<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:18987</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-16T13:06:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.47149 en NL25.47189</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18987">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18987</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-16T13:05:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:18987 Rechtbank Den Haag , 14-10-2025 / NL25.47149 en NL25.47189</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:18987:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bewaring, beroep, aanvullend terugkeerbesluit, inspanningsverplichting, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:18987:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL25.47149 en NL25.47189</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 september 2025 heeft verweerder aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen de beide besluiten (apart) beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het aanvullend terugkeerbesluit (NL25.47189)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het aanvullend terugkeerbesluit een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft in het aanvullende terugkeerbesluit vermeld dat de terugkeerinspanningen van de Nederlandse overheid zich zullen richten op Marokko als land van herkomst. Verder heeft verweerder de door eiser genoemde omstandigheid dat hij een vrouw en kind heeft die in Frankrijk wonen, in zijn beoordeling betrokken en geconcludeerd dat er geen reden is om af te zien van het terugkeerbesluit.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft bij meeromvattende beschikking van 20 juli 2020, herhaald bij beschikking van 31 augustus 2020, al een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser, inhoudende dat eiser Nederland en de Europese Unie (EU) onmiddellijk moet verlaten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155, moet uit een terugkeerbesluit blijken naar welk land de vreemdeling in kwestie moet terugkeren. Het is in dit kader niet zonder meer vereist dat in het terugkeerbesluit een uitdrukkelijke opdracht aan de vreemdeling wordt opgenomen om naar een derde land te vertrekken. Voldoende is dat uit de motivering van het terugkeerbesluit voor de vreemdeling duidelijk wordt naar welk derde land hij dient terug te keren, of als hij niet aan zijn vertrekplicht voldoet, door verweerder zal worden uitgezet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in het terugkeerbesluit in de beschikking van 20 juli 2020 geen land van terugkeer is genoemd. In deze beschikking is echter wel opgenomen dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft. Bovendien is de asielaanvraag van eiser in deze beschikking (mede) afgewezen omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst en volgt uit de beschikking en het gehoor waarnaar in de beschikking wordt verwezen, dat Marokko als zodanig is beoordeeld. Verweerder heeft in de beschikking uitdrukkelijk geconcludeerd dat er geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw bestaat nu betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat Marokko ten aanzien van hem haar verdragsverplichtingen niet nakomt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat uit de beschikking van 20 juli 2020 blijkt dat verweerder van eiser verwacht dat hij terugkeert naar Marokko. Dat eiser zelf ook heeft begrepen dat van hem wordt verwacht dat hij terugkeert naar Marokko blijkt uit de eerdere bewaringszaak van eiser (ECLI:NL:RBLIM:2021:3276). Uit het voorgaande volgt dat er na de oplegging van het terugkeerbesluit bij de meeromvattende beschikking van 20 juli 2020 geen onduidelijkheid heeft bestaan over het land waar eiser naar moet terugkeren, namelijk Marokko.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Verweerder heeft het aanvullend terugkeerbesluit van 26 september 2025, voor zover daarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat wordt uitgegaan van Marokko als land van terugkeer, daarom ten overvloede genomen. Het aanvullende terugkeerbesluit roept op dit punt geen rechtsgevolgen in het leven die niet al eerder waren ontstaan. Dit laatste geldt ook voor de al in de beschikking van 20 juli 2020 opgelegde vertrektermijn van nul dagen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de beroepsgronden die eiser hiertegen heeft aangevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De door eiser genoemde (nieuwe) omstandigheid dat hij een vrouw en kind (van één jaar) heeft die in Frankrijk wonen, is voor verweerder terecht mede aanleiding geweest een aanvullend terugkeerbesluit te nemen. Al leidt die omstandigheid niet tot andere rechtsgevolgen dan eerder ontstaan nu verweerder daarin geen aanleiding ziet af te zien van het terugkeerbesluit, is de rechtbank wel bevoegd over gronden tegen dit onderdeel van het terugkeerbesluit te oordelen. Eiser heeft tegen dit deel van het aanvullend terugkeerbesluit echter geen gronden gericht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit ongegrond. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De bewaringsmaatregel (NL25.47149)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. 	In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:<?linebreak?>3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;<?linebreak?>3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;<?linebreak?>3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;<?linebreak?>3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;<?linebreak?>3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; </para>
        <para>en als lichte gronden vermeld dat eiser:</para>
        <para>4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;<?linebreak?>4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;<?linebreak?>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;<?linebreak?>4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;<?linebreak?>4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser betwist de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i. Gronden 3a en 3c kunnen volgens eiser niet worden tegengeworpen omdat eiser tegen zijn uitdrukkelijke wens naar Nederland is gebracht en omdat eiser geen rechtsgeldig terugkeerbesluit heeft ontvangen aangezien het terugkeerbesluit van 20 juli 2020 geen land van terugkeer vermeldt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiser niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Eiser is Nederland ingereisd zonder in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding en zonder geldig visum, en daarmee niet op de voorgeschreven wijze ingereisd. Op 30 juni 2020 heeft eiser asiel aangevraagd, en op 20 augustus 2020 heeft hij een herhaalde asielaanvraag ingediend. Hierna is eiser op eigen beweging naar Zwitserland gereisd. Vervolgens is eiser op 12 september 2025 in het kader van de Dublinverordening overgedragen vanuit Zwitserland omdat Nederland verantwoordelijk is voor het verdere verloop van zijn asielprocedure. Die overdracht neemt echter niet weg dat eiser eerder zonder geldige documenten Nederland is ingereisd. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank eveneens terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Zoals overwogen in rechtsoverwegingen 1.2 en 1.3 heeft eiser op 20 juli 2020, herhaald bij beschikking van 31 augustus 2020, een beschikking ontvangen waaruit de plicht blijkt onmiddellijk terug te keren naar Marokko en heeft hij hier niet aan voldaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De zware gronden 3a en 3c en de onbestreden zware grond 3d en de onbestreden lichte gronden 4a, 4b, 4c, 4d en 4f, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond dat er onvoldoende gronden zijn om de bewaringsmaatregel te dragen, slaagt dus niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inspanningsverplichting </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. 	Eiser voert aan dat verweerder, voorafgaand aan de inbewaringstelling gedurende de periode dat eiser strafrechtelijk gedetineerd was, niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting om aan eisers uitzetting te werken. Op 12 september 2025 is het M122 formulier opgemaakt zodat verweerder toen al had moeten starten met uitzettingshandelingen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier komt naar voren dat eiser op 12 september 2025 in strafrechtelijke detentie is geplaatst<footnote-ref linkend="_d6e50637-22e6-49d5-8bdd-c4c9554593b4" />. Na afloop hiervan is eiser op 26 september 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank gaat er op grond van de stukken van uit dat verweerder op 12 september 2025 op de hoogte is geraakt van de einddatum van de detentie van eiser. Voor zover er gelet op de korte periode van de strafrechtelijke detentie al sprake zou zijn van een schending van de inspanningsverplichting, heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:764 en 10 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2631, op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat zijn belangen zwaarder wegen dan de ernst van het gebrek en het daardoor geschonden belang van eiser. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat de strafrechtelijke detentie van beperkte duur was, eiser niet beschikte over documenten en dat daarom een presentatie bij de ambassade nodig is, wat vanuit strafrechtelijke detentie moeilijk te realiseren is. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ambtshalve toetsing </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Daarnaast dient de rechtbank, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), ambtshalve te toetsen of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a en b, van de Terugkeerrichtlijn zich verzetten tegen verwijdering. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat eiser wel stelt een vrouw en kind in Frankrijk te hebben, maar dit niet met stukken heeft onderbouwd en hier ook geen verdere informatie over wil geven.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit en het beroep tegen de bewaringsmaatregel zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit ongegrond;<?linebreak?>- verklaart het beroep gericht tegen de maatregel van bewaring ongegrond en</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_d6e50637-22e6-49d5-8bdd-c4c9554593b4" label="1">
    <para> Voor het uitzitten van twaalf dagen gevangenisstraf en twee dagen gijzeling in verband met het niet betalen van een schadevergoedingsmaatregel.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>