gezin waarvan de vreemdeling deel uitmaakt wél is toegelaten maar de vreemdeling zelf niet, dreigende scheiding tussen de vreemdeling en diens kind(eren) en omstandigheden in het land van herkomst. Als de minister vindt dat iemand niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning ‘overig humanitair’ en daarmee ook niet voor vrijstelling van het legesvereiste, dan moet hij deugdelijk motiveren waarom de aanvraag, gelet op de factoren die in het praktijkdocument staan en waarop een vreemdeling zich heeft beroepen, niet voor inwilliging in aanmerking komt.<footnote-ref linkend="_aebcdb84-3954-4eb9-b755-e48e0e9b485d" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>De minister voert aan dat eiser geen bewijsstukken heeft aangeleverd waaruit blijkt dat hij op korte termijn niet in het bezit kan komen van geld om de leges te betalen. Bovendien heeft eiser op de hoorzitting verklaard dat hij in staat is om geld te krijgen om de leges te voldoen. Daar komt bij dat de gemachtigde van eiser heeft aangegeven eiser te willen helpen en op 10 mei 2023 heeft aangeboden de leges te willen betalen. De minister ziet daarom geen reden om eiser vrij te stellen van de leges vanwege het feit dat hij het niet zou kunnen betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Daarnaast verwijst de minister naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 februari 2020<footnote-ref linkend="_48199ceb-2151-4a74-a54d-d0fe7a04e79a" /> waarin de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het bezwaar van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de gevraagde vergunning geen redelijke kans van slagen heeft. Verder heeft de minister gehoor gegeven aan voornoemde uitspraak van de Afdeling van 28 november 2022 door eiser op 9 mei 2023 te horen. Tijdens deze hoorzitting zijn door eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die niet al zijn betrokken in de besluitvorming. De minister heeft daarom het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt allereerst dat de minister geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak van 28 november 2022 onder rechtsoverweging 2.1 namelijk overwogen dat: </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“…als de staatssecretaris wil vasthouden aan zijn standpunt dat de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden zijn situatie niet schrijnend maken, dan moet hij de vreemdeling horen en de uitkomst daarvan bij zijn belangenafweging betrekken”. </emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit nagenoeg identiek is aan het door de Afdeling vernietigde besluit van 12 maart 2020. De minister heeft eiser weliswaar gehoord, maar de feiten en omstandigheden die uit de hoorzitting naar voren zijn gekomen zijn niet kenbaar meegewogen in het bestreden besluit. De minister stelt zich op het standpunt dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen tijdens de hoorzitting. De rechtbank is van oordeel dat eiser in zijn aanvraag in 2019 waarin hij een beroep heeft gedaan op de vrijstelling voor de leges zeer uitvoerig zijn persoonlijke omstandigheden heeft geschetst. Hangende deze aanvraag heeft eiser slechts in beperkte mate verder vorm kunnen geven aan zijn leven. Niettemin had de minister zich rekenschap moeten geven van de feiten en omstandigheden die zich in deze periode hebben voorgedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4.</nr>
      <para>Daarnaast volgt de rechtbank de verwijzing van de minister naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 februari 2020 niet. De minister beschouwt de inhoud van deze uitspraak als herhaald en ingelast en neemt de overwegingen van de voorzieningenrechter over. Dat kan niet. Het is aan de minister zelf om na vernietiging van de eerdere beslissing op bezwaar haar primaire besluit te heroverwegen. Daarnaast heeft een voorlopige voorziening een voorlopig karakter en is deze uitspraak gedaan voorafgaand aan de vernietiging van de eerdere beslissing op bezwaar door de Afdeling. De minister had daarom een volledig eigen beoordeling moeten maken. Daar komt bij dat de minister geen rekening heeft gehouden met het tijdsverloop. Tussen de aanvraag van eiser en het bestreden besluit zit namelijk vier jaar. Naar het oordeel van de rechtbank was dit tijdsverloop, in het licht van de door eiser aangedragen en onderbouwde feiten en omstandigheden, al voldoende aanleiding geweest om een volledig nieuwe beoordeling te maken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek en kan het bestreden besluit niet in stand blijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.6.</nr>
      <para>De minister heeft beoordelingsvrijheid bij het vaststellen of er sprake is van schrijnende omstandigheden, maar gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De aanvraag van eiser dateert namelijk al uit 2019. Daar komt bij dat de minister de kans heeft gehad om opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2022. Door in het bestreden besluit vast te houden aan wat er in het vernietigde besluit is geoordeeld en geen gehoor te geven aan de uitspraak van de Afdeling, ziet de rechtbank niet de welwillendheid van de minister om tot een afgewogen beslissing te komen. De rechtbank maakt dan ook zelf een beoordeling in het kader van schrijnende omstandigheden en overweegt dat de minister in redelijkheid niet tot een andere uitkomst had kunnen komen dan dat er in het geval van eiser sprake is van schrijnende omstandigheden. Om die reden had eiser vrijgesteld moeten worden van het legesvereiste. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.7.</nr>
      <para>Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd onderbouwd dat hij de leges niet kan voldoen. Het is eiser niet toegestaan om te werken en daarom kan hij geen betaalde baan vervullen. Daarnaast heeft hij een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand overgelegd en hebben zij hem vrijgesteld van het betalen van de eigen bijdrage. Daar komt bij dat de rechtbank heeft geoordeeld dat eiser op basis van de verstrekte gegevens, voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht en hierdoor is vrijgesteld van het betalen van het griffierecht. Deze twee financiële beoordelingen hebben een ander toetsingskader en kunnen niet één-op-één worden overgenomen, maar de minister heeft deze feiten ten onrechte niet gewogen in haar beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.8.</nr>
      <para>Verder overweegt de rechtbank dat er in het geval van eiser sprake is van schrijnende omstandigheden omdat hij rechtmatig verblijf heeft gehad tot zijn elfde, hij hierna door een keuze van zijn vader waar hij het niet mee eens was noodgedwongen naar Marokko heeft moeten verhuizen en daar nooit heeft kunnen aarden. Ter zitting heeft eiser uitgelegd dat hij bij vertrek naar Marokko Arabisch sprak, maar de taal niet goed kon lezen en schrijven en daardoor in de jaren erna op school niet goed aansluiting heeft kunnen vinden. Daar komt bij dat hij in het verleden meerdere pogingen heeft gedaan om terug te kunnen keren naar Nederland. Eiser is geïntegreerd in Nederland, spreekt de Nederlandse taal en doet vrijwilligerswerk bij verschillende instanties zoals het Buurtteam , Stichting BOOST , Daadkr8 &amp; Vrouw en Vaart , de Groene Kans en Eigenwijks . Twee collega’s van eiser hebben op de zitting de verklaringen van eiser over zijn vrijwilligerswerk gemotiveerd bevestigd. Tevens hebben zij aangegeven dat eiser een belangrijke en onmisbare functie binnen de instanties heeft. Ook heeft eiser twee verklaringen overgelegd van Quality Dienstverlening B.V. en van Stichting Studiezalen waaruit volgt dat zij eiser een baan willen aanbieden zodra hij legaal verblijf heeft. Niet gebleken is dat eiser een gevaar voor de openbare orde is of dat er contra-indicaties zijn. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister redelijkerwijs niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat er geen sprake is van schrijnende omstandigheden. Dat betekent dat eiser is vrijgesteld van het legesvereiste en dat de minister de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.	 Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister de aanvraag van eiser in behandeling moet nemen en een inhoudelijk besluit moet nemen op de aanvraag van eiser. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken na de dag van het verzenden<footnote-ref linkend="_3f349dd5-08d8-4a61-a8d9-d0f11b467185" /> van deze uitspraak. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiser en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.</para>
        <para>De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.9468:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het besluit van 30 januari 2024;</para>
    <para>- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.9469:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van de uitspraak ziet u hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_98675346-1647-4841-86d9-e0a55212a4da" label="1">
    <para> Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_74c071a3-1c2c-4b70-8db8-ff318440abf0" label="2">
    <para> Vreemdelingenwet oud. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b6c816d-7ce7-4408-b0a6-00dc3e174a78" label="3">
    <para> AWB 20/2765.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_990bb180-3a2c-4e3d-83d1-0908c71c37e6" label="4">
    <para> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fed8fd99-50bb-4eea-9e8c-32ff1f93372f" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3456.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_16c4ee2c-a40e-4876-aea0-079bf6d89d82" label="6">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3b8174f1-c0af-4576-bda5-80a0f37de29f" label="7">
    <para> Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_578ed7a4-96e7-4ff2-a5a8-71fae27d2a69" label="8">
    <para> Artikel 3.34 aanhef onder s. van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, geldig op 24 april 2019.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_beb779ab-e806-41cf-82a1-a7fa43c947aa" label="9">
    <para> Artikel 3.34a aanhef onder k van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, geldig op 24 april 2019.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7fde094-ca6b-4168-89ab-85258e82b5fc" label="10">
    <para> Paragraaf B1/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_935787fd-dc85-4c4f-9d50-020494976a6f" label="11">
    <para> Document dat medewerkers van verweerder gebruiken voor de beoordeling van schrijnendheid met niet-limitatieve lijst van factoren en contra-indicaties.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aebcdb84-3954-4eb9-b755-e48e0e9b485d" label="12">
    <para> Zie de uitspraken van de Afdeling van 24 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3090, en van 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:225.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_48199ceb-2151-4a74-a54d-d0fe7a04e79a" label="13">
    <para> AWB 19/7508.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f349dd5-08d8-4a61-a8d9-d0f11b467185" label="14">
    <para> Middels het uploaden van de uitspraak.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>