<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:18227</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-07T13:10:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.38528</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18227">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18227</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-07T13:10:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:18227 Rechtbank Den Haag , 16-04-2025 / NL23.38528</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:18227:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep gegrond. Verzoek kostenvergoeding iMMO-rapportage. Besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:18227:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.38528</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om de kosten voor een iMMO<footnote-ref linkend="_798f3286-f7f5-450e-939b-adc76e1b12f1" />-rapportage van € 3675,- te vergoeden. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van het verzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft een verzoek gedaan voor kostenvergoeding van een iMMO-rapportage, welke zij heeft overgelegd ter onderbouwing van haar herhaalde asielaanvraag. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 29 juli 2022 afgewezen onder verwijzing naar een brief van de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 9 mei 2017, en Informatiebericht 2020/139 . Met het bestreden besluit van 10 november 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van het verzoek gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijstelling griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiseres heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat zij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiseres wordt in deze procedure daarom (definitief) vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiseres heeft in totaal drie asielaanvragen gedaan. Te weten in 2015, 2017 en 2021. De eerste twee asielaanvragen hebben niet geleid tot een verblijfsvergunning asiel. Nadat eiseres twee juridische procedures heeft doorlopen, is eiseres bij de derde asielaanvraag een iMMO-onderzoek opgestart en heeft zij de iMMO-rapportage van 28 januari 2021 ten grondslag gelegd aan haar derde asielaanvraag. Deze asielaanvraag is op 12 juli 2023 ingewilligd waardoor eiseres in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. In het bestreden besluit heeft de minister, overwogen dat indien een iMMO-rapportage wordt ontvangen in een opvolgende asielaanvraag doorgaans niet wordt overgegaan tot vergoeding van de kosten, ook indien het rapport aandeelhebbend (relevant) is geweest voor de inwilliging van de asielaanvraag. De minister verwijst in dit verband naar Informatiebericht 2023/12 (een instructie over het vergoeden van rapportages met betrekking tot medisch steunbewijs). Ook heeft de minister overwogen dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij valt onder een van de uitzonderingssituaties, te weten dat zij het iMMO-rapport al in haar eerste asielprocedure had aangevraagd, maar het toen nog niet beschikbaar was, dan wel dat sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet van haar kon worden verwacht dat zij het iMMO rapport eerder indiende. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiseres voert als meest verstrekkend aan dat op grond van artikel 18, eerste lid, van de Procedurerichtlijn medische onderzoeken, die relevant zijn voor de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming, betaald moeten worden uit openbare middelen. Tussen partijen is niet in geschil dat het iMMO-rapport relevant was voor de inwilliging van de derde asielaanvraag van eiseres en dat de zinssnede “overeenkomstig dit lid verrichte medische onderzoeken worden betaald uit openbare middelen” in artikel 18, eerste lid, van de Procedurerichtlijn niet in nationale wetgeving is geïmplementeerd. In geschil is of de minister op grond van deze zinsnede de kosten van het iMMO-rapport aan eiseres moet vergoeden. Anders dan eiseres stelt, is de rechtbank van oordeel dat geen rechtstreekse werking toekomt aan bovenstaande zinsnede van genoemd artikel omdat het onderdeel “openbare middelen” niet als onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig<footnote-ref linkend="_fba59fa6-6470-4cb1-9fe6-71297b3c5556" /> is aan te merken. Hieruit volgt namelijk niet dat de beslissingsautoriteit, in dit geval de minister, de kosten voor medische onderzoeken die overeenkomstig dit artikel relevant zijn geacht, moet betalen. Het valt niet uit te sluiten dat deze kosten op een andere wijze uit openbare middelen vergoed kunnen worden. Deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Wel is de rechtbank, met eiseres, van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan redelijkerwijs niet van haar kon worden verwacht dat zij het iMMO-rapport tijdens de eerste asielaanvraag al indiende. Eiseres heeft in dat verband aangevoerd dat de omvang en ernst van haar medische klachten niet bekend waren bij haar eerste twee asielaanvragen. Nadat eiseres twee asielprocedures had doorlopen, heeft zij in 2017 op eigen initiatief met het ASKV<footnote-ref linkend="_45480d41-6f94-4ab2-929e-b0f0a3a91e1d" /> een signaleringslijst lichamelijke en psychische problemen ingevuld, ter objectivering van haar medische problemen en is op grond hiervan door de huisarts verwezen naar een intake bij Equator Foundation. Equator Foundation heeft vervolgens laten weten dat behandeling geïndiceerd was vanwege o.a. PTSS, seksueel misbruik en lichamelijke mishandeling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In het Informatiebericht van de minister staat dat indien eiseres feiten en omstandigheden naar voren brengt, op grond waarvan redelijkerwijs niet van haar kon worden verwacht het rapport eerder in te dienen, er sprake is van maatwerk. Ook volgt hieruit dat bij maatwerk de merites van de individuele zaak worden onderzocht. Hiervoor kunnen (per definitie) geen criteria worden genoemd. In de beoordeling van de vraag of een iMMO-onderzoek voor vergoeding in aanmerking komt, wordt bezien wat de reden is waarom een onderzoeksrapport naar eigen zeggen niet in de eerste procedure is overgelegd. </para>
        <para>De rechtbank oordeelt dat de enkele stelling van de minister dat hetgeen eiseres aanvoert geen onderbouwing is voor het niet opvragen van een iMMO-rapport ten tijde van haar eerste asielaanvraag, geen maatwerk vormt waarbij zorgvuldig de merites van haar individuele zaak is onderzocht. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit het iMMO-rapport volgt dat er ten tijde van de eerdere asiel-gehoren sprake was van psychische en lichamelijke problematiek die beperkingen gaf en die mogelijk heeft geïnterfereerd met het vermogen van eiseres om compleet coherent en consistent te verklaren. Ook is er niet naar de aard van haar littekens gevraagd, zoals geconstateerd tijdens een onderzoek van het FMMU<footnote-ref linkend="_19571e5c-2522-4ac6-8f3a-ff63afd78ca2" /> van 22 april 2015 en is opgevallen dat in dit onderzoek het onderdeel psychiatrie uitgebreid (gericht op o.a. geheugen, concentratie, slaapproblemen, terugkerende gedachten/herinneringen aan pijnlijke gebeurtenissen en stemming) niet is ingevuld, waarbij  niet duidelijk is geworden of er een psychiatrische screening heeft plaatsgevonden of dat deze niet is ingevuld. Bij die stand van zaken had het op de weg van de minister gelegen om deze informatie kenbaar te betrekken in het onderzoek naar de merites van de individuele zaak. Dat heeft de minister nagelaten. Dit betekent dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt. Verder ligt het voor de hand dat de minister bij een nieuw te nemen besluit, in het kader van maatwerk, eiseres zal horen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan haar te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond; </para>
    <para>- vernietigt het besluit van 10 november 2023;</para>
    <para>- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. J.C.M. Schilder, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_798f3286-f7f5-450e-939b-adc76e1b12f1" label="1">
    <para> Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fba59fa6-6470-4cb1-9fe6-71297b3c5556" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 oktober 2004, ECLI:EU:C:2004:584. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_45480d41-6f94-4ab2-929e-b0f0a3a91e1d" label="3">
    <para> Amsterdams Solidariteits Komitee Vluchtelingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_19571e5c-2522-4ac6-8f3a-ff63afd78ca2" label="4">
    <para> Forensisch Medische Maatschappij Utrecht. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>