<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:18827</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-14T09:25:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.37346</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18827">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18827</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-14T09:19:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:18827 Rechtbank Den Haag , 10-10-2025 / NL25.37346</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:18827:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening hangende bezwaar, artikel 64 van de Vw, verzoek toegewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:18827:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.37346 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker], verzoeker</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer] </para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 juni 2023  heeft verweerder beslist dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij besluit van 25 juli 2024 heeft verweerder verzoekers bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 16 oktober 2024 bepaald dat verzoeker in afwachting van de uitkomst van zijn beroep tegen het besluit van 25 juli 2024 moet worden behandeld als ware artikel 64 van de Vw op hem van toepassing. <footnote-ref linkend="_c404d34f-dbbb-4afd-b2b7-9522234a4fb7" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 28 juli 2025 van deze rechtbank en zittingsplaats is verweerders besluit van 25 juli 2024 vernietigd en is verweerder opgedragen om binnen twaalf weken opnieuw op het bezwaar te beslissen.<footnote-ref linkend="_cf6730e3-97d7-4207-8f3c-7248a147d85f" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft hierna op 11 augustus 2025 de voorzieningenrechter verzocht om opnieuw een voorlopige voorziening te treffen, die er toe strekt dat hij de opengevallen bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten en waardoor hij het recht behoudt op opvangvoorzieningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Van de indiener van een verzoekschrift bij de voorzieningenrechter wordt griffierecht geheven. Verzoeker heeft het verzoek gedaan om hiervan te worden vrijgesteld.</para>
    <parablock>
      <para>Eerder heeft de voorzieningenrechter dit verzoek voorlopig toegewezen. Gelet op wat verzoeker naar voren heeft gebracht over zijn inkomen, en gelet op het door hem</para>
      <para>ondertekende formulier, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om dit verzoek definitief</para>
      <para>toe te wijzen. Van verzoeker zal dan ook geen griffierecht worden geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    <para />
    <para>3. Indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb op het verzoek worden beslist zonder dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.</para>
    <para />
    <para>4. Er is sprake van een voldoende spoedeisend belang, aangezien verzoeker op dit moment geen rechtmatig verblijf heeft. Bij de uitspraak op beroep, van 28 juli 2025, is geen voorlopige voorziening getroffen. Verweerder heeft in zijn besluit van 2 juni 2023 bepaald dat verzoeker het bezwaar hiertegen niet in Nederland mag afwachten. Verzoeker heeft op dit moment geen recht op opvangvoorzieningen.</para>
    <para />
    <para>5. Vast staat dat verzoeker ernstige medische klachten heeft die bij het uitblijven van behandeling levensbedreigend kunnen worden. Verzoeker heeft gelet hierop belang bij voortzetting van de huidige opvangvoorzieningen, waaronder medische zorg. Uit de uitspraak van de rechtbank van 28 juli 2025 volgt dat verweerder niet zonder nader onderzoek heeft kunnen aannemen dat de noodzakelijke medische behandeling voor verzoeker ook in Ghana toegankelijk is. Daarbij komt dat evenmin is gebleken dat verweerder voornemens is om verzoeker daadwerkelijk uit te zetten vóórdat opnieuw op het bezwaar zal zijn beslist. Het belang van verzoeker om zijn bezwaar in Nederland te mogen afwachten, waarbij zijn opvang wordt gecontinueerd, weegt gelet hierop zwaarder dan de  mogelijkheid van verweerder om verzoeker uit te kunnen zetten. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom als kennelijk gegrond toewijzen, en in navolging van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2024 een vergelijkbare voorziening treffen. </para>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907 (een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker wordt</para>
    <para>behandeld als ware artikel 64 van de Vw op hem van toepassing tot na de bekendmaking van een nieuw besluit op bezwaar;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ter hoogte van € 907 (negenhonderdzeven euro). </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 10 oktober 2025 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c404d34f-dbbb-4afd-b2b7-9522234a4fb7" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2024:17069.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf6730e3-97d7-4207-8f3c-7248a147d85f" label="2">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:13941</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>