<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:19349</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-27T08:46:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.37231</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19349">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19349</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-22T16:17:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:19349 Rechtbank Den Haag , 17-07-2025 / NL23.37231</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19349:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asiel Turkije, HDP/DEM, de minister heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom eiser niet in de negatieve aandacht zou staan van de Turkse autoriteiten, het ligt op de weg van de minister om te motiveren dat in het geval van eiser niet is voldaan aan het individualiseringsvereiste, beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19349:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zaaknummer: NL23.37231 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser], </title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1972, van Turkse nationaliteit, eiser</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E. Arslan),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 3 november 2023 afgewezen als ongegrond. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E. Taskin als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de behandeling van de zaak op de zitting geschorst omdat het onderzoek in deze procedure niet volledig was. Op de zitting is namelijk gebleken dat uit het meest recente Algemeen Ambtsbericht Turkije (februari 2025) blijkt dat een hoger percentage HDP-(nu DEM-)leden in de gevangenis zit dan in de vorige ambtsberichten werd genoemd. De rechtbank heeft partijen verzocht hierop te reageren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Op 13 mei 2025 heeft de minister hierop gereageerd en op 8 juni 2025 heeft de gemachtigde van eiser op de reactie van de minister gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten, omdat geen van de partijen heeft aangegeven een nadere zitting te wensen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat zijn beroepsgrond dat ten onrechte geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden buiten beschouwing gelaten kan worden. De minister werpt namelijk niet meer tegen dat eiser wisselend heeft verklaard over in welke maanden van de tweede helft van 2015 hij deelgenomen zou hebben aan protesten, nu eiser niet door MediFirst is onderzocht. De minister werpt nog wel de tegenstrijdigheden in de jaartallen van de demonstraties tegen. </para>
    <para />
    <para>3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Asielrelaas </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft op 16 november 2021 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft bij deze aanvraag het volgende naar voren gebracht. Hij heeft verklaard dat hij vanwege zijn lidmaatschap van de HDP<footnote-ref linkend="_2265ef10-6e37-4645-893a-a7bc5509d86e" /> (veelal omschreven als een Pro-Koerdische politieke partij, nu bekend als DEM) door de Turkse autoriteiten wordt gezien als terrorist. Eiser heeft meegedaan aan protesten van de HDP. Daarnaast wordt hij in Turkije gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische etniciteit. Ook wordt hij lastiggevallen door politieagenten. De politie is na een protest het huis binnengevallen van eiser en zijn zoon is opgepakt door de politie. Bij terugkeer zal hij gevangengenomen worden vanwege zijn lidmaatschap bij de HDP. Zijn naam staat namelijk op een lijst van gezochte personen van het Turkse ministerie van justitie.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Besluitvorming</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;</para>
        <para>2. Problemen wegens Koerdische etniciteit;</para>
        <para>3. Activiteiten met betrekking tot HDP;</para>
        <para>4. Problemen wegens deelname aan protesten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De minister vindt alle elementen geloofwaardig, behalve de problemen die eiser ondervonden zou hebben vanwege de deelname aan protesten. De minister stelt dat eiser wisselend heeft verklaard over de jaartallen van de protesten. Ook verklaart eiser inconsistent en tegenstrijdig over dat hij als gezocht persoon op een lijst zou staan van het Turkse ministerie van justitie. Daarnaast wordt niet gevolgd dat de problemen die eiser benoemt op hem individueel betrekking hebben en komt uit de verklaringen van eiser niet naar voren dat hij structureel last ervaart van de Turkse autoriteiten. Ook de geloofwaardig geachte elementen leiden er niet toe dat eiser vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag<footnote-ref linkend="_fc5cac26-12db-4482-88cd-02a2e770c449" />. De discriminatie die eiser heeft ervaren als Koerd is niet dusdanig van aard om aan te merken als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_bb583fe9-62b1-47e3-a711-21f19cddcce6" />. Ook het lidmaatschap van eiser bij de HDP leidt er niet toe dat aan eiser een asielvergunning verleend moet worden, nu eiser met zijn relaas de problemen niet voldoende heeft kunnen individualiseren. Er is dus geen sprake van geringe indicaties. Eiser loopt bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade. Dat hij uit Turkije komt en lid is van de HDP is hiervoor onvoldoende.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.	Eiser is van mening dat er wel sprake is van geringe indicaties. Eiser is namelijk Koerd, opposant en HDP-lid. Zijn Koerdische etniciteit, politieke overtuiging en politieke activiteiten tezamen maken dat eiser in Turkije constant wordt blootgesteld aan discriminatie, onderdrukking en vervolging. Eiser stelt dat hij tot een van de risicogroepen in Turkije behoort als HDP-lid ingevolge WBV 2023/24<footnote-ref linkend="_7a3e7a35-24f5-46e5-a2d1-1fe278c78366" />. Eiser stelt dat het gegeven dat ruim de helft van de DEM-leden gevangen zit, aantoont dat sprake is van een collectieve en systematische vervolging. De repressie is niet beperkt tot hooggeplaatste of actieve leden, maar treft ook personen die deelnemen aan demonstraties, personen die berichten op sociale media plaatsen of liken, familieleden van DEM-leden en mensen die geld sturen aan gevangengezette partijgenoten. Daarnaast worden ook familieleden van DEM-leden onderworpen aan repressieve maatregelen zoals uitsluiting van sociale voorzieningen, vervolging en intimidatie. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij wel voldoet aan het individualiseringsvereiste vanwege zijn Koerdische etniciteit, geloofwaardige ervaringen van discriminatie, zijn HDP-lidmaatschap sinds 2019 en deelname aan partijactiviteiten. Tot slot staat niet enkel eiser, maar ook zijn gezin in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Dit gezamenlijk bezien vormt een dit een sterke indicatie dat eiser bij terugkeer het risico loopt op vervolging of een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De minister kan dit standpunt niet volgen. Uit het ambtsbericht van Turkije uit februari 2025 volgt wel dat 47,49% tot 54,27% van het DEM-ledental in de gevangenis zit, maar dit moet genuanceerd gezien worden volgens de minister. Uit het ambtsbericht van Turkije uit 2022 blijkt dat de HDP in 2021 41.022 leden telde. Uit het meest recente ambtsbericht blijkt echter dat de DEM begin januari 2025 maar 14.741 leden telde. Niet alle voormalig HDP-leden zijn dus ook lid van de DEM geworden. Hieruit volgt dat, alhoewel ook het aantal gevangen DEM(/HDP)-leden in die periode is gestegen met zo’n twee- à drieduizend, het actuele percentage van gevangen DEM-leden hiermee wel enigszins wordt genuanceerd. Immers, het is niet het geval dat momenteel 50 procent van de oorspronkelijke 41.022 HDP-leden gevangen zit. Dit neemt volgens de minister niet weg dat wel degelijk uit het ambtsbericht volgt dat zo’n 50 procent van de huidige DEM-leden gevangen is genomen door de Turkse autoriteit en hiermee een zeker percentage van HDP/DEM-leden een risico op vervolging loopt. Toch moet volgens de minister een individuele toets gemaakt worden. Van belang is daarbij dat niet iedereen in de negatieve aandacht staat, maar dat vooral ‘actievere’ leden dit risico lopen. In het ambtsbericht wordt ook een lijst met niet-uitputtende mogelijke omstandigheden en activiteiten gegeven die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten van HDP/DEM-leden. Deze factoren zijn volgens de minister onder meer het plaatsen, delen en liken van DEM-gezinde berichten op de sociale media, het deelnemen aan en het geven of bijwonen van persverklaringen. Dat sprake is van een dusdanige – systematische – vervolging van HDP/DEM-leden dat ieder lid een dergelijk risico loopt, is derhalve niet gebleken. Gelet hierop meent verweerder dat terecht het individualiseringsvereiste voor HDP/DEM-leden geldt. Verder is geen van bovenstaande omstandigheden voor een verhoogd risico op negatieve aandacht bij eiser aan de orde. Daarbij is niet gebleken dat uit de door eiser verrichte activiteiten, te weten dat hij in het verleden aan demonstraties heeft deelgenomen en huisbezoeken heeft afgelegd, enige vorm van negatieve aandacht is voortgekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Met ingang van 1 juli 2024 onderscheidt de minister in het landgebonden beleid niet langer risicogroepen (met geringe indicaties), maar wordt gebruik gemaakt van risicoprofielen. Met de afschaffing van de risicogroepen zijn ook de geringe indicaties komen te vervallen. Als iemand onder een risicoprofiel valt, betekent dit dat diegene in algemene zin een bepaalde mate van risico loopt in een bepaald land van herkomst. Vanaf 1 juli 2024 is sprake van een meer individuele beoordeling, waarin afgestapt wordt van een voorgeschreven lagere bewijslast en waarin een geringe of beperkte indicatie niet langer een bepalend (inwilligings-)criterium is. Het behoren tot een groep, aangemerkt als risicoprofiel, is op zichzelf niet voldoende voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, dan beoordeelt de minister de individuele omstandigheden van het geval, afgezet tegen de positie van de groep en algemene (veiligheids-)situatie in het land van herkomst. Aan de hand van de individuele omstandigheden, zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de minister of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt of heeft gelopen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat eiser als lid van de HDP niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van dit lidmaatschap lastiggevallen wordt door de autoriteiten dan wel in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. De minister heeft dus ten onrechte gesteld dat geen sprake zou kunnen zijn van een reëel en voorzienbaar risico dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst zou worden onderworpen aan een in artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. De rechtbank acht hiervoor de volgende passages uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 van belang:</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.3.1.</nr>
        <para>In het ambtsbericht staan het volgende: <emphasis role="italic">“Voorgaand ambtsbericht meldde dat er ongeveer vijfduizend HDP-leden in de gevangenis zaten. Het was lastig om het precieze aantal gevangengezette HDP leden bij te houden, omdat het oppakken en vrijlaten van HDP-leden voortdurend doorging. Gedurende de verslagperiode bleef het een komen en gaan van DEM-leden in de gevangenis. Een bron schatte het aantal gevangengezette DEM-leden op zeven- à achtduizend. Deze baseerde zich daarbij op mediaberichten en signalen uit het veld. Begin januari 2025 telde DEM 14.741 leden. Dit betekende dat gedurende de verslagperiode ongeveer 47,49% tot 54,27% van het DEM-ledental in de gevangenis zat.”</emphasis><footnote-ref linkend="_89ca22d9-4299-4f92-858d-e130081aaa48" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Ook benoemt het ambtsbericht dat, net zoals de minister stelt, er een aantal factoren zijn die kunnen leiden tot negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten zoals, arrestaties, detenties, strafrechtelijke onderzoeken en veroordelingen. Het ambtsbericht noemt dan de volgende, niet uitputtende, factoren:</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">‘- het plaatsen, delen en liken van DEM-gezinde berichten op de sociale media; </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">- het deelnemen aan demonstraties (bijvoorbeeld tegen de benoeming van bewindvoerders); - het geven of bijwonen van persverklaringen;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- het sturen van geld naar gevangengezette familieleden (dit laatste kon worden beschouwd als het financieel steunen van de PKK).’</emphasis>
          <footnote-ref linkend="_c5023e70-f5b2-40c8-8fbe-08e3490bdee2" />
        </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.3.</nr>
        <para>Daarnaast volgt uit het ambtsbericht dat ook familieleden van DEM-leden in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staan. Hierover staat onder ander het volgende: <emphasis role="italic">“Een bron gaf aan dat familieleden van DEM-leden door de politie of veiligheidsdiensten werden gevolgd, opgepakt en/of verhoord. Ook kwam het voor dat familieleden van DEM-leden onder druk werden gezet om te getuigen tegen andere DEM-leden in brede zin. Daarnaast gebeurde het dat personen niet in aanmerking kwamen voor een studiebeurs, lening, ziektekostenverzekering of sociale voorziening, omdat een familielid lid was van DEM. Voornoemde vormen van repressie werden hoofdzakelijk ingezet tegen ouders, echtgenoten, broers en zussen en kinderen van DEM-leden, aldus de bron.”</emphasis><footnote-ref linkend="_3181933d-fc99-4ce5-8679-eddb428e2b4f" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.4.</nr>
        <para>De rechtbank kan de minister niet volgen in de uitleg waarom eiser volgens de minister niet in de negatieve aandacht zou staan van de Turkse autoriteiten. De rechtbank acht hiervoor van belang dat de minister geloofwaardig acht dat eiser activiteiten met betrekking tot de HDP heeft uitgevoerd. De minister heeft geloofwaardig geacht dat eiser sinds 2019 lid is van de HDP, heeft meegedaan aan demonstraties en huisbezoeken heeft gepleegd om de idealen van zijn partij uit te dragen.<footnote-ref linkend="_6b5dae07-9ba7-4b23-8cc6-b44c3d06022a" /> Bovendien volgt de minister ook dat eisers zoon is opgepakt door de politie nadat hij heeft meegedaan aan een protestmars van de HDP.<footnote-ref linkend="_a6be431a-d7cd-4172-b926-69f120461479" /> Het deelnemen aan demonstraties wordt, zoals hierboven staat aangegeven, in het ambtsbericht genoemd als omstandigheid die kan leiden tot het in de negatieve aandacht staan van de Turkse autoriteiten. De minister heeft dit niet betrokken in de besluitvorming en dit miskend in het verweerschrift, waarin wordt gesteld dat eiser niet voldoet aan een omstandigheid voor een verhoogd risico op negatieve aandacht. Ook heeft de minister dit gegeven niet in samenhang bezien met de gegevens dat ‘<emphasis role="italic">47,49% tot 54,27% van het DEM-ledental in de gevangenis zat’. </emphasis>De rechtbank ziet hierin, in tegenstelling tot de minister, wel een duidelijke indicatie dat eiser in Turkije als actief HDP/DEM-lid gevaar zou kunnen lopen. Dat het aantal HDP/DEM-leden in aantal is afgenomen in de afgelopen jaren, waardoor een groter percentage leden nu in de gevangenis zit dan uit het ambtsbericht van 2022 blijkt, biedt voor de rechtbank niet de nuance die de minister stelt. Het gegeven blijft dat ongeveer de helft van de HDP/DEM-leden nu in de gevangenis zit en dat vormt voor de rechtbank voldoende indicatie dat er een risico bestaat dat dit ook eiser zal overkomen. Bovendien acht de minister ook geloofwaardig dat de zoon van eiser is opgepakt en blijkt uit het ambtsbericht dat familieleden van HDP-leden in de negatieve aandacht kunnen staan van de Turkse autoriteiten. De minister heeft al deze gegevens onvoldoende in samenhang bezien om de reële vrees van eiser voor ernstige schade of vervolging bij terugkeer naar Turkije te kunnen beoordelen. Hiermee heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom eiser niet in de negatieve aandacht zou staan van de Turkse autoriteiten door zijn deelname aan eerdere demonstraties, het hoge aantal DEM-leden dat in de gevangenis zit en dat zijn zoon eerder is opgepakt door zijn deelname aan een protestmars als DEM-lid, wat de minister allemaal geloofwaardig acht. Dat de arrestatie van de zoon inmiddels acht jaar geleden is en dat hij na het uitzitten van zijn gevangenisstraf niet opnieuw in de problemen is geraakt vanwege betrokkenheid bij de HDP is niet geruststellend, nu recentelijk DEM-leden in toenemende mate in de negatieve aandacht van de autoriteiten zijn komen te staan. Het aantal gedetineerde DEM-leden is immers zowel in absolute zin als procentueel in de afgelopen twee jaar fors gestegen. Hiermee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende individuele omstandigheden aangevoerd. Het ligt vervolgens op de weg van de minister om te motiveren dat desondanks in het geval van eiser niet is voldaan aan het individualiseringsvereiste. De beroepsgrond slaagt. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>6. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat de minister opnieuw dient te motiveren waarom eiser bij terugkeer niet een reëel risico op ernstige schade of vervolging loopt en dient hierbij rekening te houden met deze uitspraak en het ambtsbericht. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor vier weken.</para>
    <para />
    <para>9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    <para> De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond; </para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit van 3 november 2023;</para>
    <para>- draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2265ef10-6e37-4645-893a-a7bc5509d86e" label="1">
    <para> Halklarin Demokratik Partisi.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc5cac26-12db-4482-88cd-02a2e770c449" label="2">
    <para> Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb583fe9-62b1-47e3-a711-21f19cddcce6" label="3">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7a3e7a35-24f5-46e5-a2d1-1fe278c78366" label="4">
    <para> Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 november 2023, nummer WBV 2023/24, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_89ca22d9-4299-4f92-858d-e130081aaa48" label="5">
    <para> Pagina 63 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5023e70-f5b2-40c8-8fbe-08e3490bdee2" label="6">
    <para> Pagina 64 en 65 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3181933d-fc99-4ce5-8679-eddb428e2b4f" label="7">
    <para> Pagina 65 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b5dae07-9ba7-4b23-8cc6-b44c3d06022a" label="8">
    <para> Pagina 2 van het voornemen onder ‘3. Activiteiten met betrekking tot HDP zijn geloofwaardig.’ En pagina 2 van de reactie van de minister van 13 mei 2025.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6be431a-d7cd-4172-b926-69f120461479" label="9">
    <para> Pagina 4 van het bestreden besluit.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>