<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:19023</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-22T12:23:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.43106 en NL24.43107</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19023">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19023</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-22T12:22:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:19023 Rechtbank Den Haag , 11-06-2025 / NL24.43106 en NL24.43107</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19023:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan. Gezinsleven en privéleven in Nederland worden aangenomen. Verweerder heeft desondanks de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM in eisers nadeel kunnen laten uitvallen. Daarbij is niet gebleken dat schriftelijk horen in bezwaar ontoereikend is geweest. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:19023:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL24.43106 en NL24.43107</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Minister van Asiel en Migratie, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berkel).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beoordeling van zijn verblijfsrecht in Nederland en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft met het besluit van 8 mei 2023 besloten dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Met het bestreden besluit van 27 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij deze beoordeling gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Kozak-de Wit als tolk en de gemachtigde van verweerder. Daarbij heeft eiser zijn moeder, zus en twee medewerkers van het lokale GGZ-team, [naam 1] en [naam 2] , meegenomen.	</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Poolse nationaliteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In 2014 is eiser voor het eerst vanuit Polen naar Nederland gekomen om hier te werken. Eiser heeft van 24 februari 2014 tot en met 10 augustus 2014, van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2016, van 16 februari 2017 tot en met 11 juli 2017 en van 22 oktober 2018 tot en met 2 april 2019 in Nederland gewerkt. In deze periode heeft eiser van 21 mei 2015 tot 10 augustus 2016 ingeschreven gestaan in de Basisregistratie personen (BRP).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 23 november 2020 heeft eiser zich opnieuw ingeschreven in de BRP en op 11 juni 2021 heeft eiser een aanvraag gedaan bij de [gemeente] (de gemeente) voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. De Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) [regio 1] heeft deze aanvraag behandeld en verweerder hiervan op de hoogte gesteld. Omdat eiser hiermee een beroep doet op de algemene middelen (de openbare kas), heeft verweerder aanleiding gezien om te onderzoeken of eiser rechtmatig verblijf in Nederland heeft. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij het besluit van 8 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als gemeenschapsonderdaan.<footnote-ref linkend="_978b5912-9200-4130-b0cd-6420f363e8b8" /> Hiervoor heeft verweerder overwogen dat eiser langer dan zes maanden afwezig is geweest uit Nederland. Daardoor zijn eventuele eerdere opgebouwde rechten komen te vervallen en wordt zijn verblijf vanaf 23 november 2020 beoordeeld. Niet is gebleken dat eiser sindsdien heeft gewerkt, hij werkzoekende is en een reële kans op werk heeft, of dat hij genoeg middelen heeft gehad om van te leven. Verweerder is daarom tot de conclusie gekomen dat eiser niet als economisch actieve en niet als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan kan worden aangemerkt. De belangenafweging in het kader van de verwijdering valt in het nadeel van eiser uit, omdat het belang van de Nederlandse staat in dit geval zwaarder weegt. Het besluit bevat verder een terugkeerbesluit dat voorschrijft dat eiser Nederland binnen een maand moet verlaten. Met het besluit van 15 november 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard en is zij bij haar oordeel gebleven. Hierbij is ook een beoordeling op artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_3c197a94-7654-4e8c-87d3-868430ba7eba" /> in het nadeel van eiser uitgevallen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Verweerder heeft het besluit van 15 november 2023 met een brief van 3 juni 2024 ingetrokken, nadat eiser beroep had ingesteld tegen het besluit. Hierop heeft verweerder eiser aanvullend schriftelijk gehoord naar aanleiding van het bezwaar. Met het bestreden besluit van 27 september 2024 heeft verweerder opnieuw het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft gehad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt zich op het standpunt dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hiertoe beschouwt eiser zijn gronden in het eerdere beroep als herhaald en ingelast. Eiser voert in zijn gronden aan dat hij van mening is dat verweerder niet dezelfde beslismedewerker op het bezwaar had mogen laten besluiten nadat het eerdere besluit van 15 november 2023 was ingetrokken. De beslismedewerker in kwestie heeft namelijk niet onbevooroordeeld en objectief kunnen kijken naar de gronden in bezwaar en beroep tegen het eerdere besluit. Verder was het schriftelijk horen van eiser in bezwaar zoals het heeft plaatsgevonden niet volledig, omdat verweerder meer door had moeten vragen, om documentatie had moeten vragen indien gewenst en eiser niet is geconfronteerd met bevindingen uit onderzoek. Daarnaast blijkt uit het werk dat eiser heeft verricht in 2016, 2017, 2018 en 2019 dat eiser in die periodes ook in Nederland gevestigd was. Verweerder heeft verder onjuist getoetst aan artikel 8.7, derde lid, van het Vb. Eiser behoort namelijk tot het huishouden van zijn moeder en komt ten laste van haar, en is afhankelijk van haar verzorging en ondersteuning ten aanzien van zijn medische klachten. Ten aanzien van de beoordeling van artikel 8 van het EVRM voert eiser daarnaast aan dat verweerder, gelet op de aangevoerde omstandigheden, niet tot haar oordeel heeft kunnen komen. Het is namelijk duidelijk dat eiser afhankelijk is van zijn moeder en zijn zus. Hierdoor is er sprake van een motiveringsgebrek.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ontvankelijkheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. Bij haar verweerschrift heeft verweerder een overzicht van haar administratie meegestuurd. Hieruit blijkt dat het bestreden besluit op 30 september 2024 per post is verstuurd. De gemachtigde van eiser heeft op verzoek van de rechtbank ter zitting inzage gegeven in haar administratie en erop gewezen dat uit haar administratie blijkt dat zij het bestreden besluit pas op 4 november 2024 heeft ontvangen. Daarbij heeft zij toegelicht dat zij vermoedde dat er sprake was van een verschrijving in de datum van het bestreden besluit en dat zij dacht dat dit 27 oktober 2024 moest zijn, omdat er in de praktijk veelal een week tussen de datum van het besluit en de ontvangst per post zit. Ook is de gemachtigde in de periode van september tot en met november niet voor langere tijd afwezig geweest voor verlof of dergelijke. Verweerder heeft ter zitting aangegeven niet aan het administratie- en stempelsysteem van de gemachtigde van eiser te twijfelen, maar dat zij zich houdt aan wat haar eigen administratie toont.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank ziet gelet op bovenstaande geen aanleiding om aan de voorstelling van zaken zoals door de gemachtigde van eiser gegeven te twijfelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep tijdig is ingediend, verklaart het beroep van eiser daarom ontvankelijk en zal dit inhoudelijk behandelen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Herhaald en ingelast</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van de gronden in bezwaar en het eerdere beroep kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van oordeel is dat het besluit onrechtmatig tot stand gekomen is dan wel gebreken bevat. Dit geldt te meer nu verweerder sinds het eerdere beroep een nieuw besluit op bezwaar heeft uitgebracht. Dit wordt dan ook niet aangemerkt als een beroepsgrond. De rechtbank zal zich in de behandeling beperken tot de gronden zoals deze in eisers laatste beroep zijn aangevoerd en toegelicht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beslisambtenaar</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>6. Verweerder heeft er naar oordeel van de rechtbank op kunnen wijzen dat er geen rechtsregel is die zich ertegen verzet dat een nieuw besluit na een intrekking door dezelfde beslisambtenaar wordt genomen. In het herhalen van passages uit het eerdere besluit en aanvullen daarvan op punten waar verweerder dat nodig heeft geacht, ziet de rechtbank geen vooringenomenheid. Eiser heeft daarnaast niet verder onderbouwd waaruit de gestelde vooringenomenheid blijkt. Er is dan ook niet gebleken dat het bestreden besluit niet door dezelfde beslisambtenaar genomen had kunnen worden, noch dat eiser hierdoor onredelijk is benadeeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Rechtmatig verblijf in Nederland</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Los van de discussie of eiser in de periode van 2016 tot 2 april 2019 zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser in ieder geval voorafgaand aan november 2020 langer dan zes maanden uit Nederland weg is geweest. Verweerder heeft daarom vanaf dat moment kunnen toetsen, omdat eerder opgebouwde rechten daardoor zijn komen te vervallen. Daarbij heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiser sinds zijn terugkeer niet voldoet aan de vereisten zoals beschreven in artikel 8.12 van het Vb. Dit is in zoverre ook niet door eiser betwist. De stelling van eiser dat hij volgens artikel 8.7, derde lid, van het Vb ten laste van zijn moeder komt, heeft verweerder ook niet hoeven volgen. Eiser heeft namelijk geen onderbouwing of stukken ingediend waaruit blijkt dat hij ook tijdens zijn verblijf in Polen niet in staat was in zijn eigen basisbehoeften te voorzien, noch dat zijn moeder hem destijds heeft onderhouden. Uit de geldovermakingen van eisers moeder naar eiser blijkt ook niet zonder meer dat dit noodzakelijk was om te voorzien in zijn basisbehoeften.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Belangenafweging 8 EVRM</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>8. Ten aanzien van de beoordeling van artikel 8 van het EVRM heeft verweerder ook kunnen concluderen dat eiser op basis hiervan geen verblijfsrecht toegekend hoeft te worden. Verweerder neemt aan dat eiser gezinsleven heeft met zijn moeder en dat eiser privéleven heeft in Nederland. Desalniettemin valt de belangenafweging volgens verweerder uit in het nadeel van eiser. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Zo heeft verweerder onder meer tegen kunnen werpen dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Polen uit te voeren, dat eiser sterke banden met Polen heeft en ook meerdere keren terug naar Polen is geweest, dat eiser geen gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn afhankelijkheid van zijn zus of moeder, dat eisers moeder een beroep doet op de algemene middelen waardoor haar financiële ondersteuning van eiser niet meegewogen kan worden, dat eiser zelf geen eigen inkomen heeft en dat hij de Nederlandse taal niet spreekt. Van een motiveringsgebrek, zoals eiser heeft aangevoerd, is dan ook niet gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Voor wat betreft eisers medische omstandigheden heeft verweerder erop kunnen wijzen dat zij er in beginsel vanuit mag gaan dat de zorg in Polen niet wezenlijk afwijkt van de zorg in Nederland. Eiser heeft ook niet met stukken onderbouwd dat de zorg in Polen niet toereikend is. Met de brief van GGZ [regio 2] heeft verweerder geen genoegen hoeven nemen, nu daaruit ook niet blijkt dat de zorg in Polen ontoereikend is. Bovendien is eiser meermaals in Polen behandeld. Op de gestelde mishandeling waarvan eiser in een instelling in Polen slachtoffer zou zijn geworden, hoe ingrijpend ook, is volgens de familie gereageerd door eiser over te plaatsen naar een andere locatie. Ter zitting hebben de zus en moeder van eiser, samen met de medewerkers van de GGZ uitgelegd wat, ondanks de eerder verleende zorg in Polen, hun zorgen zijn ten aanzien van eiser en een eventuele terugkeer naar Polen. Zij hebben daarbij gewezen op hun zorgen over de behandeling van eisers trauma, de betrokkenheid van moeder en zus bij zijn behandeling en de vrees voor eiser vanwege bedreigingen vanuit het drugsmilieu in Polen. Deze verklaringen en zorgen geven blijk van een grote mate van betrokkenheid bij het welzijn van eiser en het is begrijpelijk dat eisers zus en moeder hem graag bij hen in de buurt houden. In het licht van de regels zoals die in Nederland gelden en waaraan de rechtbank heeft te toetsen maakt dit echter niet dat verweerder gehouden is om eiser rechtmatig verblijf in Nederland toe te kennen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat de manier van schriftelijk horen zoals toegepast ontoereikend is geweest. Voorop staat dat eiser in bezwaar zelf heeft verzocht om schriftelijk gehoord te worden en hier contact over is geweest tussen verweerder en de gemachtigde van eiser. Bovendien heeft eiser voldoende gelegenheid gehad om zijn omstandigheden toe te lichten en is het belang van onderbouwende stukken onderstreept. Het heeft eiser daarbij vrij gestaan om buiten de vragen overige informatie die hij van belang acht in te brengen. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat eiser is bijgestaan door een gemachtigde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3.</nr>
      <para>Van een onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd besluit is gelet op bovenstaande overwegingen geen sprake. De rechtbank verklaart het beroep van eiser dan ook ongegrond.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het betreden besluit in stand blijft en dat eiser geen gelijk krijgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_81fbe33f-cbac-4f32-805c-9f7209a439a0" />. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <para>Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_978b5912-9200-4130-b0cd-6420f363e8b8" label="1">
    <para> Op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c197a94-7654-4e8c-87d3-868430ba7eba" label="2">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_81fbe33f-cbac-4f32-805c-9f7209a439a0" label="3">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>